Verdonk houdt vast aan beperkt pardon asielzoekers

Minister Verdonk (Vreemdelingen Zaken en integratie) houdt vast aan de beperkte criteria voor een eenmalige pardonregeling. Alleen die asielzoekers die voor 28 mei 1998 een aanvraag hebben ingediend en die nog in de eerste procedure zitten (2200 in totaal) krijgen een verblijfsvergunning Tegelijk kondigt ze een actief uitzettingsbeleid aan.

Dat blijkt vanmorgen uit de antwoorden op in totaal 90 vragen die de Tweede Kamer - die later deze week over de pardonregeling beslist - hierover aan haar stelde. Verdonk wijst hiermee opnieuw de voorstellen van ondermeer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en VluchtelingenWerk Nederland af voor een ruimhartiger regeling, waardoor 6138 vluchtelingen alsnog een verblijfsstatus in Nederland zouden krijgen. Onder deze groep vallen ook de vluchtelingen die op grond van de oude Vreemdelingenwet (die tot april 2001 van kracht was) meerdere procedures aanspanden, veelal omdat nieuwe bewijsstukken niet in lopende procedures konden worden ingebracht. Onder de oude wet duurden procedures vaak lang waardoor grote groepen vluchtelingen die al jarenlang in Nederland wonen nog steeds niet definitief weet of men mag blijven. De VNG en organisaties die zich met de opvang van asielzoekers bezighouden hadden gehoopt dat minister Verdonk met de eenmalige pardonregeling een groot deel van deze mensen alsnog aan een verblijfsstatus zou helpen. In een gesprek gisteren met de Tweede Kamer voorzagen ze een stortvloed aan nieuwe rechtszaken als de strenge criteria door de Tweede Kamer worden overgenomen. Volgens de organisaties zullen duizenden asielzoekers die niet onder de pardonregeling vallen maar wiens asielaanvraag wel voor 28 mei 1998 is ingediend zich beroepen op rechtsongelijkheid in de regeling. ,,Bovendien vallen onder dit eenmalige pardon' , aldus Van Limburg van INLIA (en bundeling van lokale groeperingen die zich met asielzoekers bezighouden) vooral alleenstaande asielzoekers, terwijl de situatie van gezinnen vaak veel schrijnender is.''

Verdonk schrijft dat ze zich beperkt tot de asielaanvragen die nog geen definitieve afwijzing van de rechter hebben ontvangen. Ze beroept zich hierbij op het kabinetsstandpunt dat rechterlijke uitspraken ten uitvoer moeten worden gelegd. Als een verblijfsvergunning is geweigerd, aldus de minister, ,,kan er derhalve geen sprake zijn van langdurige onzekerheid die aan de overheid zou kunnen worden tegengeworpen''.

Tegelijk kondigt ze een actief uitzettingsbeleid aan. ,,Meer dan voorheen zal [..] reeds in een eerder stadium bezien worden of daadwerkelijke verwijdering uit Nederland tot de mogelijkheden behoort.''

Verdonk gaat hiervoor meer identiteits- en nationaliteitsonderzoek inzetten.