Universiteiten moeten talent koesteren

Wetenschap heeft geen status. Jarenlang is het onderwijs over de hele linie murw gebeukt met bezuinigingen. Niet alleen moet er meer geld naar onderwijs en onderzoek, ook de Nederlandse academische cultuur moet veranderen, vindt Dirk van Delft.

Twee weken geleden maakte NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, de winnaars bekend van de Spinozapremie, de hoogste wetenschappelijke prijs die in dit land te verdienen valt. Twee natuurkundigen (Robbert Dijkgraaf en Cees Dekker), een econoom (Lans Bovenberg) en een historicus (Jan Luiten van Zanden) kregen ieder anderhalf miljoen euro, naar eigen inzicht te besteden aan wetenschappelijk onderzoek. En wat doet deze krant? Die zet dat nieuws niet op de voorpagina, zoals bij de P.C. Hooftprijs voor literatuur de gewoonste zaak van de wereld is, maar stopt het in een paar regels weg in de rubriek personalia, in een hoekje van een binnenpagina.

Wetenschap heeft geen status. Dat is ook de ervaring van Martinus Veltman en Gerard 't Hooft, in 1999 winnaars van de Nobelprijs voor de Natuurkunde. Terwijl het jaar erop alle winnaars van een olympische medaille bij koningin Beatrix op de thee mochten, zag hare majesteit beide topfysici, intellectuele reuzen, eenvoudig niet staan. Ook de vaderlandse televisie was totaal niet in de wetenschappelijke prestaties van het duo geïnteresseerd: te moeilijk, saai, niet iets om de kijker mee lastig te vallen. Gelukkig schenen de heren niet met elkaar overweg te kunnen. Dat was tenminste een invalshoek waar de tv iets mee kon! De kijker bleef achter met de indruk dat het duo bekroond was voor het maken van ruzie.

In zo'n klimaat van niet moeilijk doen, van gemakzucht, van het primaat van het gekwebbel, moet Nederland zich opwerken tot kennisgrootmacht. Voorwaar een uitdaging! Jarenlang is het onderwijs, van basisschool tot universiteit, murw gebeukt met bezuinigingen. `Universitair klimaat rampzalig', was de conclusie van M dit weekeinde, na een treurigstemmende rondgang langs topwetenschappers die al dan niet de wijk naar het buitenland hadden genomen. Niet alleen moet er dik geld op tafel komen om onderwijs en onderzoek weer de ruimte te geven, minstens zo nodig is een grondige herbezinning op de Nederlandse academische cultuur. In plaats van middelmaatzoekende krachten de vrije loop te laten zal er gefocust moeten worden op talent.

Dat talent – alfa's én bèta's – moet, eenmaal opgespoord, vanaf klas 1 op de middelbare school worden uitgedaagd en intellectueel in de watten gelegd. Bevorder een cultuur waarin het cool is om uit te blinken, waarin ambitie niet iets vies is. Deel prijzen en beurzen uit aan de besten in een vak, daag knappe koppen uit met masterclasses en zet leraren voor hun neus die hun vak verstaan en affiniteit hebben met wetenschap. Door met de eerstegraadslerarenopleiding te sollen hebben de universiteiten in hun eigen voet geschoten. Jonge fysici, aldus een vorige week gepubliceerd rapport, zijn zeer gewild en vinden overal emplooi, maar van het voortgezet onderwijs willen ze niets weten. Hoe kunnen de Veltmannen en 't Hoofts in de dop nu enthousiast raken voor natuurkunde als ze met een leraar zijn opgezadeld die dat vak van binnenuit niet kent en nooit in een laboratorium heeft gewerkt?

Het land heeft behalve bèta's ook goede juristen, arabisten en internisten nodig. De universiteit heeft ook een culturele taak en `nutteloze' kennis van studies als sterrenkunde en sanskriet maken het leven waard geleefd te worden. Maar aan harde bèta's bestaat schreeuwend gebrek. Aan de universiteiten de plicht ze te lokken met brede bacheloropleidingen en met docenten die talent weten aan te spreken. Robbert Dijkgraaf was na een paar jaar natuurkundestudie het gebrek aan uitdaging zo zat dat hij naar de Rietveld-academie verkaste – gelukkig kroop het bloed waar het niet gaan kon en werd hij alsnog leerling van 't Hooft. Universiteiten moeten het talent dat binnenkomt koesteren. Laat merken dat zestig uur studeren per week helemaal niet raar is en deel beurzen uit die uitblinkers ervan weerhouden vakken te vullen om de eindjes aan elkaar te knopen. Weg met de eindeloze herkansingsmogelijkheden van tentamens, met de modestudies waarop niemand zit te wachten en die studenten van de echte vakken weglokken, met de premies op het binnenhalen van studenten die in wetenschap niet geïnteresseerd zijn, met vastgeroeste wanpresteerders die de doorstroming blokkeren. Weg met de dictatuur van de middelmaat.

