Wordt Nederland dommer?

Steeds luider klinken de klachten over het universitaire klimaat in Nederland. Anti-intellectualisme, bureaucratie en ongeïnteresseerde studenten, zo hoor je alom.

Is de situatie echt zo schrikbarend?

M sprak met elf hoogleraren die in verschillende landen hebben gewerkt.

'In Amerika heb ik ervaren hoe stimulerend het is om kwaliteit om je heen te hebben.'

'Het was een soort homecoming', zegt fysicus Robbert Dijkgraaf. Hij heeft het over zijn aankomst op Harvard, in 1988. 'Het enthousiasme waarmee de hoogleraren in Harvard op me af kwamen: Wat heb je te vertellen? De tranen sprongen me in de ogen. Ik merkte dat dit de plaats was waar ik eigenlijk altijd van had gedroomd. En hij bestond écht!'

Biologe Titia de Lange volgde in het midden van de jaren tachtig een postdoctoraal programma aan de universiteit van San Francisco. Ze is nooit meer naar Nederland teruggekeerd. 'Ik ontmoette uitmuntende hoogleraren en ambitieuze studiegenoten. De intense discussies, drie keer per week een seminar met aansprekende namen voor het eerst merkte ik hoe interessant biologische problemen zijn.'

Als je met Nederlandse wetenschappers praat die in het buitenland werken of hebben gewerkt, hoor je steeds hetzelfde verhaal: voor de wetenschap hoef je niet in Nederland te blijven. Neem hettitoloog Theo van den Hout. Hettitologie is de kennis van de Hettieten, een volk dat rond 1500 voor Christus in Klein-Azië tot grote bloei kwam. In Nederland kreeg hij van de universiteit de opdracht 'Hettitisch af te bouwen, het mocht geen hoofdvak meer zijn'. Drie jaar geleden vertrok hij naar Chicago, waar hij hoogleraar werd aan het Oriental Institute van de universiteit van Chicago. Hij belandde in de wetenschappelijke hemel.

'Het woord bezuinigingen valt hier nauwelijks. Verreweg mijn meeste tijd gaat op aan onderwijs en onderzoek. Als ik mijn collega's in Nederland hoor klagen over de universiteitspolitiek, dan heb ik geen spijt dat ik ben weggegaan.'

Of neem bioloog en biochemicus Hidde Ploegh. De vu-hoogleraar kon veertien jaar

geleden moeilijk nee zeggen, toen hem werd gevraagd hoogleraar te worden op het Massachusetts Institute of Technology (mit) in Boston. 'Met alle respect voor Nederland, Boston is echt de eredivisie op mijn vakgebied. Geld voor onderzoek is er voldoende, de overheid valt het hoger onderwijs niet lastig met onderwijsvernieuwingen en door een cultuur van

selectie en differentiatie komen de beste hoogleraren en studenten elkaar tegen.'

Noodklok

Voldoende geld voor onderzoek, ambitieuze studenten, het contact met de top in je vak. Dat zijn volgens de elf hoogleraren die we spraken de factoren die kennis en wetenschap op een hoger niveau brengen. Ze hebben allemaal in Nederland gedoceerd, maar ook in het buitenland. Ze weten waar ze over praten. En in Nederland gaat het niet goed, vinden ze. Er wordt te veel bezuinigd, toponderzoekers worden lastig gevallen met managementtaken en eindeloze subsidierondes, talent wordt

niet gekoesterd en studenten worden niet uitgedaagd. En dat in een land dat kennisland wil zijn, dat de ambitie heeft tot de beste kenniseconomieën van Europa te gaan horen.

Die pretenties, zo blijkt keer op keer, worden niet waargemaakt. De Europese Unie heeft vastgesteld dat de lidstaten 3 procent van het bruto nationaal product aan onderzoek zouden moeten besteden, Nederland kwam vorig jaar niet verder dan 1,9 procent. Sinds 1993 daalt hier het aantal afgestudeerden in de exacte studierichtingen, terwijl dat in veel andere Europese landen stijgt. Uit gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (oeso) en uit ander internationaal onderzoek blijkt dat Nederland op zijn gunstigst een middenmoter is, en dat landen als Zweden, Finland, Denemarken, Frankrijk en Duitsland per inwoner meer aan onderzoek uitgeven.

Op gezette tijden luidt daarover iemand de noodklok. 'Nederland behoort op dit punt tot de slechtst presterende Europese landen', schreef de Onderwijsraad in mei aan de minister. 'Als we niet snel iets doen, worden we het lachertje van de wereld', zei de Delftse hoogleraar geofysica Guus Berkhout vorig jaar. Hij maakte deel uit van een internationale werkgroep die de eu moest adviseren over innovatiebeleid. 'Nederland wordt dommer, en dat is het domste wat we kunnen laten gebeuren', zei werkgeversvoorzitter J. Schraven twee maanden geleden toen hij hoorde van de regeringsplannen om het aantal verplichte vakken in het voortgezet onderwijs te verminderen. En een enquête van NRC Handelsblad onder

topeconomen deze zomer leverde ook weinig hoopvolle geluiden op. 'Het land wordt langzaam maar zeker dommer', signaleerde de Delftse econoom Kleinknecht. En zijn Maastrichtse collega Luc Soeters: 'Nederland heeft een nieuwe ziekte, de Dutch knowledge disease. Met onze kennis loopt Nederland achter op de rest van Europa.' Robbert Dijkgraaf (1960), hoogleraar theoretische natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam, huist tijdelijk in de Wibautstraat, omdat in het natuurkundegebouw op de Roetersstraat asbest is geconstateerd. Hij maakt zich grote zorgen over de geringe instroom van studenten in de bètavakken. 'Er heerst een volkomen verkeerde cultuur. Mijn vakgebied is een extreme bètastudie, dat hangt heel sterk op getalenteerde jonge mensen en daar groeit het scheef. Ik ben twintig jaar geleden opgeleid, toen had je drie keer zoveel studenten. Als je er te weinig hebt, ontstaat er geen groepsdynamica, waardoor je boven jezelf wordt uitgetild. Ik vergelijk het maar met het peloton van de Tour de France. Dat peloton heb je nodig.

'De cultuur is fout. Als je in Nederland getalenteerd bent, is er niets wat je ondersteunt. Er zijn geen prijzen, geen aanmoedigingsbeurzen, er is geen enkele stimulans. Ik las laatst de brief die je krijgt als je bent toegelaten op Harvard. Die luidde: Gefeliciteerd, je bent getalenteerd, je bent bijzonder! In Nederland zegt nooit iemand dat. Hier verklaren middelbare scholieren je voor gek als je natuurkunde gaat studeren, je wordt voor nerd versleten.'

