Irak-gangers niet bezorgd over veiligheid

De Nederlandse troepen hebben geluk gehad met de hun toegewezen provincie in Zuid-Irak. Het gebied is rustig. De militairen durven zelfs zonder helm te patrouilleren.

Smekend kijkt de eigenaar van het vervallen benzinestation in het Iraakse dorpje Warka kapitein Chris Jan de Ridder aan. Zijn opslagtanks staan allemaal droog. ,,Mijn drie broers zijn gevallen in Saddam Husseins oorlog tegen Iran'', zegt hij, en hij heft zijn handen ten hemel. ,,Ik moet voor negentien kinderen zorgen. Ik ben arm. Helpt u mij alstublieft mijn tanks te vullen.''

De Ridder verzekert de man in zijn verfomfaaide grijze gewaad dat hij de zaak zal opnemen met het Iraakse kantoor in de naburige stad As Samawah dat zich bezig houdt met de oliedistributie. Deze bescheiden toezegging komt de kapitein der mariniers op een zoen van de pomphouder met zijn ruige stoppelbaard te staan.

Helemaal overtuigd van het verhaal van de pomphouder is De Ridder overigens niet, zegt hij even later. Het hele benzinestation is nooit eerder operationeel geweest. In zijn sjofele kantoortje verklaarde de manager eerst twee pompen te hebben. Bij een korte inspectie van het terrein bleek echter dat hij er slechts één had. Hoopte hij zo extra brandstof te bemachtigen? Is hij bovendien niet betrokken bij de nog altijd wijdverbreide zwarte handel in brandstof?

Hoe gek het ook mag klinken in het land met de op een na grootste oliereserves ter wereld, de Nederlandse militairen in de provincie Al Muthanna zagen zich tot nu toe vooral geconfronteerd met een nijpend brandstoftekort bij de bevolking. Daarom besteden ze veel tijd aan het oplossen van dit probleem. Ook de watervoorziening blijft voor hoofdbrekers zorgen.

Dat de 1.143 Nederlanders zich kunnen veroorloven hun aandacht op dergelijke zaken te concentreren, mag intussen een klein wonder heten. In de meeste andere Iraakse plaatsen, met name in de steden, is het gebrek aan veiligheid nog verreweg het meest prangende probleem. Maar noch de burgerbevolking noch de militairen in As Samawah, de hoofdstad van het vooral uit woestijn bestaande Al Muthanna, noemen de veiligheid als hun eerste zorg.

Zeker, er wordt hier en daar gestolen en elke week arresteren de Nederlandse militairen in samenwerking met de Iraakse politie wel enkele criminelen. Maar in vergelijking tot andere plaatsen in Irak mag het geen naam hebben. Afgezien van enkele korte schietpartijen met in het nauw geraakte dieven, is het nog geen enkele keer tot gewelddadigheden gekomen. De Nederlanders zijn al zover dat ze serieus willen proberen de lokale bevolking te verbieden nog langer vreugdeschoten af te vuren, een diepgeworteld gebruik. ,,We hebben enorm veel geluk gehad met deze provincie'', zegt kapitein Richard van Dijk in het snikhete kamp van de Nederlanders in de woestijn even buiten As Samawah.

Toch blijft de toestand labiel. Zo schrok ook het shi'itische Al Muthanna anderhalve week geleden van de moord in Najaf op de vooraanstaande geestelijke ayatollah Mohammed Baqr Al-Hakim. ,,Ik heb meteen opdracht gegeven zijn medestanders te condoleren'', vertelt de Nederlandse commandant, overste Dick Swijgman. ,,Daarmee laat je zien dat zoiets ook ons raakt in het nieuwe Irak.''

Het is niet uitsluitend de Nederlandse verdienste dat de provincie zich zo gunstig onderscheidt. ,,Dat ligt vooral aan onze Amerikaanse voorgangers'', verklaart Swijgman. ,,Die hebben hier met veel nuance en drive hun werk gedaan. Ze hebben snel nieuwe politiemensen en rechters aangesteld. Bovendien hielden ze de criminaliteit binnen de perken.''

