Puriteinse dopingbestrijder

Dopingbestrijder Arne Ljungqvist ziet dat oude records onverbeterd blijven. Naar zijn mening kun je daaraan het resultaat van de strijd tegen doping afmeten. ,,Ik geloof dat we ooit het niveau zullen bereiken waarop dopingzaken echt uitzonderingen zijn.''

De strijd tegen doping maakt de Zweed Arne Ljungqvist (72) nog steeds niet moedeloos, ook al werd de voorzitter van de medische commissie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) deze zomer opnieuw geconfronteerd met een aantal spraakmakende zaken. De Amerikaanse sprintster Kelli White en de Surinaamse 800-meterloopster Letitia Vriesde waren twee namen die tot de verbeelding spraken. De realiteit heeft Ljungqvist inmiddels geleerd dat hij doping niet uit de sport kan verdrijven. ,,Maar ik hoop dat we ooit een stabiele situatie zullen bereiken.''

Ljungqvist is een lange, magere, aimabele man, die een succesvolle carrière als medisch onderzoeker de laatste 30 jaar combineerde met het intensieve werk van internationaal sportbestuurder. Achter die priemende ogen en die grote bril gaat veel ervaring, veel levenswijsheid, maar vooral veel kennis schuil. De hoogleraar Ljungqvist had onder andere de leiding over de afdeling pathologie van de medische Karolinska Universiteit in Stockholm, hij was rector aan de Zweedse sportuniversiteit en leidde het Zweedse kankerinstituut waar hij onder meer onderzoek deed naar de werking van kankercellen.

Sinds Ljungqvist zijn kennis in dienst van de sport stelt, kent hij amper rust in zijn leven. Genieten van een oude dag is er niet bij, omdat de Scandinaviër inmiddels een aantal vooraanstaande en cruciale posities in de sportwereld bekleedt. De meest aansprekende is die van voorzitter van de medische commissie van het IOC, als opvolger van de vorig jaar overleden Belgische Prince Alexandre de Merode. En de Zweed functioneerde bij het wereld-antidopinginstituut WADA reeds als voorzitter van de Health, Medical and Research Committee, die zich onder andere bezighoudt met de gezondheid van atleten en de dopingbestrijding. Uit hoofde van zijn functie leidt Ljungqvist bij WADA ook de werkgroep die voor 1 januari 2004 de lijst van verboden middelen samenstelt. Daarnaast is hij voorzitter van de medische commissie en de antidopingcommissie van de internationale atletiekfederatie IAAF.

De conclusie van zo'n curriculum vitae is, dat Ljungqvist de spin in het web is als het om de bestrijding van doping gaat. ,,Helaas is dat zo'', beaamt hij zonder een spoor van hoogmoed. ,,Maar ik heb dat vele werk niet gezocht, het is min of meer vanzelf gekomen. De reden ligt eigenlijk voor de hand: er zijn weinig sportbestuurders met een medische achtergrond. Nee, voor voormalig orthopedisch chirurg Jacques Rogge geldt dat niet, maar na zijn verkiezing tot voorzitter van het IOC houdt hij zich vanzelfsprekend amper meer bezig met medische zaken.''

Zowel in ambitie als beleving is Ljungqvist geen doorsnee sportbestuurder. Als voormalig Zweeds kampioen hoogspringen vond hij het begin jaren zeventig aanmatigend om negatief te reageren op een verzoek van de Zweedse atletiekfederatie tot het bestuur toe te treden. Ljungqvist: ,,Ik vond het bovendien leuk terug te keren in wereld waarvan ik twintig jaar eerder onvrijwillig afscheid had genomen. Ik moest in 1953 stoppen wegens een jumpersknie, terwijl ik had willen deelnemen aan de Olympische Spelen van 1956 in Melbourne. Hij spijt me nog steeds dat ik zo vroeg ben gestopt; ik had graag willen weten hoever ik als hoogspringer had kunnen komen.''