Nadat Balkenende in zijn eerste kabinet de wetenschap had doodgezwegen, was er vorige week bij de opening van het academisch jaar ineens de dringende boodschap dat we onze `sterren moeten laten stralen', dat kwaliteit beloond dient te worden. Nederland moet een Europese kennisgrootmacht worden en men is er in Den Haag achter gekomen dat we nog een flink eind van dat doel zijn verwijderd. Balkenende bepleitte in zijn haast wetenschap voor het economische karretje te spannen in de Leidse Pieterskerk voor een betere aansluiting tussen universiteit en bedrijfsleven. Maar alvorens academisch onderzoek te laten dansen naar het pijpen van Philips, Shell of midden- en kleinbedrijf, is het goed te herinneren aan wat fysicus en Philips-topman Hendrik Casimir hierover opmerkte. ,,Het is duidelijk'', aldus Casimir in 1973, ,,dat de universiteiten betaald worden door de gemeenschap en dat ze daarom verplicht zijn diensten te bewijzen, in het bijzonder ook aan de industrie. Ze kunnen aan die plicht het beste voldoen door niet te luisteren naar de wensen van de industrie.'' Vervang `industrie' door `kenniseconomie' en de uitspraak heeft aan actualiteit niets ingeboet.

Universiteiten moeten niet voor bedrijfje willen spelen of het fundamentele onderzoek doen dat het NatLab van Philips heeft afgestoten. Natuurlijk is er niets mis mee als universitaire onderzoeksgroepen en bedrijfslaboratoria gemeenschappelijke projecten opzetten, daar hebben beide partijen baat bij. En ook met kennistransfer naar flankerende ondernemingen is niets mis. Maar de universiteit is er niet om het bedrijfsleven te behagen, haar taak is het om onderzoekers op te leiden. Dat vereist onderzoeksgroepen die aan het front van de wetenschap in internationale competitie elkaar proberen af te troeven. De vragen waar ze zich het hoofd over breken worden gedicteerd door het vakgebied zelf, bemoeienis van bedrijven leidt alleen maar af. Wat je daarvoor koopt? Mensen die creatief hebben leren denken, die met taaie problemen hebben leren worstelen, die op hun tenen hebben moeten lopen, die intellectueel zijn uitgedaagd. Ze hebben een kunstje geleerd waar hun niet-academische werkgevers later nog veel plezier van kunnen beleven.

Hoe creëer je onderzoeksgroepen waar topwetenschappers op afkomen? Niet door een politiek van verdelende rechtvaardigheid. Te lang is het in dit land beleid geweest om, als er eens een zak geld in het academische landschap werd leeggestort, universitaire bulldozers in te schakelen om het geld naar alle uithoeken te schuiven. Maar homeopathische verdunning werkt niet, het houdt de kwaal in stand. Excellent presterende onderzoeksgroepen moeten de mogelijkheid bezitten aan extra geld te komen, dan kunnen ze een kritische massa aannemen die ze in staat stelt de concurrentie met de wereldtop aan te gaan, dan zuigen ze talent aan dat anders wegvloeit. Dat onderzoeksgeld moeten die groepen in competitie binnen zien te slepen. Daarvoor is een aanzienlijke versterking van de tweede geldstroom nodig, het geld dat NWO uitdeelt. Overheveling van geld van de universiteiten (de eerste geldstroom) naar NWO is vaak bepleit, maar van een kale kip is het slecht veren plukken. NWO moet van de overheid gewoon extra geld krijgen.

Een deel van dat geld zou benut moeten worden om het Spinozaprogramma flink uit te breiden. Dat bevrijdt onze topwetenschappers van de papieren rompslomp om in eindeloze subsidierondes steeds maar weer nieuwe projectaanvragen te moeten indienen. Aanvragen die ook nog eens zo moeten worden ingekleed dat ze in de door NWO opgestelde modieuze thema's en prioriteiten – door een om nut roepende overheid afgedwongen – zijn onder te brengen. Aanvragen die worden beoordeeld door mindere collega's.

Ook bij de universiteiten zijn dringend veranderingen nodig. Het academische landschap is veel te vlak, het ontbreekt aan differentiatie en innovatie. Het is een idiote gedachte dat Nederland zich een dozijn topuniversiteiten kan permitteren. Bevorder samenwerkingsverbanden en wijs op basis van bewezen kwaliteit enkele researchinstellingen aan die extra geld krijgen toegestopt om zich te profileren.

Jarenlang zijn de universiteiten afgeknepen, is het onderwijs verwaarloosd en is talent het land uitgejaagd. Nu lijkt het tij te keren, maar waakzaamheid is geboden. Zodra universiteiten zich moeten gaan voegen naar de vijfjarenplannen van het bedrijfsleven, raken we alleen maar verder van huis. De overheid lijkt na een politiek van jarenlange Verelendung eindelijk te beseffen dat er iets moet gebeuren. Laten de Nederlandse wetenschappers toch vooral duidelijk maken dat een kennisgrootmacht gebaat is bij onafhankelijke, vitale universiteiten. Het zou goed zijn als die boodschap krachtig onder woorden werd gebracht. Onze topwetenschappers zouden zich eens wat minder timide moeten opstellen en een voorbeeld nemen aan ijzervreter Kees Braams. Die liet zich in een tafelrede, toen hij de omgang met beleidsmakers en politici met betrekking tot kernfusie aansneed, ontvallen: ,,We have to be mean, we have to fight dirty and kick them in the pants.''

Dirk van Delft is redacteur van NRC Handelsblad.

www.nrc.nl discussie over onderwijs en tekst artikel in M.