Het is een cultuur van doe maar zo min mogelijk, leid een aardig leven, vindt Dijkgraaf. 'Een cultuur van conformisme. Er is een re-gressie naar het gemiddelde. Dat is de druk van de jeugdcultuur. Middelbare-scholieren bepalen wat belangrijk is of niet en de universiteiten passen zich daar noodgedwongen bij aan.'

Engels avontuur

Ook de socioloog Dick Pels (1948) kreeg genoeg van Nederland. Hij doceerde aan de universiteiten van Amsterdam en Groningen, maar in 1998 ging hij naar Engeland. Hij werd benoemd tot hoogleraar sociologie aan de Brunel University in Londen. Begin dit jaar nam hij daar weer ontslag. Het heen en weer reizen tussen Amsterdam en Londen werd hem te zwaar. Hij schreef inmiddels een boek over het gedachtegoed van Pim Fortuyn en wil zich vestigen als freelance publicist. Op het oude motorschip dat hij al jarenlang bewoont, vertelt hij over zijn Engelse avontuur. 'De gesloten cultuur van Nederland benauwde me. Het systeem van de levenslange aanstellingen, het ambtenarenreglement en het gebrek aan concurrentie. De wetenschappelijke wereld is Engelstalig en daar wilde ik deel van uitmaken. Brunel University is een universiteit in west-Londen. Het is een universiteit die veel studenten uit de onmiddellijke omgeving haalt, ongeveer 80 procent. Ze komen voor het grootste deel uit de Indiaas-Pakistaanse en de Afro-Caraïbische gemeenschap en vooral de eersten zijn zeer gemotiveerd.'

Het intellectuele klimaat in Engeland beviel hem wel. 'In Engeland is alles veel groter, zowel de universiteit als de academische gemeenschap. Je hebt daar 130 instellingen voor hoger onderwijs, tien keer zoveel als in Nederland. En je hebt een onmiddellijke aansluiting op de Amerikaanse en de Australische gemeenschap. Je kunt dus putten uit een enorme vijver, ook voor de rekrutering van personeel.'

Wat is het verschil met Nederland? 'Je kunt de universitaire wereld voorstellen als een piramide. In Nederland mis je de onderkant, maar ook de top. In Engeland heb je de hele piramide; je hebt te maken met een laag aanvangsniveau van de studenten, lager dan in Nederland, maar ook met een veel hogere top.'

Waarom hebben wij in Nederland die top dan niet? 'Behalve dat het een schaalkwestie is, speelt mee dat de mobiliteit daar veel hoger is. Nederland heeft een gesloten cultuur en een systeem van levenslange aanstellingen. In Engeland heb je een grote druk op mensen en instellingen, en veel doorstroming. Er is een soort transfermarkt, de universiteiten proberen elkaars sterren weg te kapen. Dat kan ook heel goed, want er bestaat geen salarisplafond.'

Inspirerender

Hidde Ploegh (1953) is sinds 1992 hoogleraar in de Verenigde Staten. Eerst op het mit, sinds 1997 op Harvard Medical School in Boston. Hij doet onderzoek naar moleculaire immunologie en leidt het Ploegh Lab. Op zijn laboratorium doen meer dan twintig promovendi en postdocs onderzoek naar cellulaire processen in het immuunsysteem. Gemiddeld één dag per week geeft hij college. Dat alleen al, zegt Ploegh achteroverleunend in zijn bureaustoel, is een groot verschil met het Nederlandse hoger onderwijs. 'De Amerikaanse universiteiten zien heel goed in dat onderwijs óók een belangrijke plaats inneemt op de universiteit. Hoe vaak gebeurt het niet op Nederlandse universiteiten dat de eerstejaarsstudenten college krijgen van een studentassistent?'

Het wetenschappelijke klimaat, zegt hij, is in Amerika veel beter dan in Nederland. 'Veel inspirerender. Je merkt het al als je vanaf het vliegveld de taxi naar huis neemt. Als ik taxichauffeurs in Nederland vertel dat ik biochemicus ben, zijn ze niet geïnteresseerd. Of ze denken dat ik me bezighoud met enge zaken, zoals genetische manipulatie. Hier is het meteen: 'Fantastic! Vertel daar wat meer over.'

Ploegh ziet 'een heel groot verschil' in kwaliteit tussen Nederlandse en Amerikaanse hoogleraren. 'Ik denk dat het iets te maken heeft met de manier waarop je omhoog kunt komen in de universitaire hiërarchie. In Nederland klim je van universitair docent naar hoofddocent, waarna je hoogleraar wordt. Die benoemingen zijn niet altijd gebaseerd op talent maar op lokale connecties en zitvlees. In Amerika worden die bevorderingen veel serieuzer bekeken. En omdat daarbij ook zwaar meetelt hoe goed iemand college geeft, is het niveau van de colleges een stuk hoger dan in Nederland. Hier geldt dat het een eer is om kennis te delen met studenten. Dat in Nederland de bètastudies uitsterven, komt grotendeels door de inspiratieloze lessen op de middelbare school en in de eerste studiejaren.'

Hoog niveau

De Hettitoloog is keurig in het pak. Theo van den Hout (1953) is even over uit Chicago voor de promotie van een discipel van hem in Amsterdam. Een goed moment om eens met hem te praten over zijn vertrek uit Amsterdam naar The Oriental Institute van the University of Chicago. In totaal studeren er ongeveer 80 mensen. 'Het niveau is heel hoog. Studeren aan de University of Chicago is heel duur. Alleen al het collegegeld is 24.000 dollar per jaar, en dan moet je nog fors betalen voor de huisvesting. Dus je bent zeer gemotiveerd. Als je eenmaal binnenkomt, dan werk je wel. En zeker als je het eerste jaar succesvol afsluit, zijn er altijd wel fondsen of beurzen te vinden.'

En hoe is de wetenschappelijke sfeer? 'Er wordt heel weinig gepraat over administratieve zaken, alles draait om het intellectuele klimaat. De universiteit als een bron van ideeën, waar in vrijheid over alles gesproken kan worden. Daar wordt voortdurend aan gerefereerd. En er is een groot historisch besef: er kan geen vergadering voorbijgaan of de idealen van de founding fathers worden weer van stal gehaald.'