Zijn rentree in de sportwereld viel Ljungqvist evenwel danig tegen. Hij kwam terecht in een cultuur die hem regelrecht schokte. ,,Ik had in de jaren vijftig afscheid genomen van een sport waarin de onschuld overheerste. Maar ik keerde terug in een wereld waarin niet de techniek en trainingsijver bepalend waren voor de prestatie, maar waar atleten bespraken welke pillen ze moesten nemen om beter te worden. Ik wist niet wat ik meemaakte. Wat is dit in hemelsnaam, heb ik me destijds talloze malen afgevraagd. Ik vond het ronduit schokkend en als medicus bovendien onacceptabel. Er werden op grote schaal steroïden gebruikt. Het was niet verboden, dus formeel deden de atleten niets fout. Uit het oogpunt van gezondheid was het echter levensgevaarlijk, maar dat zag schijnbaar niemand.''

Verbaasd over de geringe oppositie en het gemak waarmee over de ethische aspecten werd heengestapt, besloot Ljungqvist ten strijde te trekken. ,,Want er werd destijds nauwelijks iets aan dopingbestrijding gedaan'', zegt hij dertig jaar later nog steeds met verbazing. ,,Ja, het IOC hield zich er mee bezig, maar dat was eens in de vier jaar als er Spelen werden gehouden. Maar ik zeg nu: als ik destijds had geweten wat het allemaal betekende, had ik `nee' gezegd. Het was te veel werk, met te veel tegenwind en te weinig steun.''

En het dopingprobleem is intussen niet opgelost. Misschien dat het in omvang zelfs is toegenomen. Dat laatste bestrijdt Ljungqvist. ,,Het probleem is zeker niet groter geworden, maar het beweegt zich op een ander niveau. Het is high profile geworden'', aldus de Zweed. ,,Niet zozeer de dopingmiddelen zelf als wel de legale aspecten hebben het probleem vergroot. Aanvankelijk waren we naïef en dachten we: wie betrapt wordt, krijgt straf. Was het maar zo eenvoudig. Atleten kwamen steeds vaker met slimme advocaten aanzetten en die ontdekten dat er veel aan de regelgeving mankeerde. Inmiddels zijn alle dopingregels juridisch gelukkig onderbouwd, maar dat proces heeft wel 25 jaar geduurd.''

Hoewel ook Ljungqvist beseft dat het kwaad nimmer uitgeroeid zal worden, hebben de verbeterde detectiemethoden er zijns inziens toe geleid dat de levensgevaarlijke situaties zijn verdwenen. ,,Je kunt tegenwoordig het effect meten. Zie de atletiek, waar geen kogelslingeraar meer verder gooit dan 85 meter en geen sprinter harder loopt dan Ben Johnson ooit heeft gedaan. De strijd tegen steroïden heeft effect gehad, bestudeer de ontwikkeling van de resultaten maar. Toen ik in 1973 als begeleider van de nationale ploeg meeging naar Oslo voor een interland tegen Noorwegen waren er drie Zweedse kogelstoters die verder gooiden dan 20 meter. Zij zouden met zo'n afstand bij de Olympische Spelen van 2000 in Sydney stuk voor stuk in de finale hebben gestaan. En dat dertig jaar geleden. Daaraan kun je het resultaat van de strijd tegen doping afmeten.''

Ljungqvist mag dan een man van de nuance zijn, in de strijd tegen doping blijft hij een puritein. Hij is voor goede voorlichting en strenge straffen. Van een gezondheidspaspoort, waarmee gevaren binnen de perken kunnen worden gehouden, moet hij niets hebben. ,,Want dan wordt medicatie op niet-medische gronden geaccepteerd'', bromt Ljungqvist. ,,Iedere dokter die daaraan meewerkt, handelt in strijd met de medische regels. Elke arts weet dat effectieve medicijnen bijwerkingen kennen. Als dat niet zo is, werken ze niet. Bijwerkingen van doping kunnen ver gaan. Zie wat er in de DDR is gebeurd. Dat is wat wij sporters voortdurend proberen te vertellen: je speelt met je gezondheid, je speelt een gevaarlijk spel.''

