VS moeten in Irak lessen van Bosnië toepassen

Om in Irak meer hulp van andere landen te krijgen, moeten de VS op civiel gebied de leiding uit handen geven, met behoud van het militaire opperbevel, menen Ivo H. Daalder en Robert S. Gelbard.

De prompte afwijzende reactie van Frankrijk en Duitsland op het voorstel van de regering-Bush voor een grotere rol van de Verenigde Naties in Irak maakt duidelijk dat het niet eenvoudig zal zijn om meer landen zover te krijgen dat zij zich aansluiten bij het optreden van de Verenigde Staten in dat roerige land. De risico's en de kosten van inmenging zijn hoog. Wil de regering dat anderen meedoen, dan zal zij meer zeggenschap over de niet-militaire kant uit handen moeten geven dan zij nu van plan is.

Met de juiste VN-resolutie zal het mogelijk zijn om vijftig- tot zeventigduizend niet-Amerikaanse manschappen toe te voegen aan de 21.000 die al ter plaatse zijn. Groot-Brittannië, Frankrijk, India, Pakistan, Rusland en Turkije zouden elk binnen een paar maanden tienduizend militairen of meer in het veld kunnen brengen. Andere landen, waaronder veel van Amerika's NAVO-bondgenoten, zouden elk nog eens ongeveer een divisie moeten kunnen leveren. Die aanvullende strijdkrachten zouden kwetsbare plaatsen en infrastructuur kunnen beschermen, waardoor de Amerikaanse troepen zich zouden kunnen concentreren op de jacht op moordenaars.

Behalve meer troepen is ook meer geld nodig. Het Amerikaanse militaire optreden in Irak kan de Amerikaanse belastingbetaler in één jaar meer dan 150 miljard dollar gaan kosten – en dat bedrag dekt alleen het militaire optreden en de urgentste uitgaven voor wederopbouw. Paul Bremer, het hoofd van het voorlopige bewind van de coalitie (CPA), heeft gezegd dat het nog wel ,,enkele tientallen miljarden'' meer zou kunnen kosten om Irak weer op de been te helpen. Daaraan zouden andere landen, vooral Amerika's vrienden in Europa en Azië, moeten meebetalen.

Er zijn ook meer mensen nodig voor de wederopbouw van de burgermaatschappij. Bremers CPA is te dun gespreid om echt iets te kunnen bereiken; ook nu heeft het maar in de helft van de Iraakse provincies een permanente vestiging, waardoor tal van taken op het gebied van de wederopbouw van de burgermaatschappij toevallen aan de al overbelaste Amerikaanse strijdkrachten. Uitbreiding van het aantal ordehandhavers heeft de hoogste prioriteit. Er zijn grote aantallen buitenlandse toezichthouders, opleiders en gewone politiemensen nodig – uit Europa en landen als Argentinië en Brazilië.

Voor dit alles is een nieuwe VN-resolutie nodig. Het militaire deel zal geen problemen opleveren. De Verenigde Staten kunnen het opperbevel houden, zoals gebeurd is in andere gevallen waar de VN een multinationale gewapende macht hebben ingesteld (zoals in Somalië, op Haïti en in Bosnië). Dit zijn geen blauwhelmen maar gevechtstroepen, net als de soldaten en mariniers die er nu al zitten.

Lastig wordt de politieke kant – en de vraag tot welke afspraken Washington bereid is om andere landen zover te krijgen dat zij de troepen, fondsen en burgers leveren die nodig zijn om het plan te doen slagen. Om anderen over te halen zal Bush bereid moeten zijn om de leiding over het CPA en de politieke zeggenschap aan anderen over te dragen.

Dat is al eerder gebeurd. In Bosnië hebben de VS het militaire opperbevel behouden maar op civiel gebied de leiding uit handen gegeven, in ruil voor betrokkenheid en middelen van de internationale gemeenschap. In Irak zou, net als in Bosnië, een zelfstandige organisatie – geen afdeling van de VN – actief kunnen blijven om de politieke en economische instellingen van het land te ontwikkelen. Het hoofd van zo'n organisatie zou verantwoording moeten afleggen aan de Veiligheidsraad, maar ook aan een speciaal gecreëerd lichaam – bijvoorbeeld `de Vrienden van Irak' –, dat de grote groep landen moet omvatten die substantieel troepen en fondsen bijdragen.

Om Rusland erbij te krijgen, zullen de VS met dat land aparte afspraken moeten maken. Iraks financiële situatie zal moeten worden genormaliseerd onder auspiciën van het Internationaal Monetair Fonds, met herschikking – en misschien kwijtschelding – van de schuldenlast via de Clubs van Parijs en Londen. Om de instemming te verkrijgen van Rusland en anderen die aanzienlijke contracten van vóór de oorlog hebben lopen, zouden de VS en de nieuwe leiders van Irak die contracten moeten honoreren. Als dat gebeurt, en wanneer tevens die landen in de gelegenheid worden gesteld om nieuwe contracten te sluiten, zal dat voor hen de weg vrijmaken om hun veiligheidstroepen in te zetten – en een positieve houding ten aanzien van het nieuwe Irak helpen creëren.

Wat levert Amerika dit op? In de eerste plaats dat, door overeenkomsten aan te gaan met landen die een resolutie van de Veiligheidsraad nodig hebben om inmenging in Irak te verantwoorden tegenover hun bevolking, de aantallen militairen en politie worden verhoogd, en de politieke verantwoordelijkheid en het risico wordt gespreid over een veel grotere groep landen, waaronder islamitische. Op dit moment vormen de Verenigde Staten het enige brandpunt en doelwit.

In de tweede plaats zou de gedeelde verantwoordelijkheid tussen de Amerikaanse militaire leiding en een Europeaan als politiek-economisch leider het mogelijk maken dat veel meer bekwame, ervaren mensen beschikbaar komen voor het proces van wederopbouw, waar de hoge functionarissen van het Pentagon van gruwen en waar zij vanaf willen. Gecombineerd met een veel grotere financiële injectie zou dit het trage, onsamenhangende werk aan de ontwikkeling van het land een geweldige impuls geven.

Washington zou op dit belangrijke terrein geen invloed hoeven in te leveren. Wel moet ervoor gezorgd worden dat het nieuwe hoofd van het CPA afkomstig is van een de VS welgezinde Europese bondgenoot, bijvoorbeeld Groot-Brittannië. Een mogelijke, ideale, kandidaat is Jeremy Greenstock, de nieuwe Britse afgezant in Irak; hij heeft veel ervaring met operaties na conflicten en hij was tot een maand geleden de ambassadeur van Groot-Brittannië bij de VN. Een mislukking kan Amerika zich in Irak niet veroorloven, maar dat Amerika het daar in zijn eentje niet zal redden, begint pijnlijk duidelijk te worden. Enige zeggenschap aan anderen afstaan opdat zij de last kunnen helpen dragen, lijkt een geringe prijs.

Ivo Daalder is medewerker bij het Brookings-Institution in Washington en Robert S. Gelbard was van 1997 tot 1999 Clintons speciale afgevaardigde op de Balkan.