Dat het met de veiligheid bevredigend is gesteld, blijkt uit het feit dat de Nederlanders overdag zonder helm durven patrouilleren. ,,Zo komen we ook minder agressief over op de plaatselijke bevolking'', aldus Van Dijk. Een bijkomend voordeel is dat het iets koeler is zonder helm. En dat is niet onbelangrijk bij temperaturen die de afgelopen weken opliepen tot boven de 55 graden Celsius in de schaduw. Neem daarbij nog in aanmerking dat de militairen ook nog een kogelwerend vest van twaalf kilo moeten meetorsen.

De bevolking in As Samawah voelt zich veilig. Ook 's avonds na tienen zitten de mensen nog ontspannen op straat met elkaar te praten en spelen de kinderen buiten. Zelfs enkele gesluierde vrouwen wandelen voorbij. ,,De veiligheid is geen enkel probleem meer'', zegt Shihad Ahmed, een Koerd die een restaurantje drijft aan de hoofdweg. ,,Alleen de brandstofprijzen blijven erg hoog'', zegt hij.

Over het optreden van de Nederlanders zijn de meeste bewoners positief. ,,Ze zijn vriendelijk en hebben al veel verbeterd aan de watervoorziening en de elektriciteit'', vindt Ahmed. Het brandstofprobleem begint zich inmiddels nu aardig op te lossen en is een maand na de komst van de Nederlanders al beduidend minder acuut. De eindeloze rijen voor de benzinepompen zijn verdwenen. Ook is er meer kerosine om op te koken. ,,We proberen nu met het lokale kantoor voor brandstofzaken een olievoorraad aan te leggen'', zegt kapitein Van Dijk.

Overste Swijgman is tevreden over de gang van zaken tot nu toe. Maar hij geeft toe dat hij nog steeds niet volledig hoogte heeft van wat er achter de schermen allemaal speelt. Swijgman doet hij zijn best samen met de leiding van de Coalition Provisional Authority (CPA) in As Samawah goede banden op te bouwen met vooraanstaande stamleiders. De stammen zijn in dit gebied een belangrijke machtsfactor. ,,Maar het probleem is soms vast te stellen wie nu eigenlijk de leider is van een bepaalde stam'', lacht de commandant.

De Nederlandse militairen, onder aanvoering van de mariniers maar met bijdragen van de landmacht, de luchtmacht en de marechaussee, zijn opgelucht dat ze al na vier maanden in plaats van zes maanden worden afgelost. Dat betekent dat deze groep begin november terugkeert naar Nederland. Minister Kamp (Defensie) besloot daar vorige maand toe, mede gelet op de zware omstandigheden waaronder de militairen moeten werken. ,,Dat besluit is hier met groot gejuich ontvangen'', vertelt kapitein Van Dijk. Swijgman zegt ook ingenomen te zijn met deze oplossing. Nu dienen alle militairen in één ruk hun tijd in Irak uit. Als ze zes maanden waren gebleven, hadden ze recht gehad op twee weken verlof en dat zou de continuïteit van de operatie in gevaar hebben kunnen brengen. Swijgman: ,,Dat vond ik ongewenst''.

Niet alle Nederlandse militairen zijn er intussen van overtuigd dat het niet gevaarlijk is in As Samawah. De leiding moedigt manschappen die vooral in koele tenten binnen het kamp werken aan af en toe eens mee te gaan op patrouille om de lokale sfeer op te snuiven. Zo kunnen ze zelf zien dat het niet zo'n vaart loopt met de veiligheidsriciso's. Maar er is nauwelijks animo voor. Kapitein Van Dijk, die zelf wel is meegeweest: ,,Dan zeggen ze: daarvoor zijn wij hier niet gekomen. We willen geen onnodige risico's nemen en ook onze familie vindt dat niet prettig.''