Drie gedanste verhalen

Het programma van het Mariinsky Theater zondagmiddag bevatte drie balletten van Prokofjev: de pas de deux uit Romeo en Julia en Assepoester, en het integraal uitgevoerde ballet De verloren zoon. Pas de deux die `kaal' worden uitgevoerd behoren in Nederland gelukkig nagenoeg tot het verleden, want zelfs omringd door de warme en levendige klanken van dit orkest blijft het voor solisten een ondankbare taak om de sfeer van een ballet in een klap goed neer te zetten.

Dat lukte dan ook niet bij Assepoester, dat hier in de versie van Aleksey Ratmansky werd gedanst. Een teveel aan pantomime leidde af van de pure danskunst van solisten Natasha Sologoeb en Vladimir Sesov. Overtuigender was het liefdesduet uit Romeo en Julia, dat zoveel vervoering in zich draagt dat je wel van steen moet zijn om onberoerd te blijven. Toch danste Victor Barorimiminsky Romeo niet zo vlekkeloos als je van een solist van het beroemde Kirov Ballet – een andere naam voor het Ballet uit Sint Petersburg – zou verwachten.

Verreweg het interessantst was De verloren zoon, een jeugdwerk van de Russisch-Amerikaanse choreograaf Balanchine. Hij maakte het in 1929 nog bij Diaghilevs Ballets Russes, en hernam het in 1950 bij zijn New York City Ballet. Nederland kent De verloren zoon van Het Nationale Ballet. Ook bij het Russische gezelschap blijft het een curieus en boeiend werk, met zijn in plastische mime uitgebeelde bijbelse parabel, waarbij de Zoon de wereld intrekt en beroofd en berooid naar huis terugkeert, waarna zijn vader hem in de armen sluit. Het aardigst is het middendeel, met de roversbende van negen mannetjes en hun leidster, de verleidelijk Sirene. Temidden van de groteske kale mannetjesputters die in gelijke pas in grove wijde beenposities over het podium buitelen, schittert deze sierlijke mysterieuze dame. In een acrobatische sluierdans verleidt ze de naïeve jongeling. Het sensuele aspect in deze rol ging soliste Julia Makhalina beduidend beter af dan het stuntwerk. Waar zij een steekje liet vallen, stal Mikhail Lobukhin echter de show met zijn jongensachtige vertolking van de Zoon. Hij deed bijna vergeten dat de aankleding in deze productie een aanfluiting was. Dat het ontwerp van schilder George Rouault – bekend om zijn contrasten tussen kleuren en zwarte contouren – niet langer met puur pigment op doek wordt gebracht zoals oorspronkelijk, valt te begrijpen. Maar zo bleekjes als de kostuums eruit zagen en zo rimpelig als de achterdoeken erbij hingen, kan niet.