Is Chicago het walhalla? 'Voor mij wel. Ik was in Amsterdam erg geïsoleerd, ik was eigenlijk de enige oud-oriëntalist aan de Universiteit van Amsterdam. Nu zit ik in één

gebouw met 20 oriëntalisten. Dat is heel

stimulerend. En het management wordt me grotendeels uit handen genomen, ik ben veelal bezig met echt academische kwesties. Ik voel me bevoorrecht.'

Bevoorrecht. Zo voelt Wilfred van Gunsteren (1947) zich ook. Sinds 1990 is hij hoogleraar fysische chemie aan Zwitserlands topuniversiteit, de Eidgenössische Technische Hochschule (eth) in Zürich. Van Gunsterens vakgebied is de moleculaire dynamica. De eth werd in 1855 opgericht om van Zwitserland een kennisland te maken. De toen nieuwe elektriciteitsopwekking uit waterkracht gaf ongekende groeimogelijkheden.

Van Gunsteren is om verschillende redenen naar Zwitserland gegaan. Het aanbod dat hij kreeg was zeer aantrekkelijk, maar onvrede over de situatie in Nederland speelde ook een rol. 'De moeite die je aan de Nederlandse universiteit hebt om je wetenschap op peil te houden. Er was te weinig geld en we hebben te veel universiteitsbestuurders die niet van de wetenschap houden. Die alleen maar manager zijn. Dat is het vreselijkste dat er is.'

Grote belangstelling

Ook Titia de Lange (1955) emigreerde wegens het wetenschappelijke klimaat. Midden jaren tachtig volgde de pas afgestudeerde biologe een postdoctoraal programma aan de universiteit van San Francisco. Ze viel voor de discussies aan de lunchtafel, de gedreven sfeer onder de hoogleraren, de ambitieuze studiegenoten. Maar ook gewone burgers zijn geïnteresseerd. 'Amerikaanse burgers zijn heel erg betrokken bij onderzoek op universiteiten, ook de lager opgeleiden. Op televisie is veel wetenschapsnieuws, en universiteiten spelen daarop in door veel onderzoek als nieuws te presenteren.' Ze constateert wel dat het meestal bij interesse blijft. Het percentage mensen dat de wetenschap in wil, ligt lager dan in West-Europa. 'Uiteindelijk is een wetenschapper hier niet echt cool, want alles draait toch om geld verdienen.'

We zijn op de tiende verdieping van het gebouw van de Rockefeller University, middenin Manhattan, in het De Lange Lab, waar onderzoek wordt gedaan op het gebied van celbiologie en genetica. Kamers met lange onderzoekstafels. Medewerkers in witte jassen lopen heen en weer. De Lange zit achter haar bureau. Achter haar een tekening van Amsterdam.

Ze wilde in 1985 niet per se weg uit Nederland. Tussen 1981 en 1985 had De Lange het uitstekend naar haar zin als studentassistent aan de Universiteit van Amsterdam. 'De Verenigde Staten trokken me niet bijzonder. Maar de universiteit gaf me een beurs voor twee jaar San Francisco. Alle studenten van mijn jaar deden destijds hetzelfde. Allemaal wilden we ervaring opdoen in de vs.'

Maar ze is niet teruggekeerd. Waarom? 'Het gekke is dat vrijwel iedereen is gebleven. Als ik voor mezelf spreek, ik ben alleen gebleven voor de wetenschap. De paar jaar in Amerika hebben mijn ogen geopend. In Nederland kom je die hoge kwaliteit ook wel tegen, maar het is veel kleinschaliger. Er bestaat geen grote gemeenschap van topwetenschappers.'

Wetenschappelijke kwaliteiten

En hoe denkt een buitenlandse geleerde over het peil van de Nederlandse wetenschap? De Amerikaanse biologe Elaine Dzierzak (1953) werkt in een krap kamertje op de tiende verdieping van de medische faculteit van de Erasmus Universiteit, in het centrum van Rotterdam. De kamer ligt in een hoek van Dzierzaks laboratorium, formaat klaslokaal van een middelbare school. Hier werken de drie aio's (assistent in opleiding) en vijf postdocs die door haar worden begeleid. Zelf is ze gespecialiseerd in stamcelonderzoek. Ze heeft mensen uit Frankrijk, Portugal, Irak, Duitsland, Schotland en de vs onder haar hoede, en in het lab wordt uitsluitend Engels gesproken. 'Ik zie geen duidelijk verschil tussen Nederlandse en buitenlandse onderzoekers', zegt Dzierzak. 'Nationaliteit speelt in ieder geval geen enkele rol bij de selectie, ik kijk alleen naar hun wetenschappelijke kwaliteiten.'

Ze heeft wel gemerkt dat Nederlandse wetenschappers de neiging hebben om lang in dezelfde omgeving te blijven werken. 'Voor mij is het vreemd om in het lab te blijven waar je ook bent opgeleid, je wilt toch iets nieuws en unieks doen. Nederlanders houden er ook erg van om met veel mensen samen te werken. Mijn ervaring is dat je ook heel veel zelf kunt doen, of met een klein aantal. Verder willen Nederlanders snel publiceren, ook al is het onderzoeksresultaat nog bescheiden. Ik wacht liever tot ik echt iets heb.'

Zowel bij onderzoekers als bij studenten geneeskunde is in Nederland het verlangen om hard te werken niet erg sterk ontwikkeld, vindt ze. 'Amerika is een immigrantenland, mensen zijn er gewend om hard te werken. Nederland is zelfgenoegzaam, de levensstandaard is zeer hoog. Daardoor wordt het streven naar uitmuntendheid gedempt.'

Vrouwenstudies

Nee, ze is geen Amerikaanse. Frances Gouda (1950) is een Nederlandse die bijna dertig jaar in de Verenigde Staten woonde. Gewoon Gouda dus, geen Koeda. Vier jaar geleden keerde ze met haar Amerikaanse echtgenoot terug naar Nederland. Sinds vorig jaar leidt Gouda het Belle van Zuylen Instituut, een onderzoeksinstituut van de Universiteit van Amsterdam. Ooit heette het vrouwenstudies, nu gender studies. Het instituut heeft een tijdelijk onderkomen gevonden in een oud bankgebouw aan de Herengracht en Gouda heeft een kamer aan de gracht. Haar onderzoeksterrein is de rol van mannelijkheid en vrouwelijkheid in postkoloniale samenlevingen, met name in Indonesië. Maar het onderzoek naar gender-thema's is aan de Nederlandse universiteiten niet meer zo populair. 'Ik ben een nieuwkomer in de Nederlandse academische wereld, en dat valt niet mee', zegt ze. 'Per discipline zijn het kleine wereldjes, waar je heel moeilijk binnenkomt. Alle historici kennen elkaar al twintig, dertig jaar. Als je later binnenkomt, blijf je een buitenstaander. In de vs functioneerde ik in verschillende netwerken. Hier heb je geen keuze, er is maar één gemeenschap.'

