Homeopathie voor allochtonen

Een kennis die aan de rand woont van een nieuwbouwwijk in Amsterdam, waar de koopwoningen en de jonge sociale woningbouw elkaar aanstaren, klaagt over de verloedering van de buurt. Er is overlast, zwerfvuil, en soms straatgevechtjes tussen de kinderen van de koopkant en die van de sociale woningbouw. Waarbij de eersten natuurlijk het loodje leggen, want: `Wij hebben nu eenmaal van die brave GroenLinks-kindjes'. Zij en andere ouders van de koopkant draaien nu dubbele diensten, vertelt ze: ze proberen de woeste jeugd van de overkant, veelal Turkse en Marokkaanse jongens, wat openbaar fatsoen bij te brengen, en dat mutatis mutandis bij hun eigen kinderen wat weg te krabben, onder het streetwise motto: sla dan ook terug. Op straat, wist de jeugd immers vroeger al, is het intimideren, of geïntimideerd worden.

Tussen de rondfladderende lege zakjes chips woedt daar dus een strijd waarvan de uitkomst onzeker is: wordt er alsnog een, ongemakkelijke modus vivendi gevonden, of voegen de `GroenLinksers' zich ten slotte bij de witte vlucht naar Almere, Uithoorn of Duivendrecht? De scène is ook een gevolg van het spreiden van kansarme stadsbewoners over verschillende wijken, in Amsterdam vooral bewerkstelligd door gemengd te bouwen voor verschillende categorieën kopers en huurders. Het is ook een scène waar meer wijken mee te maken zullen krijgen als de voorstellen vaste vorm krijgen die nu zo heftig worden besproken, om probleemgroepen (lees: vooral Marokkanen en Antillianen) in de grote steden, of zelfs over het land, te spreiden.

Met die discussie is iets vreemds aan de hand. De autochtone opluchting dat dit nu eindelijk gewoon gezegd kan worden, met dank aan Pim Fortuyn, verhult een paar feiten over de Nederlandse volkshuisvesting en de problemen in de grote steden. Allereerst. Ondanks de euforie die er nu over is ontstaan, zijn spreiding en regulering van de bevolkingsopbouw van steden door middel van huisvesting zo oud als de weg naar Rome, ook in Nederland. Volksverheffing en emancipatie zijn in het Nederlandse, sociaal-democratische model nauw verbonden aan woningbouw en het onderbrengen van sociale klassen in nieuwbouwwijken en tuinsteden. Arbeiders die nog niet voldoende waren bijgeschaafd naar burgerlijke normen kregen in de jaren vijftig en later nog eerst woningen toegewezen waar ze betrekkelijk weinig kwaad konden, daarna de wat betere, en ten slotte waren ze klaar voor de grote mars voorwaarts richting Almere. Het huidige liberale vrije vestigingsbeleid in Amsterdam, waarin van mondige burgers verwacht wordt dat ze zich ook op de woningmarkt zoveel mogelijk zelf inspannen, is van recente datum.

Er wàs dus in Nederland een spreidingsbeleid. Maar dat werd wel gevoerd met een nadrukkelijk emancipatoire inzet, als onderdeel van een beheersings- en beschavingsoffensief. Niet als een soort homeopathische wonderolie die het probleem moet oplossen door het te laten verdwijnen: de verdunning geldt dan als het medicijn zelf. Dat zal niet genoeg zijn. Het gaat er ook om perspectief te bieden op het verbeteren van de omklappende wijken zelf, en op sociale mobiliteit, niet alleen op fysieke verplaatsing.

Tegen die achtergrond vallen de meest onstuimige plannen al meteen af, zoals de discriminatoire `allochtonenstop' die Leefbaar Rotterdam wil instellen, en het laten rijden van verhuiswagens om wijken via dwang beneden een bepaald quotum buitenlanders te krijgen. Aan zulke drastische ingrepen kleven juridische en principiële bezwaren. Maar de nuchterder maatregelen die de Rotterdamse deelraadpoliticus Dominic Schrijer (PvdA) heeft voorgesteld om verloedering van wijken en gettovorming tegen te gaan, mede door `kansarmen' te spreiden over de stad, ogen serieuzer en praktischer.

Het voordeel van Schrijers benadering is dat hij de verpaupering van de oudere stadswijken eerder in een sociale dan een etnische context plaatst. Dat is niet alleen semantiek om niemand te kwetsen. Natuurlijk, iedereen wéét dat het vooral om `allochtonen' gaat, maar wie zijn dat? Cijfers van Rotterdam wijzen uit dat de grootste groep allochtonen daar de Surinamers zijn (52.377 op 599.859 Rotterdammers), niet bepaald de groep die nu het brandpunt is van alle opwinding over het failliet van de multiculturele samenleving. Daarna komen Turken (43.550), Marokkanen (34.281) en Antillianen (20.390). De laatste groep vormt de snelste groeier (van 12.780 in 1998), met een cumulatie van problemen die een ander, en urgenter, beeld geven dan die van Turken of Surinamers. De Turkse en Marokkaanse gemeenschap groeit daarbij vergeleken gestaag maar niet stormachtig. Wie weet een voorzichtige indicatie dat de kinderen van de tweede en derde generatie uit die groepen, van wie de meisjes in grote aantallen studeren en ook na het huwelijk zullen willen werken, minder grote gezinnen gaan vormen dan hun ouders of grootouders: een afkalving die bekend is van de Nederlandse katholieken, over wie ook ooit de schrik bestond dat ze het land met enorme, godsvruchtige gezinnen zouden overspoelen.

Ook uit Amsterdam komen cijfers die zo'n generaliserende benadering onderuithalen. Daar zijn de circa 70.000 `geïndustrialiseerde migranten' (uit Europa, Azië, Australië of de VS) al een veel grotere groep dan de 55.000 Marokkanen. En, ook interessant: behalve een `witte vlucht' is daar sinds enkele jaren ook sprake van een `zwarte vlucht'. Het aantal Surinamers dat Amsterdam verliet was in 2001 anderhalf keer groter dan het aantal dat er zich vestigde. Een gevolg van hun succes en het langzame opkomen van een Surinaamse middenklasse, die ook liever in een huis met tuin woont in Beverwijk dan drie hoog achter. Zo leidt juist het succes van een etnische groep tot een onbedoelde verdere ondermijning van de vitale middenklasse in de grote stad. Hoe paradoxaal ook, die kans om door scholing en werk toe te treden tot de middenklasse en zelf de stap te maken naar een randgemeente of elders, moet ook andere nieuwkomers geboden worden: om te voorkomen dat bijvoorbeeld Marokkanen opgesloten blijven in Amsterdam-West. Tegen dat proces helpt geen spreiding van kansarmen, zolang die niet wordt aangevuld met een actieve sociale politiek, inclusief veel meer woningbouw, het verbeteren van oude buurten, onderwijs en het vergroten van veiligheid door politie en toezichthouders. Ook in buurten met een overmaat aan brave GroenLinks-kindjes.