Eindelijk wordt het Kamerwerk weer normaal...

Als over ruim een week Troonrede en Miljoenennota een feit zullen zijn, zal menig Kamerlid vermoedelijk een zucht van verlichting slaken: eindelijk, na bijna twee jaar gedonder en onrust, wordt het parlementaire werk weer een beetje normaal. Want sinds het aftreden van het kabinet-Kok II, begin 2002, is de situatie voor Kamerleden eigenlijk al abnormaal: van het controlerende werk is door de bizarre verkiezingsuitslagen van 2002 en 2003, de opkomst van de LPF, het in de knop gebroken kabinet-Balkenende I, en de lange formatie van Balkenende II eigenlijk al heel lang geen sprake meer geweest. Nu breekt – als de voortekenen niet bedriegen – weer een periode van enkele jaren van wetgeving en controle op wetgeving aan.

De tevredenheid onder Kamerleden over een terugkeer van de normaliteit blijft echter discreet. Want tegelijkertijd immers is er bij menige partij en politicus sprake van gewetensnood: hebben de gebeurtenissen van de afgelopen jaren niet aangetoond dat er iets grondig mis is met de werking van het parlement als democratisch instituut? Is de Tweede Kamer wellicht te ver af komen te staan van de burger? En als dat zo is, wat moet daar dan tegen gebeuren? Meer de straat op, meent de een, is de oplossing. Meer dualisme, denkt de ander. Misschien wordt het tijd voor meer directe democratie, door middel van referenda of directe burgemeestersverkiezing. Twijfel knaagt.

Ten onrechte, denkt Henk te Velde, eerder dit jaar aangetreden als hoogleraar politieke cultuur. ,,Velen hebben de onrust van 2002 beschouwd als teken dat het politieke systeem volstrekt faalde'', schrijft hij in het jongste nummer van het Historisch Nieuwsblad. ,,Het lijkt mij eerder dat het systeem opmerkelijk veerkrachtig was, en ik was op dat moment verheugder dan ooit dat we in Nederland een vertegenwoordigende, en niet een directe democratie kennen.''

...Maar hier en daar knaagt twijfel...

`Veerkracht? Hoe bedoelt u', vragen wij de hooggeleerde. ,,Nu als je kijkt hoe de LPF-fractie vorig jaar met frisse moed dacht dat ze alles helemaal anders konden maken – daar is weinig van terecht gekomen. Nu kun je natuurlijk zeggen: dat komt doordat die fractie voor een groot deel uit minkukels bestond. Maar dat is toch niet het hele antwoord: het blijkt niet zo heel makkelijk om een parlementaire traditie naar je hand te zetten. Er schuilt bijna iets geheimzinnigs in de manier waarop zo'n traditie buitenstaanders disciplineert. Want om iets gedaan te krijgen, moet je je de bestaande regels eigen maken.''

Zo hebben aan het einde van de negentiende eeuw de socialisten en confessionelen dat ook gedaan, toen zij een rol gingen spelen in de tot dan toe door liberalen gedomineerde parlementaire wereld. Zij pretendeerden, gesteund door brede volksbewegingen, de maatschappij in de wereld der hoge heren binnen te brengen. Maar al vlug merkten ze dat dit streven het best gebaat was bij het volgen van de parlementaire regels, om ze vervolgens voor hervormingen te gebruiken. Overigens bestaat de discussie over de vraag of het parlementair debat niet te vér af staat van het maatschappelijk gebeuren, of dat een zekere afstand niet juist wenselijk is, al zo lang als de moderne volksvertegenwoordiging, dus in Nederland sinds 1848 – meent Te Velde.

De straat op en vertolken wat men op straat hoort, zoals de PvdA-leiding nu voorstelt, is voor parlementariërs geen oplossing, meent de Groningse hoogleraar. ,,Het gaat in het parlement om de politieke vertaling en dat houdt een zekere afstand in. Politici moeten duidelijk maken welke keuzes zij maken, en waarom die keuzes relevant zijn. Wat er mis ging in 2002 was niet dat het parlement geheel anders moest functioneren, maar dat politici te weinig meer duidelijk konden maken op welke punten zij van mening verschilden.''

Enigszins provocatief stelde Te Velde in april van dit jaar, bij zijn oratie, dat `rituelen' voor een parlement van grote waarde zijn. Dat was niet zo lang nadat de Kamer vol verontwaardiging was heen gevallen over de toenmalige minister Nawijn van de LPF, die op denigrerende toon het Kamerwerk als `ritueel' had beschreven. Niet denigrerend betoogde Te Velde dat rituelen in een parlement onmisbaar zijn, ook al maken ze op buitenstaanders soms een onbegrijpelijke of vreemde indruk. Een parlement is geen vriendenclub, aldus de hoogleraar, maar een gezelschap tegenstanders. Die kunnen alleen maar met elkaar in de clinch als hun debat aan bepaalde regels gebonden is. Zelf sprak hij in zijn oratie over ,,het theater van de politiek''.

...En is zelfbewustzijn geboden

Waar zal Te Velde, na de herstart van het parlementaire leven volgende week, in het bijzonder op letten? ,,In hoeverre de Tweede Kamer zelfbewust is'', antwoordt de hoogleraar. ,,Ik heb het idee dat het daaraan het meest ontbreekt. Dat neemt bij de partijen verschillende vormen aan. Je hebt natuurlijk de LPF en SP, die het meest pretenderen spreekbuis van de maatschappij te zijn. Er zijn de regeringspartijen die lippendienst bewijzen aan het dualisme – ik vraag me af of daar iets van terechtkomt. Maar ook de grootste oppositiepartij, de PvdA, weet nog niet goed hoe haar rol zal zijn. Al te veel oppositioneel vuurwerk brengt een toekomstige regeringsrol in gevaar, maar een al te constructieve oppositie verdwijnt uit beeld.

,,De Kamer zal moeten laten zien dat zij een orgaan is dat iets toevoegt aan het politieke leven'', concludeert de Groningse hoogleraar. ,,Er moet discussie zijn, en er moeten argumenten worden uitgewisseld. En ik zou hopen dat Kamerleden, meer dan nu vaak, het bewustzijn uitstralen dat Kamerlid een belangrijk ambt is.''

In afwachting van Prinsjesdag houdt de Tweede Kamer zich deze week onder andere bezig met een wijziging van de Waterleidingwet en het Protocol Verdrag rechten van de mens. Donderdag doet Kamervoorzitter Weisglas een persoonlijke brief het licht zien over mogelijke veranderingen in de werkwijze van de Kamer.