Waterschappen

Onder de titel `Laat het regenen' lijkt het hoofdredactioneel commentaar van 16 augustus, stelling te nemen tegen vergoeding van natuurschade als gevolg van de inlaat van verzilt water door de waterschappen.

De schrijver van het hoofdartikel vindt het maar merkwaardig dat Staatsbosbeheer een rekening gaat opmaken, omdat dat een claim van `de belastingbetaler' op `de belastingbetaler' (casu quo, van de ene overheid op de andere) zou betekenen. Verder trekt in twijfel of natuurschade in geld is uit te drukken, daarbij het sterven van de glazenmakerlibel als voorbeeld nemend. Op beide argumenten tegen schadevergoeding is mijns inziens veel af te dingen.

Waarom zouden (semi)overheidsinstanties, als ze verschillende belangen behartigen, elkaar niet verantwoordelijk kunnen houden? Zelfs binnen bedrijven vinden interne verrekeningen plaats als een efficiënte wijze kosten goed te verdelen. Waarom niet binnen de overheid? Ook de landbouw heeft schade en de WLTO neemt mijns inziens terecht het zelfde standpunt in als Staatsbosbeheer.

Waar beide rekeningen naartoe moeten is, lijkt me, duidelijk. Minister Veerman heeft zich al niet-ontvankelijk verklaard voor claims als gevolg van droogteschade, en dat is m.i. zijn `politiek' recht. Deze rekening (voor de zoutwaterschade) moet ook niet naar de centrale overheid (`de belastingbetaler'), maar naar de waterschappen, die belangen afwegend zout water hebben ingelaten.

Op hun beurt kunnen de waterschappen de kosten verhalen op hun `belastingbetalers', in dit geval op de categorieën `gebouwd' en `ingezetenen', zoals dat heet in die kringen, daarbij de categorie `ongebouwd' (land) buiten schot latend.

Op die manier legt men de kosten van de droogte waar die horen, namelijk bij de bezitters/bewoners van huizen en gebouwen, die door de actie van de waterschappen nu minder schade hebben en laat men voor die schade niet de natuur en de landbouw opdraaien.

Het bepalen van de hoogte van de rekening zal inderdaad moeilijk zijn. Er zijn echter wel technieken voorhanden om natuurschade te meten (inderdaad niet via het kwantificeren van het lijden van de glazenmakerlibel). Het schatten van de kosten van het herstel voorzover al mogelijk van de schade aan de natuur is er daar 1 van. Minder moeilijk lijkt me het bepalen van het verlies aan landbouwopbrengsten als gevolg van verzilting.

In dit geval lijkt er voor beide moeizame schattingen een alternatief voorhanden.