Ook de hoeveelheid bureaucratie is haar niet meegevallen. 'Ik vind het een vorm van verspilling om hoogleraren voor dat soort werk in te zetten. Waarom wordt dat niet uitbesteed? In de vs heb je professionele managers die subsidieaanvragen opstellen, en heb je research assistants die je helpen het onderwijs voor te bereiden. Ik moest laatst het jaarverslag schrijven voor het hele instituut, het zou veel beter zijn als iemand anders dat zou doen.'

Wat vindt Gouda van haar Nederlandse collega's? Werken ze hard genoeg? 'Ja, ik vind van wel. Veel Amerikanen zeggen dat Nederlandse academici niet hard werken, dat ze snel overspannen raken. Ik ben het daar niet mee eens. Ten eerste is er die driedubbele taak: onderwijs, onderzoek en management. Dan is er de sociale taak die heel zwaar weegt. In de vs ben je alleen in het weekend sociaal, hier maak je ook door de week 's avonds allerlei afspraken. En dan voelen ze zich verplicht om een goede vriend te zijn, en dat betekent dat er niet over werk mag worden gepraat.'

Hoge scores

Econoom Arjen van Witteloostuijn (1960) keert deze zomer terug naar Nederland. Met zijn vrouw en twee dochters verruilt hij de landelijkheid van Noord-Engeland voor die van Drenthe. Deze keer was het een Nederlandse instelling die een onweerstaanbaar aanbod deed: de Rijksuniversiteit Groningen. Hij kan zich daar de komende vijf jaar geheel wijden aan onderzoek en aan onderwijs. Aan bestuurlijke zaken hoeft hij geen tijd te besteden.

Het afgelopen jaar was hij verbonden aan de Durham Business School, onderdeel van de University of Durham. Na Oxford en Cambridge is het Engelands oudste universiteit, gevestigd in een pittoresk stadje net onder Newcastle. Van oude grandeur is weinig te merken op de werkplek van Van Witteloostuijn. De Business School is gehuisvest in onbestemde nieuwbouw aan de rand van de campus, te midden van keurig gemaaid gras.

'De Durham Business School haalt hoge scores als het gaat om onderwijs, maar nu willen ze zich toeleggen op onderzoek. Op een schaal van een tot vijf punten scoorde het onderzoek hier 3,5, en dat moest omhoog naar vijf. Om dat in korte tijd te bereiken, trokken ze twee jaar geleden mij en zes anderen aan. Er staat veel op het spel, want Labour is van plan om in de toekomst alleen nog opleidingen in de categorie vijf-plus te Þnancieren.'

Over de Nederlandse universiteiten is de econoom niet pessimistisch. 'Ze hebben een kans in de internationale strijd, want Nederlandse academici zijn zeer internationaal georiënteerd. Het Duitse stelsel is helemaal niet internationaal ingericht, en heel weinig ¦exibel. De Belgische universiteiten kunnen niet internationaliseren, want taal is te politiek beladen. Ons universitaire stelsel heeft een grote aantrekkingskracht op buitenlandse studenten. Nog wel, maar verschraling van de budgetten is een serieuze bedreiging. Bezuinigen kan tien jaar lang goed gaan, maar het gaat een keer mis. Het stelsel kan in elkaar zakken. Dat zie je nu hier in Engeland gebeuren. De erfenis van Thatcher is rampzalig, en Blair heeft tot nu toe weinig gerepareerd. Het onderwijs draait helemaal om concurrentie. Maar als je te commercieel wordt, houd je geen geld over voor fundamenteel onderzoek. Westerse landen hebben twee opties ten aanzien van hun openbare voorzieningen: low tax/low quality, zoals in Engeland, of high tax/high quality, zoals in Zweden. Nederland is bezig van high naar low te schuiven.´

Het geld

Een universiteit kost veel geld, want onderzoek en onderwijs zijn duur. Wie betaalt het? In Nederland zijn dat vooral de belastingbetalers en de studenten, die per jaar 1400 euro collegegeld moeten storten. Onderzoekers die geld voor onderzoek in de wacht willen slepen, moeten een aanvraag indienen bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (nwo), die jaarlijks 400 miljoen euro overheidssubsidies verdeelt. In de Verenigde Staten zijn ook van dergelijke organisaties, zoals de National Institutes of Health (nih), voor medisch en biologisch onderzoek. Verder draaien de universiteiten op de hoge collegegelden die ze vragen (tot wel 40.000 dollar per jaar voor een topuniversiteit), het eigen vermogen (Harvard heeft een eigen vermogen van ongeveer 18 miljard dollar) en op de giften van rijke particulieren en bedrijven.

Biologe Elaine Dzierzak is in Rotterdam aangewezen op de nwo-subsidies, maar als ze zo nu en dan niet ook een subsidie van de nih kreeg, zou ze het heel moeilijk hebben. 'De nih kijkt naar het wetenschappelijk belang voor de wereldgemeenschap, nwo kijkt naar het Nederlands belang. Een ander voordeel van de nih in vergelijking met nwo is dat ze vervolgsubsidies geven, je kunt iets opbouwen. Bij nwo is er geen continuïteit, elk jaar stellen ze weer andere prioriteiten.'

In de Verenigde Staten zijn het vaak particulieren en bedrijven die de universiteiten en onderzoeksprogramma's sponsoren. Kan het onderzoek dan nog wel onafhankelijk zijn? Die angst is ongegrond, zegt biochemicus Hidde Ploegh. 'De onafhankelijkheid van wetenschappelijk onderzoek is ook hier een groot goed. Donoren moeten aan allerlei voorwaarden voldoen die de onafhankelijkheid waarborgen.'

Ploegh voelt zich hier veel vrijer dan in Nederland. 'Hier mag je, als je de goedkeuring van de nih hebt, jarenlang besteden aan een bepaald onderzoek. Ik kan hier voor een onderzoek met promovendi en postdocs tussen de 150.000 en 300.000 dollar per jaar krijgen, als ik aantoon dat ik die nodig heb. En als een onderzoek langer duurt dan verwacht, krijg ik er zo nog een paar jaar bij. In Nederland moet bijna iedere promovendus apart geld aanvragen voor een project, al hebben ze met elkaar te maken. Dat maakt het onderzoek fragmentarisch.'

