Spreidingsbeleid lost helemaal niets op

Hoewel sommigen de Rotterdamse ideeën over de spreiding van allochtonen graag voorstellen als nieuwe politiek, is de discussie al decennia oud. Al in 1972 heeft Rotterdam geprobeerd om een spreidingsbeleid in te voeren door voor elke wijk een maximum van vijf procent allochtonen te stellen. Hoewel het onderscheid naar etnische herkomst in de woonruimteverdeling juridisch onhoudbaar bleek, heeft Rotterdam het eind jaren '70 – tevergeefs – opnieuw geprobeerd, nu met een maximum van 17 procent. De gekozen maxima kwamen overeen met het stedelijk percentage allochtonen en waren niet ontleend aan wetenschappelijke inzichten.

De laatste jaren zijn het vooral de SP en de LFP/Leefbaar Rotterdam die een spreidingsbeleid propageren. Oppervlakkig bezien lijkt het een goede oplossing voor de problemen in de oudere wijken: daar waar het vroeger goed en gezellig leven was, is de laatste jaren of zelfs decennia de sfeer danig ten negatieve veranderd. Zeker in de ogen van veel autochtone bewoners – die vaak al enkele decennia in dezelfde wijk woonachtig zijn – is de verandering vooral het gevolg van de komst van allochtonen. Verder laat vooral Amerikaans onderzoek zien dat de concentratie van etnische minderheden tot allerlei vervelende effecten kan leiden, zoals een toename van de werkloosheid in de wijk, afwijkende normen en waarden, segregatie in het onderwijs, een afnemende kwaliteit van commerciële en niet-commerciële voorzieningen en tot stereotyperingen. Nadelen die wellicht kunnen worden opgelost door allochtonen te spreiden over de stad en wellicht zelfs over het land.

Helaas biedt een spreidingsbeleid geen enkele structurele oplossing, terwijl daar wel een belangrijke prijs voor wordt betaald in de vorm van het aantasten van de vrije woonkeuze.

Het is nogal wat als de overheid bepaalt dat bijvoorbeeld Turken en Marokkanen ergens niet mogen wonen, alleen vanwege het feit dat zijzelf of hun ouders hier niet zijn geboren. Dat mensen beperkingen in hun woonkeuze krijgen opgelegd op basis van hun individuele gedrag (bijvoorbeeld als het gaat om mensen die veel burenoverlast veroorzaken) is in veel gevallen te billijken, maar om mensen de toegang te ontzeggen tot bepaalde wijken omdat ze een bepaald groepskenmerk hebben (waar ze zelf ook niets aan kunnen veranderen), is een brug te ver.

Voorstanders van spreidingsbeleid brengen daar nogal eens tegen in dat allochtonen vaak zelf vinden dat de concentratie van allochtonen in de wijk te hoog is en dat ze graag in een wat `wittere' buurt willen wonen. Dat pleit er voor om meer betaalbare woningen buiten de concentratiebuurten te bouwen, in plaats van het invoeren van een spreidingsbeleid via de woonruimteverdeling. Het op slot zetten van wijken is niet in het belang van allochtonen, omdat het betekent dat een groot deel van de voor allochtonen betaalbare woningvoorraad ontoegankelijk wordt. Buitenlandse voorbeelden (zoals Frankfurt en Singapore) laten zien dat het stellen van maximum quota per wijk ertoe leidt dat etnische minderheden veel meer moeite hebben om hun verhuiswensen te realiseren.

Ook in Nederland heeft het informele spreidingsbeleid dat veel woningcorporaties in de jaren zeventig en tachtig voerden, ertoe geleid dat allochtonen veel langer moesten wachten op een vergelijkbare woning dan Nederlanders. Overigens is het ook de vraag in hoeverre `witte Nederlanders' om zullen gaan met een quotabeleid. Zijn er straks wel genoeg autochtonen te vinden die naar de vrijkomende woningen in de concentratiebuurten willen verhuizen?

En hoe reageren autochtonen als het beleid ook consequent wordt ingevoerd en ze niet naar een gewilde wijk mogen verhuizen, omdat in dat deel van de stad al te veel Nederlanders wonen?

Als met het spreidingsbeleid de vrije keuze van vestiging wordt opgeofferd, moet daar veel tegenover staan. Helaas is spreiding niets meer dan symptoombestrijding. Problemen worden door spreiding niet bij de wortel aangepakt. Maatschappelijke problemen zoals armoede, werkloosheid en criminaliteit doen zich uiteraard meer voor in de ene dan in de andere wijk, maar dat wil niet zeggen dat de oplossing van die problemen ook in de wijk ligt. Met het scheppen van werkgelegenheid, gerichte hulp bij het beginnen van een bedrijf, meer aandacht voor goede scholing en het aanpakken van criminele jongeren kunnen problemen worden aangepakt; met een spreidingsbeleid worden ze alleen maar anders over de stad verdeeld.

Een spreidingsbeleid lost alleen problemen op als sprake is van concentratie-effecten, waarbij de concentratie van kansarmen boven een bepaalde drempelwaarde een zelfstandig negatief effect heeft op de maatschappelijke kansen van de buurtbewoners. Een meer gelijkmatige spreiding zou dan niet alleen leiden tot een meer evenredige verdeling van de problemen over de stad, maar ook tot een absolute afname van de maatschappelijke problemen in de stad als geheel.

Het opperen van spreiding als beleidsmaatregel impliceert dat allochtonen zelf de schuldigen zijn van de problematiek in de concentratiebuurten. Dit is te simpel. Degenen die terug willen naar de sfeer van vroeger en de allochtonen de schuld geven van de negatieve veranderingen in de buurt, vergeten dat de hele (stedelijke) samenleving is veranderd. Door allerlei sociaal-culturele veranderingen is de samenleving steeds individualistischer en afstandelijker geworden. Daarbij komt dat de buurt als integratie-kader al decennia lang aan erosie onderhevig is. Spreiding van allochtonen en een nieuwe concentratie van autochtonen, maakt het er hoogstwaarschijnlijk in de buurt niet gezelliger op.

De discussie kan stigmatiserend werken voor de buurten in kwestie. Door steeds te wijzen op de nadelen van segregatie en de wens tot spreiden, ontstaat een proces van negatieve beeldvorming ten aanzien van dit soort gebieden.

Dr. Gideon Bolt en prof.dr. Ronald van Kempen zijn als stadsgeografen verbonden aan het Departement Sociale Geografie en Planologie van de Universiteit Utrecht.