Schilder Witsen voelde zich vaak gekooid

Kunstenaar Willem Witsen (1860- 1923) was tot nu toe even bekend om zijn vrienden uit de Beweging van Tachtig – Kloos, Van Deyssel, Van Eeden – als om zijn stadsgezichten, waar steevast de etiketten `mistig' en `verstild' op werden geplakt. Wie Witsen zei, dacht aan de Tachtigers. Maar wie was hij zelf?

In het Gemeentearchief Amsterdam zijn voor de tentoonstelling Witsen en Amsterdam 150 schilderijen, tekeningen, etsen, foto's en egodocumenten van de man bijeengebracht, in een plechtige en ruimtelijke opstelling. Het meeste komt uit het bezit van het Rijksprentenkabinet, maar er zijn ook tientallen nooit eerder geëxposeerde werken uit pivébezit te zien. Tot enkele dagen voor de opening meldden zich nog mensen om hun Witsen `aan te geven'. In Dordrecht vindt de tentoonstelling Stemmingen plaats, met schilderijen, aquarellen en etsen. En er verschijnen maar liefst vier boeken: een monografie, twee gidsen met stadswandelingen en, in het najaar, een boek van Jessica Voeten over de geschiedenis van het Witsenhuis. Wie wil, kan een week lang enkel Witsen tot zich nemen. Het is prachtig dat Witsens oeuvre en levensloop nu zo minutieus zijn vastgelegd, maar nog beter is het dat geen van de medewerkers zijn hoofd heeft verloren. Witsen wordt gevolgd, gelezen en bekeken, maar niemand doet aan blinde bewondering of dweperij.

Uit Beheerste bewogenheid bijvoorbeeld, het krachtige, biografische opstel van Jenny Reynaerts waarmee de monografie opent, doemt niet het beeld op van een genie of een held, maar van een tobberige, lastige, verlammend onzekere en tegelijk gekmakend arrogante kunstenaar. ,,Ik heb geen vrienden'', schrijft Witsen al als puber van zeventien. Kennissen ja, die heeft hij wel, maar ,,men kan over geen een onderwerp met hen praten [...] zelfs die, die knap heeten zijn toch flauw.'' Als artistiek begaafd kind uit een welgestelde, cultureel onderlegde Amsterdamse familie voelde Willem, jongste van zes, zich ver boven zijn klasgenoten verheven. Hij speelt goed cello, maar kiest ervoor zijn tekentalent uit te buiten, en gaat vanaf 1876 naar de dan net opgerichte Rijksacademie.

Met clubs als St. Lucas, een kunstenaarsvereniging van vooruitstrevende Rijksacademie-leerlingen, en later Flanor, waar Kloos en de zijnen hun literaire revolutie beramen, ontwikkelt Witsen een nogal schizofrene verhouding. Hij wil erbij, maar schopt er ook tegenaan; hij drinkt en praat mee, maar verafschuwt tegelijk het liederlijke groepsleven dat hem van het werk houdt. Hoewel hij een trouwe en zorgzame vriend is, kan hij ook zo ondoorgrondelijk zwijgen dat hij angst inboezemt. En terwijl hij naam maakt als etser en schilder, heeft Witsen het gevoel dat hij stikt. In 1888 neemt hij de wijk naar Londen. ,,Nooit heb ik koeler weerwerk gevonden dan toen ik op je afscheidsfuif een dronk op je spoedige terugkeer instelde'', schrijft vriend en collega-schilder Jan Veth hem later beduusd.

Op zijn kamers in Camden Town krijgt Witsen eerst nog Willem Kloos op bezoek, de labiele, zwaar drinkende `duivelsgod' tegen wie Witsen geen nee kan zeggen. Dan komt er rust. Witsen heeft een zangeresje als maitresse, maar is verder vrij om te werken. In Londen ontstaat zijn unieke blik op `de stad': hij ziet er Waterloo Bridge, Charing Cross Bridge, het Victoria Embankment, denkt er de mensenmassa's weg maar behoudt het weer – mist en regen – en tekent en schildert zo de `ernstige zware mooiheid' waar hij van houdt.

Terug in Nederland trouwt hij in 1893 met de aanvankelijk innig begeerde Betsy van Vloten. Ze bewonen een mooi buiten in Ede en er komen in vier jaar tijd drie zonen, maar Witsen moet zich al snel gekooid hebben gevoeld. Hij vlucht steeds vaker weg, naar de stad. In 1901 vraagt hij de scheiding van Betsy aan. Pas tijdens zijn tweede huwelijk met Marie Schorr (1907-1923), komen Witsens maatschappelijk gerichte en zijn introverte kant meer in evenwicht. Op foto's en schilderijen uit de latere jaren is een ander mens te zien: kalmer, maar ook gezapiger en saaier.

De stadse schoonheid waar hij in Londen tegenaan liep, heeft Witsen ook in Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht gevonden. Monumentale architectuur ontbrak hier, maar er waren genoeg mooie, stille plekjes – bezien vanuit een raam of vanaf het water, het liefst op een tijdstip dat de mensen nog niet in beweging zijn. ,,Amsterdam [is] zoo gewéldig mooi [...] in z'n eigen mooiheid. [...]'t lijkt me zoo curieus omdat er zooveel schilders hier wonen, en geen schijnt 't te zien.''

`Wandeling 1' uit Willem Witsen en Amsterdam, een van de twee gidsen met stadswandelingen van J.F. Heijbroek, begint bij het Centraal Station. Je loopt linksaf de Prins Hendrikkade op en duikt dan via de Kromme Waal de stad in, langs de Binnenkant, de Schippersstraat en het West-Indisch Huis. Witsens tekeningen en etsen kloppen nog wonderlijk goed met de werkelijkheid: gesloopte panden of verlaagde daken zijn tot op de meter nauwkeurig aan te wijzen. De wandeling eindigt ergens bij het Rembrandtplein. Toen wij daar zondag opdoken en glazig om ons heen keken, waren er opeens allemaal mensen. Er bleek een Uitmarkt aan de gang te zijn.

`Witsen en Amsterdam', t/m 26/10 in: Gemeentearchief Amsterdam. Inl. 020-6646699. `Willem Witsen (1860-1923) – Stemmingen', t/m 16/11 in: Dordrechts Museum. Inl. 078-6482148 of www.dordrechtsmuseum.nl. Monografie €34,90.