Voor jonge, veelbelovende onderzoekers is veel mogelijk, is ook de ervaring van biologe Titia de Lange: 'Ze hoeven niet onderaan de ladder te beginnen, maar krijgen, als ze dat willen, meteen een laboratorium. In Nederland is het veel moeizamer om als jonge wetenschapper aan het werk te komen.' Hidde Ploegh: 'In verhouding besteden de vs ongeveer twee keer zoveel geld aan wetenschappelijk onderzoek als Nederland en het budget van de nih is de laatste vijf jaar met 10 tot 15 procent toegenomen. Daar steekt het budget van Nederland voor hoger onderwijs schamel bij af. Welk Tweede-Kamerlid heeft het de

afgelopen tijd opgenomen voor de nwo?'

De lobby van de Nederlandse universiteiten is ook niet erg effectief. Ploegh heeft heel weinig waardering voor de Vereniging van Universiteiten in Nederland. 'De vsnu is de meest onbetrouwbare organisatie die ik ken. Zij

bestaat alleen maar uit doctorandi, beroepsbestuurders en andere koekenbakkers. De

organisatie mist de vakkennis voor speciÞeke terreinen, maar nog belangrijker is dat de universiteiten elkaar niet vertrouwen. Ze denken vooral: als de anderen maar niet meer geld krijgen dan ik.

'Wat ik ook heel beklemmend vind, is de plicht voor aankomende Nederlandse wetenschappers om minimaal twee keer per jaar te publiceren in een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift. Ik vind dat een zieke uitwas van het systeem. Verplicht onderzoekers veel te publiceren en ze zullen met weinig vernieuwende onderzoekjes komen. De schrijver van één van de meest revolutionaire proefschriften in mijn vakgebied, Pamela Bjorkman, had niet één publicatie geschreven voordat zij promoveerde. In de Verenigde Staten draait het om je geloofwaardigheid. Als je na jaren met een prachtig onderzoek naar buiten komt, is de kans groot dat je opnieuw geld krijgt voor nieuwe projecten.'

Fondsenwerving

De Universiteit van Chicago waar hettitoloog Theo van den Hout werkt, is een privé-universiteit, een van de beste van de vs. Zo'n universiteit moet het hebben van het collegegeld van studenten, van giften en van haar gigantische vermogen. Elke tien jaar zet de universiteit een fundraising-campagne op, die vijf jaar duurt. 'Vorig jaar april zijn ze weer gestart. Het doel is 2 miljard dollar ophalen bij alumni en bedrijven. Ze zitten nu al tegen het miljard aan, dus kennelijk is dat reëel. Het Oriental Institute heeft een fulltime Director of Development, wiens enige taak het is geld te werven. Die is voortdurend aan het netwerken.'

Maar ook een universiteit die uit publieke middelen wordt betaald, kan royaal zijn. In Zürich heeft chemicus Wilfred van Gunsteren weinig woorden nodig om het Þnanciële beleid van de eth uiteen te zetten: 'Het adagium was altijd: je trekt goede mensen aan en geeft ze genoeg geld om ze te laten doen wat ze willen doen. En dat moet je lang volhouden. Dan krijg je een topuniversiteit. In Nederland worden de universiteiten geÞnancierd op basis van het aantal studenten dat er studeert. Iets zotters is niet te bedenken.

'Ik heb al jaren ongeveer hetzelfde budget, maar ieder jaar komt er iets bij. Ik mag zelf weten wat ik ermee doe. Ik mag overhouden en doorschuiven naar het volgende jaar. Ik mag mensen veel laten reizen, of veel computers laten kopen, of een secretaresse aanstellen.'

In het Verenigd Koninkrijk wordt het overheidsgeld minder ruimhartig ter beschikking gesteld. De verdeling van onderzoeksgelden is gekoppeld aan de uitslagen van intensieve evaluatieprocedures. Een universiteit die hoog scoort op de intellectuele prestatieladder, krijgt meer geld dan de zwakkere broeders. Socioloog Dick Pels: 'Je werkt in Engeland met de rae, de Research Assessment Exercises. Het is een puntensysteem dat loopt van 1 naar 5, toegekend door een commissie. Daarboven is nog de categorie 5-plus. Al het universitair onderzoek wordt in dat systeem ondergebracht. Vorig jaar werd de sociologie-afdeling van Brunel bevorderd van een 4 naar een 5. Qua geld schoten we er trouwens niet zo veel mee op, want de regering had inmiddels besloten alleen de categorie 5-plus wat extra's te geven.

'Het geld dat je in de wacht sleept is heel belangrijk, ook voor je andere werkzaamheden. Mijn collega's vermeldden in hun cv altijd trots de grants die ze hadden gekregen, vaak nog vóór hun lijst met publicaties. Mijn Head of Department kreeg zelfs het idee om de geldwaarde van de aangevraagde subsidies toe te voegen aan het puntensysteem. Een geslaagde aanvraag boven de 300.000 pond is in het

puntensysteem evenveel waard als een zelf

geschreven boek. Je kreeg zelfs punten voor een niet-gehonoreerde aanvraag.

'Je krijgt dan een soort academisch kapitalisme. De concurrentie gaat dan niet meer om intellectueel prestige, maar om geld en personeel. Dat is niet goed. Reputaties moeten natuurlijk niet gebaseerd zijn op de vraag hoeveel geld je binnenhaalt en hoeveel mensen je kunt managen.'

Nederlandse studenten

Hoe komen de Nederlandse studenten er in deze internationale vergelijking af? Klopt het stereotiepe beeld van jonge mensen die een druk sociaal leven hebben, een baan, goed kunnen praten en in een verloren uurtje wel eens een studieboek inkijken? Laten we het zo formuleren: dat beeld wordt door de hoogleraren niet krachtig bestreden.

Ontwikkelingspsycholoog Paul van Geert (1950) is Belg van geboorte. In 1976 kwam hij als jong universitair docent naar Groningen. Hij geeft nog regelmatig colleges in Gent en doet ook zo nu en dan Harvard en Berkeley aan. Hij zit nu achter het oude bureau van

Gerard Heymans, de grand old man van de Groningse psychologie. Overal papier en boeken. Hij heeft een genuanceerd oordeel over de

Nederlandse studenten. 'De grote klacht is natuurlijk dat ze te weinig tijd aan hun studie besteden. Maar ik vind wel dat ze geïnteresseerd genoeg zijn.'

