Spreiding is ook nuttig voor allochtonen

Rotterdam voert de verkeerde lijstjes aan, dat is geen nieuws. Er wordt beleid gevoerd om de situatie te verbeteren. Maar dit gebeurt met de wind tegen. Rotterdam doet het op dit moment immers ook in economisch opzicht niet goed. Het hoogste aandeel faillissementen, de snelst stijgende en de hoogste werkloosheid maken dat de context waarbinnen problemen moeten worden opgelost, uiterst ongunstig is.

Tegelijkertijd is er sprake van een voortgaande instroom van allochtonen die vaak in de plaats komen van wegtrekkende autochtonen. Veel nieuwkomers hebben achtergrondkenmerken die hen voor korte of lange tijd afhankelijk maken van een uitkering. In de zojuist geschetste context is dit een extra zware last voor de stad.

Wie door Rotterdam wandelt, komt de geschetste problemen niet tegen in Hillegersberg of Kralingen. Weliswaar wonen daar ook allochtonen, maar deze Amerikaanse of Japanse medeburgers weten zich goed te redden. Een totaal ander beeld ontstaat wanneer de oude volkswijken in het noorden, zuiden en westen van de stad worden bezocht. Daar is de cumulatie van problemen zichtbaar: hoge werkloosheid, uitkeringsafhankelijkheid, vandalisme, criminaliteit.

Deze ruimtelijke concentratie van problemen is goed te verklaren: de aard en prijs van de woningen biedt laaggeklasseerden een kans, er zijn netwerken waarop zij kunnen terugvallen en er zijn voorzieningen die nuttig kunnen zijn. In feite niets nieuws onder de zon in vergelijking met de `klassieke' arbeiderswijken. Toch is er een belangrijk verschil: de huidige laaggeklasseerden zijn veelal allochtoon. Taalproblemen en cultuurverschillen geven het probleem een extra dimensie. Bovendien maakt de etnische component de aanpak gevoeliger.

De huidige concentratie heeft twee grote bezwaren. Het eerste is dat de instanties in de desbetreffende buurten zwaar overbelast zijn. Wie de sociale dienst in bijvoorbeeld de Tarwewijk bezoekt, zal grote bewondering voor de medewerkers krijgen en evenveel zorg opdoen over de vraag hoe dit verder moet. Het tweede bezwaar is dat veel allochtone nieuwkomers deel uitmaken van netwerken die hun niet of nauwelijks van dienst (kunnen) zijn bij hun poging om vooruitgang in de Nederlandse samenleving te boeken.

Uit onderzoek is bekend dat ook het schaarse buurtcontact met autochtonen weliswaar tot `bonding' leidt (men onderhoudt contact), maar niet tot `bridging' (men komt niet in aanraking met hogere sociale lagen). Het is dan ook niet vreemd dat migranten klagen over te veel allochtonen in hun wijk.

Een pleidooi voor spreiding ligt voor de hand. De instanties zullen hun taken beter kunnen uitvoeren en de allochtonen komen los van contacten die hen niet verder helpen. Een bijkomend voordeel is dat de autochtonen in de concentratiewijken zich mogelijk meer thuis voelen wanneer het percentage allochtonen afneemt, of in elk geval niet verder toeneemt. Spreiding ligt zo zeer voor de hand dat het al bestaat. Rotterdam is de enige grote gemeente in ons land waar de zogeheten segregatie-index in de afgelopen jaren is gedaald. Dit duidt op meer spreiding.

Waarom dan zo'n opwinding over de hardop uitgesproken plannen om spreiding te bevorderen? In de eerste plaats omdat de materie gevoelig is. Om die reden wordt bepleit de woordkeuze aan te passen: spreek liever niet over `spreiding van allochtonen' maar over `spreiding van kansarmen'. Dit verduidelijkt dat er meer sprake is van een `klassenprobleem' dan van een `rassenprobleem'. Maar laten we niet onder het vloerkleed schuiven dat we het toch voornamelijk over allochtonen hebben, wat een een extra dimensie in de problematiek impliceert. En laten we benadrukken dat spreiding juist ook voor allochtonen nuttig is.

Een tweede reden voor opwinding is dat velen direct denken aan dwang. Spreiding kan echter heel goed zonder dwang, door aanpassingen in de woningvoorraad en op kortere termijn door inzet van het allocatiemodel voor woonruimteverdeling. Waar nodig kan overleg met corporaties en bewoners(verenigingen) helpen om het tempo erin te houden.

Naast de stadsinterne spreidingsdiscussie is er het voorstel om de stadsgrenzen te sluiten voor allochtonen. In het licht van de gegeven probleemschets zou dit – in elk geval tijdelijk – nuttig kunnen zijn. De optie lijkt echter weinig reëel. Er bestaan forse principiële bezwaren die verband houden met vrijheid van vestiging.

Er zijn verder praktische bezwaren, die te maken hebben met de uitvoerbaarheid van het beleid en met de creatie van een nieuwe categorie van stadsgebonden `illegalen' en er zijn bestuurlijke bezwaren. Als Rotterdam als enige zulk landelijk spreidingsbeleid wil, zal het al snel Rotterdam tegen de rest worden. Zonder gecoördineerde actie (vanuit de rijksoverheid en/of de VNG) is de gemeente kansloos, nog afgezien van de beide andere bezwaren.

Juist omdat landelijke spreiding, of concreter: sluiten van de stadsgrenzen, niet erg realistisch is, is er aanleiding om het stadsinterne-spreidingsbeleid serieus te nemen. Honende reacties vanuit het middenrif dragen niet bij tot de oplossing, ook niet voor allochtonen die tot de direct-belanghebbenden behoren. Het vizier moet er vooral op gericht zijn dat spreiding gunstig uitpakt voor alle Rotterdammers.

Justus Veenman is hoogleraar Economische Sociologie, Economische Faculteit, Erasmus Universiteit Rotterdam.