School en ziekenhuis dicht zonder vrouwen

Vrouwen zijn in sommige sectoren, zoals zorg en onderwijs, al langere tijd onmisbaar. Daarnaast rukken ze op in `hardere' branches als de financiële sector.

Als alle werkende vrouwen in Nederland vanaf morgen gaan staken, zal daar in de bouw of de transportsector weinig van te merken zijn. Bij de banken, de verzekeraars en de overheid wordt het al behoorlijk lastig om de zaken door te laten draaien, terwijl de horecabazen in één klap de helft van al hun werknemers kwijt zijn. En dan moeten ze nog het geluk hebben dat hun mannelijke werknemers niet naar het ziekenhuis hoeven, want daar zullen ze zeker niet geholpen kunnen worden. Van alle banen in de gezondheidszorg wordt 80 procent vervuld door vrouwen – oplopend tot bijna 100 procent bij het uitvoerend personeel.

Vrouwen zijn de afgelopen twintig jaar een onmisbaar deel van de beroepsbevolking geworden. Begin jaren '80 verrichtte slechts één op de drie vrouwen ten minste twaalf uur per week betaalde arbeid; vorig jaar was dat opgelopen tot gemiddeld 55 procent. Anders dan bij mannen verschilt de arbeidsparticipatie van vrouwen sterk per leeftijdscategorie. Van de groep vrouwen tussen de 25 en 34 jaar had vorig jaar driekwart een (betaalde) baan, van de vrouwen boven de 55 jaar was dat nog maar zo'n 20 procent, maar dat is wel bijna een verdubbeling ten opzichte van tien jaar daarvoor.

Dat meer vrouwen blijven werken, is geen verrassing meer. Uit de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt al jaren dat vrouwen oprukken op de arbeidsmarkt, dat de geboorte van kinderen steeds minder vaak een reden is om te stoppen met werken en dat werkende vrouwen een toenemend deel van het gezinsinkomen inbrengen. Op dit moment zorgen vrouwen in tweeverdienershuishoudens gemiddeld voor een derde van de inkomsten. Ook daar zijn de verschillen tussen generaties groot: in de groep tot 35 jaar is er vooral onder hoger opgeleiden nauwelijks verschil in inkomensniveau. ,,Bij hen is het ook vaker de vrouw die het meest verdient'', schrijft het CBS in de meest recente inkomensvergelijking die betrekking heeft op de periode 1995-2000.

En waar zijn al die werkende vrouwen terechtgekomen? Is het nog steeds zo dat vrouwen voornamelijk terechtkomen in de `softere' beroepen, zoals zorg en onderwijs? Ja en nee. De gezondheids- en welzijnssector (ziekenhuizen, verpleeghuizen, thuiszorg) was altijd al koploper wat betreft vrouwelijke werknemers en die ontwikkeling is niet veranderd. Opvallend is wel, zo blijkt uit gebundelde regionale arbeidsmarktcijfers, dat het aantal banen dat in deze sector door vrouwen wordt vervuld de afgelopen zeven jaar zelfs nog is gestegen, van 77,75 tot 79,64 procent. In totaal werken er nu bijna 800.000 vrouwen in de zorg- en welzijnsector, tegen zo'n 613.000 in 1996. Daarbij spelen twee ontwikkelingen een rol: zorginstellingen hebben de laatste jaren meer verplegend personeel aangenomen om de wachtlijsten te verkorten én er komen steeds meer vrouwelijke artsen.

Het politieke besluit om in het onderwijs extra geld beschikbaar te stellen voor onder andere klassenverkleining, heeft ook in die sector tot een toename van vrouwen geleid – van heel veel vrouwen. Tussen 1996 en 2002 zijn er op alle scholen samen bijna 65.000 banen bijgekomen. Daarvan zijn er iets meer dan 54.000 naar vrouwen gegaan en bijna 11.000 naar mannen. In 1998 telden alle scholen gezamenlijk voor het eerst meer vrouwelijke dan mannelijke leerkrachten en in de jaren erna is die voorsprong van vrouwen alleen maar groter geworden. Deze ontwikkeling leidt inmiddels tot felle discussies over de al dan niet doorgeschoten feminisering van het onderwijs. Veel vrouwen voor de klas zou voor jongens nadelig zijn, omdat ze geen mannelijke rolmodellen meer hebben en omdat vooral `vrouwelijke' eigenschappen als stil kunnen zitten en netjes werken waardering zouden krijgen.

Hoewel vrouwen alleen in de zorg en het onderwijs de meerderheid van het aantal banen vervullen, rukken ze ook in andere sectoren sterk op. Bijvoorbeeld in de financiële dienstverlening, waar het aantal banen voor vrouwen van 1996 tot en met 2002 met 26 procent steeg tot bijna 124.000. Dat is een procentje meer groei dan bij hun mannelijke collega's. Dat is opvallend, omdat alle banken sterk hebben gesneden in hun binnenlandse kantorennetwerk, waar de balie- en administratieve functies overwegend door vrouwen werden vervuld. Die daling is meer dan goedgemaakt door een groei van het aantal vrouwen op hogere niveaus. Zowel mannen als vrouwen in de financiële sector ondervinden inmiddels wel de gevolgen van de economische neergang. Het aantal `mannenbanen' daalde van 168.690 in 2001 tot 166.540 in 2002; het aantal `vrouwenbanen' nam in diezelfde periode met 2.817 af tot 123.849.

Ook de overheid heeft de laatste jaren een sterkere aantrekkingskracht uitgeoefend op vrouwen dan op mannen. Het aantal door vrouwen vervulde banen steeg tussen 1996 en 2002 met 29 procent, tegen een magere 6 procent groei bij hun mannelijke collega's. Een van de belangrijkste redenen daarvoor is dat de meeste mannen de afgelopen jaren een duidelijke voorkeur hadden voor een baan in het bedrijfsleven, omdat de salarissen daar hoger lagen en omdat de overheid geen bonussen of winstdelingsregelingen kent. Voor vrouwen bleef de overheid in die periode juist wel een aantrekkelijke werkgever, omdat het daar meestal gemakkelijker is om een baan in drie of vier dagen te doen – ook in leidinggevende functies – en omdat er betere regelingen zijn op het gebied van zorgverlof. Nu het economisch minder gaat, trekt ook het aantal banen dat door mannen wordt vervuld wel duidelijk weer aan, zo blijkt uit de regionale arbeidsmarktcijfers.

VROUWEN