Hoe valt de vergelijking met Vlaamse studenten uit? 'De prototypische Vlaamse student is ijverig. En dat zijn ze ook, dat neem ik waar, en ik hoor het ook van mijn Vlaamse collega, Leni Verhofstadt in Gent. Heel typerend is dat het handboek dat Verhofstadt, ik en een ander samen hebben geschreven in Gent gewoon gebruikt wordt, maar dat het hier in Groningen van de lijst is afgevoerd, omdat de studenten het te moeilijk vonden. Hier moet het boek begrijpelijk zijn, in Vlaanderen denkt de student: ik moet het begrijpen.'

Van Geert heeft nog een tekenend voorbeeld. 'In het tweede jaar moeten de studenten op basis van de stof een praktisch probleem aanpakken, bijvoorbeeld een treinkaartjesautomaat analyseren vanuit gerontologisch perspectief. En ieder jaar zie je studenten die er zich van afmaken. Die drie avonden in een cafetaria gaan zitten en wat in elkaar draaien. Daar lever ik dan veel kritiek op en elk jaar zijn er dan weer studenten die heel ontdaan reageren, die vinden dat ik ook de positieve kanten had moeten benadrukken. Dan hebben ze een zogenaamd creatief ideetje in de presentatie en dat moet ik dan prachtig vinden! In Vlaanderen zouden ze het zich niet durven permitteren.'

Ook chemicus Wilfred van Gunsteren heeft die consumentistische houding waargenomen. 'In Nederland zijn de universiteiten opengegooid en je mag hier eigenlijk niet zakken voor een examen. De school is slecht als weinig leerlingen er voor het examen slagen. Niet andersom.'

In Zürich gaat dat anders, vertelt hij. 'De biologiestudenten die ik informatica-onderwijs geef, waren dit jaar opeens slecht. De helft zakte voor het vak. Een collega zei: waarom zijn jouw cijfers zo slecht, moet je ze niet hogere cijfers geven? We willen toch zo graag meer exacte studenten? Ik zei dat ik had gemerkt dat ze te weinig hadden gedaan. Op de vragenuren waren heel weinig studenten gekomen en ze kozen steeds voor de gemakkelijkste oefenstof. Ik heb de cijfers dus niet aangepast. Dat was terecht, want bij de herkansing is meer dan de helft alsnog prima geslaagd. Gemiddeld ging het cijfer twee punten omhoog. De studenten die ik het heb gevraagd, zeiden: 'We hebben het onderschat'. Het komt allemaal doordat elk studiejaar wordt gedomineerd door de mensen die cool zijn. Als die hun werk doen, dan trekken ze de anderen mee. Als het mensen zijn die denken dat je weinig hoeft te doen, dan heb je veel slachtoffers. Daar is weinig aan te doen.

'Maar stel nou dat je wordt geÞnancierd op het aantal studenten, dan houd je in zo'n situatie je poot niet stijf. Dat kan de kwaliteit dus nooit ten goede komen. De tol betaal je natuurlijk later, want het is vreselijk om in de hogere studiejaren mensen te hebben die het eigenlijk niet aankunnen. Je moet het eerste jaar rücksichtslos gebruiken om te selecteren.'

Slaafse Fransen

Willem Frijhoff (1942), een van Nederlands vooraanstaande historici, is hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en decaan van de letterenfaculteit. Hij is opgeleid in Frankrijk en is kind aan huis aan de Sorbonne. Hij schrijft veel over mentaliteitsgeschiedenis in de 16de tot en met de 18de eeuw. Hoog in de vu-¦at Þlosofeert hij over de Nederlandse studenten. Over hun niveau is hij 'niet wanhopig'.

'Nederlandse studenten zijn net zo goed als Franse. De Franse zijn iets slaafser. Ik geef vaak colleges in Frankrijk, op uitnodiging van collega's, vooral in Parijs en vaak over de Nederlandse Gouden Eeuw, met veel plaatjes. Maar de enigen die dan vragen stellen, zijn de docenten. En alle studenten gaan onmiddellijk weg na a¦oop. Dat is kennelijk normaal.'

Er zijn wel verschillen tussen de Nederlandse en de Franse studenten, zegt Frijhoff. De beste Franse studenten krijgen meer kansen zich te ontwikkelen. Om te beginnen zijn er de grote beroemde middelbare scholen als Louis le Grand en Henry IV, met hun kopklassen die voorbereiden op de Grandes Écoles waar de Franse bestuurlijke elite wordt opgeleid. Op die middelbare scholen heb je zeer hoogstaande docenten die ook nog eens aanzienlijk minder uren les hoeven te geven dan hier. Een Nederlandse leraar kan zich helemaal niet verder ontwikkelen, met al die lesuren die hij moet voorbereiden en geven. In Frankrijk zijn veel van de leraren agrégé, die hebben een zwaar vergelijkend examen gedaan. Die weten heel veel. Daarna gaan ze meestal promoveren. Dat hebben we hier helemaal niet. Daar hebben leraren hier helemaal geen tijd voor.'

Wat vindt biologe Titia de Lange van het verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse studenten? 'Als ik de studenten en postdocs hier vergelijk met die uit mijn studententijd in Amsterdam, zie ik maar weinig verschillen. Maar het onderscheid is groter geworden, is mijn indruk. Ik moet daarbij wel zeggen dat ik alleen maar indirect kan vergelijken, want de paar Nederlanders die hier op het laboratorium van Rockefeller University terechtkomen, zijn uitmuntend. Mijn indruk is dat de studenten hier meer uren werken dan in Nederland. De belangrijkste omschrijving van een Amerikaanse student is: harde werker. Dat zit helemaal in de cultuur hier. Zakenmensen, advocaten, iedereen werkt hier van zeven tot zeven, de studenten dus ook.'

Ook Hidde Ploegh merkt die verschillen: 'Nederlandse studenten zien hun studie als een verworven recht, Amerikanen voelen dat helemaal niet zo. De druk om te presteren is hier dan ook veel groter. Topuniversiteiten vragen een enorm bedrag aan collegegeld. Het systeem is hier: voor kwaliteit betaal je. Dus hebben de duurste universiteiten ook de beste hoogleraren en zijn de studenten actiever

tijdens de colleges, ze stellen meer vragen en komen altijd opdagen. Ik zie hier veel meer druk om te presteren. En daardoor worden de colleges ook beter, want de studenten vragen het maximale van de docent.'

