Rem nodig op biologische globalisering

De wereldhandelsconferentie die volgende week in Mexico begint, luidt een nieuwe ronde in van het debat over globalisering. In dat debat blijft biologische globalisering onderbelicht, meent Wouter van der Weijden.

Het debat over globalisering gaat vooral over economische, sociale en culturele globalisering. Nog weinig aandacht is er voor biologische globalisering. Dat is de verspreiding van soorten planten, dieren en microben over de planeet. Sommige organismen, zoals gewassen, vee, huisdieren en sierplanten worden opzettelijk verspreid, andere organismen onopzettelijk. Zo liften ratten mee met schepen en microben met mensen, dieren en planten. Dat proces is al duizenden jaren aan de gang, maar verloopt steeds sneller doordat steeds meer mensen en goederen steeds sneller worden vervoerd over steeds grotere afstanden. Recent verspreidde het sars-virus zich zelfs in enkele weken over drie continenten.

Biologische globalisering heeft, net als andere vormen van globalisering, zowel gunstige als schadelijke gevolgen. Gunstige gevolgen had de verspreiding van hoog-productieve landbouwgewassen en veesoorten uit Azië en Amerika naar andere werelddelen. Verlost van hoge ziektedruk bleken ze in die gebieden vaak zelfs beter te gedijen dan in hun gebied van herkomst. Resultaat was een wereldwijde verhoging van de landbouwproductie. De Nederlandse landbouw bijvoorbeeld draait onder meer op granen en bieten uit het Midden-Oosten en op aardappelen en maïs uit Amerika.

Schadelijk gevolg van biologische globalisering zijn epidemieën. Sommige daarvan bleken desastreus. Zo leidde import van huiden uit Azië in de 14e eeuw tot een epidemie van builenpest die een kwart van de Europese bevolking uitroeide. Na de Eerste Wereldoorlog eiste een Aziatisch griepvirus 20 tot 40 miljoen slachtoffers. Het virus bereikte Europa via een Amerikaans marineschip dat aanmeerde in Spanje (vandaar de foutieve naam `Spaanse' griep). In de voorgaande eeuwen hadden Europeanen zelf griep, pest, pokken, mazelen en tyfus meegenomen naar Amerika, wat resulteerde in de uitroeiing van het verbijsterende percentage van 95 procent van de Indianen.

Ook in de landbouw eist globalisering haar tol. De recente epidemie van mond- en klauwzeer in Engeland en Nederland is vermoedelijk veroorzaakt door een stukje met virus besmet vlees uit India. In 1991 is de maïswortelkever er in geslaagd met een Amerikaans vliegtuig de Atlantische oceaan over te steken naar Bosnië. De kever verspreidt zich over Europa en heeft afgelopen zomer Nederland bereikt.

Bij plantenziekten vervult Nederland een spilfunctie. Op Schiphol worden enorme hoeveelheden bloemen ingevoerd om te worden geveild en uitgevoerd naar andere landen. Dat is een recept voor `bio-invasies', want de veiling haalt onbedoeld ziekteverwekkers en onkruiden naar Nederland (Aalsmeer ligt naast Schiphol) en smeert ze uit over de planeet. De grenscontroles zijn weliswaar streng, maar niet waterdicht.

Biologische globalisering bedreigt ook de natuur en de biodiversiteit. Bio-invasies gaan vaak ten koste van inheemse soorten. Meest kwetsbaar zijn afgelegen eilanden. Daar leven weliswaar weinig soorten, maar relatief veel endemische soorten, die nergens anders voorkomen. Ingevoerde geiten, ratten, planten en parasieten hebben hier biologische ravages aangericht.

Maar ook continenten zijn niet onkwetsbaar. Berucht is de schade die konijnen hebben aangericht in Australië. Momenteel hebben de VS een handelsgeschil met China over houten pallets waarin een keversoort is aangetroffen die reeds de bomen van New York en Chicago teistert. Eurazië zelf heeft minder last van zulke exoten. Een verklaring daarvoor is al geopperd door Darwin: grote continenten kennen de hoogste selectiedruk en daardoor de sterkste soorten. Toch worden in Nederland bossen geteisterd door de Amerikaanse vogelkers, de akkerbouw door de coloradokever en de tuinbouw door de Californische trips.

Ook in water vindt verdringing van soorten plaats. Desastreus bleek de invoering van de Nijlbaars in het Victoriameer, die tweehonderd endemische vissoorten uitroeide. In Nederland wordt de mosselcultuur bedreigd door de ingevoerde Japanse oester. Olietankers verspreiden op grote schaal zoetwaterdieren via het ballastwater dat zij meenemen als retourvracht.

Wereldwijd gelden bio-invasies na het verlies van habitats als de belangrijkste oorzaak van het verlies van biodiversiteit. Zijn zulke invasies wel te stuiten in een globaliserende samenleving? Niet helemaal, maar het tempo moet drastisch omlaag kunnen. Zelfs bij snelle verspreiding staan we niet machteloos, zoals de aanpak van sars laat zien. In de regulering van de wereldhandel zullen we scherper onderscheid moeten maken tussen levend en niet-levend materiaal. De handel in niet-levend materiaal kan groeien, de handel in levend materiaal zal strenger moeten worden gereguleerd en soms zelfs moeten worden afgeremd. Oost/West transporten zijn vaak riskanter dan Noord/Zuid transporten, want soorten uit de tropen gedijen vaak slecht in gematigde gebieden en omgekeerd. Meest urgent is het aanpakken van organismen die meeliften met land- en bosbouwproducten, vers voedsel en ballastwater.

De Wereldhandelsorganisatie (WTO) biedt landen ruimte om risicovol levend materiaal aan de grens te weren. Ironisch genoeg zijn de landen die daar het meest gebruik van maken de VS en Australië, kampioenen van de vrijhandel. Zij preken in economisch opzicht het recht van de sterkste, maar in biologisch opzicht het recht van de zwakste. Na de mkz-crisis heeft ook de EU besloten om binnenkomende reizigers te controleren op ham en ander voedsel. Arme landen missen vaak de capaciteit voor zulke controles.

De WTO-regels zijn vooral gericht op organismen die de landbouw bedreigen en op bedreigde diersoorten, maar nog weinig op invasieve soorten die de biodiversiteit bedreigen. Nieuw-Zeeland heeft inmiddels op basis van het voorzorgbeginsel een nieuw beleid ingevoerd: import van organismen is verboden tenzij het expliciet is toegestaan. Evenals de VS heeft men de invoer van ballastwater aan banden gelegd.

Nederland zou er goed aan doen om arme landen (waaronder eilandstaten) te helpen bij het ontwikkelen van systemen om bio-invasies te voorkomen. In eigen land moet kritisch gekeken worden naar de bloemenveilingen. Want die zijn weliswaar een economisch succes, maar ook een recept voor biologische globalisering.

Wouter van der Weijden is als milieubioloog werkzaam bij het Centrum voor Landbouw en Milieu te Utrecht.