Maar zal het gevecht tegen doping ooit eindigen? Volgens Ljungqvist niet, zo reëel is hij wel. ,,Maar ik geloof wel dat we ooit het niveau bereiken waarop dopingzaken uitzonderingen zijn. Bij de IAAF waren we voorlopers op het gebied van voorlichting en de out-of-competiton-controles met dank aan Ben Johnson en de val van de Muur. Bij de IAAF hebben we een stabiele situatie, dat durf ik nu wel te zeggen. En ik hoor het van de Zweedse atleten, die tegenwoordig goed presteren. Zij voelen zich op hun gemak en daar was twintig jaar geleden geen sprake van.''

En hoe zit het met de wetenschappelijke ontwikkelingen. Lopen die niet voortdurend voor op de bestrijding? Ook die slag is volgens Ljungqvist gewonnen. ,,We weten meer dan de atleten'', zegt hij. ,,Een kwestie van deskundigheid in huis halen. We werken steeds meer samen met wetenschappelijke onderzoekers, bij voorkeur met outsiders, die niet aan de sport gelieerd zijn. Het beste voorbeeld waren de sporters die bij de Winterspelen in Salt Lake City vorig jaar op het nieuwe middel nesp (darbepoëtine) werden betrapt. Die meenden iets te hebben dat niet opspoorbaar was, omdat het nog maar een paar maanden op de markt was. Wij waren ze te slim af, omdat we over de juiste informatie beschikten. We waren geïnformeerd door de onderzoekers en wisten daardoor wat er gaande was. Meer moeite hebben we met de detectie van middelen die het lichaam ook produceert. Een analytisch resultaat van de test betekent in dat geval niet automatisch dat een atleet doping heeft gebruikt. Testosteron is zo'n middel waar bij moeilijk is aan te geven of er sprake is van interne of externe productie.''

De volgende uitdaging wordt volgens Ljungqvist de strijd tegen genetische manipulatie. Een ingewikkelde materie, waarbij door het IOC al maatregelen zijn genomen. ,,We hebben gen- en celtherapie op voorhand al op de lijst van verboden middelen gezet. Als waarschuwing: begin er niet aan. Bij WADA hebben we bovendien Theodore Friedmann van de University of California in San Diego binnengehaald. Hij is min of meer de vader van de gentherapie. Friedmann wilde graag met ons samenwerken, omdat hij het wetenschappelijk relevant vindt. Hij ziet sport als voorbeeld van een terrein waar gentherapie misbruikt kan worden als het op de markt komt. Bij WADA hebben we ook geld gereserveerd voor onderzoek naar misbruik van de gentherapie.''

Zo weinig discussie als er is gevoerd over de vermelding van cel- en gentherapie op de dopinglijst, zo omstreden zijn tal van andere middelen. Bij het WADA-dopingcongres dit voorjaar in Kopenhagen bleek hoe uiteenlopend er wordt gedacht over bijvoorbeeld cannabisproducten. Van Ljungqvist mogen die overigens van de lijst verdwijnen, evenals cafeïne en pseudo-efedrine. Hij heeft eveneens moeite met het criterium `spirit of sport', dat naast de begrippen `prestatiebevordering' en `gevaarlijk voor de gezondheid' wordt gehanteerd om de dopinglijst samen te stellen. Ljungqvist: ,,Met het begrip spirit of sport kan ik niet uit de voeten; ik ben een wetenschapper die uitgaat van feiten. Maar in mijn positie moet ik ook leven met compromissen. Dat geldt ook voor cannabis. Een blowende snowboarder hoeft voor mij niet gestraft te worden. Wat niet wegneemt dat ik twijfel aan zijn voorbeeldfunctie. Om die reden had ik liever gezien dat naast de dopinglijst een gedragslijst zou worden opgesteld, waar middelen als cannabis en heroïne een plaats zouden krijgen. Maar dat is overruled door het IOC, dat een tegenstander van twee lijsten is. Zo gaat dat soms; we moeten de mening van andersdenkenden maar accepteren.''