Leidt dat verschil in collegegeld en kwaliteit niet tot een tweedeling in kansen tussen arme en rijke studenten? Ploegh: 'De studenten op Harvard zijn geen doorsnee van de samenleving, maar de tweedeling is niet groter dan in Nederland. Er wordt veel geselecteerd, maar vooral op kwaliteit. Er is een uitgebreide toelatingstest voordat ze hier naar binnen mogen, en dat wordt op veel meer universiteiten gedaan. Ik zie in de collegebanken studenten uit alle geledingen van de samenleving. Voor armere studenten zijn er allerlei voorzieningen. Ze kunnen een renteloos voorschot krijgen of een baan op de universiteit om bij te verdienen. Van de tien promovendi die ik dit jaar heb, komen er vier uit een etnische minderheid. En één van mijn beste studenten, een Koreaans meisje, komt uit een gezin van migranten die een pompstation in Texas hebben. Die ouders hebben er keihard voor geknokt om haar op Harvard te krijgen.'

Vuur in de ogen

Heeft fysicus Robbert Dijkgraaf de Nederlandse studenten zien veranderen? 'Ja, en ik moet helaas zeggen dat ik hier in Nederland steeds minder gedreven studenten heb, ze worden steeds gemakkelijker. In het buitenland zie ik bij studenten nog het vuur in de ogen dat ik hier zo node mis. Ja, het is waar, Nederlandse studenten zijn wereldwijs, maar in mijn vak heb je juist een grote dosis naïviteit nodig. Een Nederlandse student weet misschien hoe de wereld in elkaar steekt, maar hij mist de wil om dóór te gaan, door zijn grenzen heen te breken. De studenten stralen iets uit van: ik heb het allemaal al gezien. Ze willen meteen naar de grote vraagstukken. Dat vind ik pro vinciaals. Ze vinden dat ze wel weten hoe het in elkaar steekt, maar in de natuurwetenschappen word je juist met zóveel ónwetendheid geconfronteerd, er is zoveel wat wij nu juist níét weten! Maar dat past niet bij hun coole houding.'

Econoom Arjen van Witteloostuijn heeft soortgelijke ervaringen in Engeland: 'De studenten zijn hier docieler dan ik in Nederland gewend ben. In Nederland denken veel studenten dat ze zich overal uit kunnen lullen, en dat wordt dan niet gesteund door enige inhoud. Ze krijgen ook meer kansen, er zijn bijvoorbeeld veel te veel hertentamens. Hier zijn er minder, je moet meer je best doen.'

Hettitoloog Theo van den Hout: 'In Nederland hebben ze vaak smoezen klaar, ik heb mijn werk niet kunnen maken en zo. Dat gebeurt in Amerika nooit. Nederlandse studenten zijn wel net zo geïnteresseerd, maar ze werken minder hard, je kunt minder hoge eisen stellen.'

Aan de andere kant, zegt Van den Hout, is de kennis van vreemde talen in Amerika minder dan hier. 'In Amsterdam waren Franse en Duitse boeken of artikelen voor de studenten geen probleem. In Chicago is dat veel lastiger. Graduates moeten wel een Duitse en Franse test doen, maar dat is puur passief en het niveau is vrij laag. Mijn vak is zeer Duits, en in iets mindere mate Italiaans gericht. Dat is voor de Amerikanen een probleem.'

Genderwetenschapper Frances Gouda: 'Studenten worden hier heel anders opgeleid dan in de vs. Daar lezen ze de klassieken, hier niet. Weliswaar gaat het dan om Ranke en Rousseau in het Engels, maar ze lezen tenminste de bron. Wat ik bij de Nederlandse studenten mis is openheid, onbevangenheid. Ze volgen trends en beperken zichzelf door allemaal achter hetzelfde aan te lopen. Laatst wilde ik met een paar aio's discussiëren over Bourdieu. Dat weigerden ze, want ze hadden al besloten dat hij hun niets te melden had. Ze maken een keuze voor een bepaald theoretisch model, en wijken daar niet meer van af. Dat is geen gezonde academische houding.'

Dyslectische studenten

Hoe is het niveau van de studenten in Engeland? Socioloog Dick Pels: 'Op Brunel, de universiteit waar ik zat, is het niveau lager dan in Nederland. Het spellen is bijvoorbeeld rampzalig. Heel veel studenten waren zogenaamd dyslectisch. Op ¦ink wat werkstukken die ik ter correctie kreeg zat al een gele sticker met een grote d. Dat betekent dat je daar bij de beoordeling rekening mee moet houden. De studenten lazen heel weinig, maar spreken en presenteren konden ze als de beste. De openbare spreekcultuur is in Engeland goed ontwikkeld. De studenten waren ook heel bedreven in beeldcultuur, in plaatjes. Daar ben ik ook mee gaan werken, dat sloeg beter aan. In intellectualisme zijn ze niet geïnteresseerd.'

Biologe Elaine Dzierzak: 'In Nederland wordt niet geaccepteerd dat sommige mensen in bepaalde dingen beter zijn dan andere mensen. Het hele systeem is zodanig ingericht dat mensen deel kunnen uitmaken van de groep. Dat er hier bij bepaalde studierichtingen wordt geloot wie er mag gaan studeren vind ik belachelijk, de selectie van studenten moet helemaal gebaseerd zijn op kennis en kwaliteit. Mijn dochter van negen weet niet waar ze qua prestaties staat ten opzichte van haar klasgenoten. In de vs weet je altijd waar je staat. Dat vechten om de beste te zijn kennen jullie niet, het is geen toeval dat jullie voetbalteams het verpesten in de Þnale.'

Dzierzak ziet ook wel voordelen van het gebrek aan competitie: 'In de vs is de kans op een burn-out veel groter, mensen staan onder grote druk om door te gaan met presteren. Hier is veel meer sociale consideratie. Maar in het onderwijs heeft het zijn nadelen. In de vs is een tentamen een belangrijke mijlpaal in je studie, dat neem je serieus. Hier telt het veel minder zwaar: als je het niet haalt, doe je het gewoon een keer over, en als het dan nog niet lukt, nog eens. Het is veel vrijblijvender.'

Wat te doen?

Te weinig geld, te weinig intellectuele uitdaging, hoogleraren die door hun managementtaken niet aan hun onderzoek toekomen en studenten die te gemakkelijk over hun studie denken. Is er nog hoop voor Nederland? Hebben we de aansluiting met de internationale top verloren? Of is dat helemaal niet erg, en kun je de kennis ook uit een ander land halen?

