Schrijvende kwakers

De herfst in New England is spectaculair. Net als de literatuur, stelt Pieter Steinz in deel 37 van een serie over lezen op locatie.

Geen gebied in Amerika heeft zoveel goede schrijvers voortgebracht als New England, de zes staten in het noordoosten waar zich in de zeventiende eeuw de Britten vestigden. Misschien lag het aan de geletterde instelling van de Puriteinen, met hun voorliefde voor het lezen in de Bijbel en het schrijven van preken en autobiografieën, misschien aan de vroege stichting van een universiteit (Harvard, 1636); maar in en om de stad Boston ontwikkelde zich al snel een literaire cultuur. Die was aanvankelijk gericht op het moederland, Groot-Brittannië, maar nadat de filosoof Ralph Waldo Emerson in zijn essay `The American Scholar' (1837) had opgeroepen tot intellectuele onafhankelijkheid, stortten tientallen schrijvers zich op het verleden en heden van het eigen continent, dat eigenlijk alleen nog was beschreven door de vader van de western, James Fenimore Cooper (1789-1851).

`Frogpondium' werd de kust van Massachusetts genoemd door Edgar Allan Poe. De in Boston geboren zuiderling, die zijn verhalen bij voorkeur niet in New England situeerde, vond kennelijk dat er opvallend veel literaire kikkers aan de waterkant zaten. De briljantst kwakenden onder hen waren Nathaniel Hawthorne, beroemd om zijn sp(r)ookachtige Twice-Told Tales (1837) of anders de ijzingwekkende roman The Scarlet Letter, en zijn bewonderaar Herman Melville, die met Moby-Dick onder veel meer een allegorie op de Amerikaanse volksaard schreef. Maar negentiende-eeuws Massachusetts herbergde ook grote dichters (Emily Dickinson, Henry Wadsworth Longfellow) en non-fictieschrijvers, zoals de natuurfreak Henry David Thoreau en de feministe Margaret Fuller. Thoreaus literaire kampeerverslag Walden, or Life in the Woods (1852) is zelfs het ideale leesvoer voor iedereen die in de omgeving van Concord naar de beroemde herfstkleuren gaat kijken.

In de twintigste eeuw hebben vele schrijvers de fakkel van Hawthorne en Melville overgenomen. John Irving bijvoorbeeld, die bijna alle staten van New England in zijn romans liet voorkomen en die zichzelf trots presenteert als een neo-Puritein voor wie de strijd tussen goed en kwaad het belangrijkste thema is. Stephen King, die zijn alledaagse-horrorverhalen vooral situeerde in zijn geboortestaat Maine. En John Cheever, die in de benauwenis van de buitenwijken een equivalent vond voor de puriteinse tirannie en hypocrisie in The Scarlet Letter. In zijn voetspoor zou het verstikkende leven in suburbia bovendien het belangrijkste thema worden in het werk van John Updike en Richard Ford, twee schrijvers die zich – net als ooit Washington Irving en James Fenimore Cooper – ophouden aan de grenzen van New England.

Volgende week: de Poolcirkel.

Reacties: steinz@nrc.nl