Nee, vindt chemicus Wilfred Van Gunsteren. Hij maakt zich grote zorgen over de leegloop van de bètastudies in Nederland. 'Ik vind dat vreselijk. Mijn klassieke voorbeeld is dat het nog een keer zover komt dat iemand twee gaatjes in de muur boort op anderhalve centimeter van elkaar, er een stekker in stopt en denkt dat er elektriciteit uitkomt. Het zicht op wat er achter zit gaat verloren. Je moet met het onderwijs die kennisbasis op peil houden.'

'Onderwijs produceert kennis, het enige zinnige product dat Nederland heeft', zegt psycholoog Paul van Geert. 'Het is schandelijk dat de overheid zo'n korte-termijnbeleid voert. Er zou een deltaplan moeten komen met veel investeringen, dat zou economisch ook nuttig zijn! Wat is het doel van dat beperkte Þnanciële beleid? Het is ongelofelijk kortzichtig. Je zou Nederland helemaal vol kunnen proppen met glasvezels en hoogstaande onderwijsinstituten. De omstandigheden zijn ideaal! Maar er gebeurt niks. Het is onbegrijpelijk.'

Biochemicus Hidde Ploegh maakt een kanttekening: 'Toch valt het me wel op dat Nederland, ondanks de mindere wetenschappelijke infrastructuur, internationaal gezien nog altijd behoorlijk presteert. Procentsgewijs hebben wetenschappers die in Nederland werken, nog altijd veel gezaghebbende publicaties op hun naam staan. Vergelijk dat eens met bijvoorbeeld Frankrijk, die halen dat niveau bij lange na niet. Maar ik ben somber over het bèta-onderwijs. De overheid zou daar hard moeten ingrijpen, want de belangstelling voor harde bètastudies neemt over het algemeen af. Waarom krijgen leraren scheikunde niet een radicale salarisverhoging?'

Historicus Willem Frijhoff pleit voor meer ruimte voor docenten op de middelbare school om zich te ontwikkelen. En voor de universiteiten: 'Laat ons nu eindelijk eens met rust! Met de nieuwe bachelor-master structuur moeten alle opleidingen weer anders. Dat is niet goed. Wij zijn hier op de Letterenfaculteit van 15 naar 33 opleidingen gegaan! Dat is niet bepaald overzichtelijk.

'Het onderwijs moet meer geld hebben. Het is enorm uitgekleed. Voor een uur college staat nu nog maar drie uur voorbereiding. Voor het begeleiden van een scriptie mag je 30 uur uittrekken als docent. Als je dat goed wil doen, is dat veel te weinig. Voor ontwikkeling van nieuwe onderwijsvormen is totaal geen geld of tijd. Er zijn geen investeringen, alles is pappen en nathouden. De vraag moet niet zijn: hoeveel geld kost het? maar: wat is goed onderwijs? Maar zo gaat het niet.'

Concurrentie en mobiliteit

Vindt Dick Pels dat Nederland iets kan leren van het Verenigd Koninkrijk? 'Ja, absoluut. Die concurrentie op reputatie is heel goed, dat zou er in Nederland ook meer moeten komen. De mobiliteit vind ik cruciaal. Ik ben dus voor differentiatie van de universiteiten en het afschaffen van de vaste aanstellingen. Selectie aan de poort daar ben ik ook voor.'

Maar het Nederlandse model heeft ook zijn verdiensten, vindt Pels. 'Het zijn tegenpolen: de onthaasting en de bescherming die je hier hebt daar is natuurlijk ook veel voor te zeggen. De kunst is die reputatieconcurrentie te bevorderen, zonder dat je vervalt in de uitwassen daarvan: de verschrikkelijke druk van het academisch kapitalisme. In Engeland kun je alleen meekomen, als je bereid bent een celibatair bestaan te leiden, of als je zover van je werk woont dat je gedwongen wordt door de week zo te leven.'

Ook Elaine Dzierzak gelooft in de stimulans die van competitie uitgaat: 'Ik denk dat de mentaliteit in het Nederlandse onderwijs moderner moet worden, meer gericht op competitie. Niet zoveel als in de vs, want daar begint het contraproductief te worden. Daar is de competitie te veel gericht op de korte termijn. Maar een beetje meer competitiegeest in Nederland zou goed zijn.'

Robbert Dijkgraaf gaat verder: 'Er moet een volledige omslag in scholing, in opleidingen komen. Het ontwikkelen van talent moet voorop staan: differentiatie is een absolute voorwaarde. Talent moet ontwikkeld worden middels een systeem van beurzen. Onze studenten werken allemaal naast hun studie. Dat is idioot, dit zijn de gouden jaren waarin ze zich moeten ontwikkelen! Er moet een cultuuromslag komen waarin talent centraal komt te staan. Weg met de gezelligheid!'

Heeft Dijkgraaf zelf een voorbeeld gehad op de Nederlandse universiteit? 'Nee, eigenlijk niet. Dat kwam pas in Harvard. We hadden wel een rebellenclubje van promovendi, daar heb ik ervaren hoe stimulerend het kan zijn om kwaliteit om je heen te hebben. 'Aangeraakt' ben ik pas in Amerika. Ik nam de taxi naar Harvard, belandde op een seminar en werd in de discussie meteen om mijn mening gevraagd. Ik begreep er niks van, ik maakte direct onderdeel van de groep uit. Senior Amerikaanse collega's vroegen serieus om je advies. Ook trof me de positieve instelling die ze hebben, dat is typisch Amerikaans. Wij zijn altijd zo negatief. Ik zat in een heel exceptionele eindexamenklas gymnasium, bijna iedereen was heel goed. Ik had bijna uitsluitend tienen, maar niemand die er wat van zei. Er was geen beloning. Waarom zou je er dan ook wat voor doen, wat maakt het uit? Natuurlijk moet het hier geen Amerikaanse ratrace worden, maar er moet iemand zijn die je blueprint activeert, die je dna herkent.'

Mark Duursma, Wim Köhler, Warna Oosterbaan, Hendrik Spiering, Laura Starink en Guus Valk zijn redacteuren van NRC Handelsblad.

Tom Schamp is freelance illustrator.

Voor reacties op dit artikel: www.nrc.nl/wordtNederlanddommer

[streamers]

'In Nederland bestaat een cultuur van doe maar zo min mogelijk, leid een aardig leven. Een cultuur van conformisme.'

'Bezuinigen kan tien jaar lang goed gaan, maar het gaat een keer mis. Het stelsel kan in elkaar zakken.'

'Wat ik ook heel beklemmend vind, is de plicht om minimaal twee keer per jaar te publiceren. Ik vind dat een zieke uitwas van het systeem.'

'Nederlandse studenten stralen iets uit van: Ik heb het allemaal al gezien. Dat vind ik provinciaals.'