Pompeïanen kwamen in 79 om door aslaag en door modderstroom

De slachtoffers van de catastrofale uitbarsting van de Vesuvius (79 n.Chr.), waarvan veel bekend is door een verslag van Plinius de Jongere aan de historicus Tacitus, kwamen op verschillende wijzen om het leven. Dat blijkt uit gecombineerd geologisch, archeologisch en vulkanologisch onderzoek waarbij de precieze positie van de slachtoffers (zowel in horizontale zin als verticaal in de gevallen aslaag), in combinatie met hun directe omgeving, is onderzocht (Journal of Volcanology and Geothermal Research, 20 augustus).

Pompeï werd binnen zeer korte tijd na de uitbarsting op 24 augustus 79, omstreeks 1 uur 's middags, begraven onder een aslaag die tot 3 m dik is. Minder bekend is dat op sommige plaatsen de veel puimsteen bevattende top van de aslaag die tijdens een tweede grote asval op 25 augustus werd gevormd, met daarin nog hete gassen tot ca. 400 graden Celsius, als een soort modderstroom van de vulkaanhelling omlaag is gegleden. Ook daarbij werden veel slachtoffers gemaakt. Veel mensen konden niet tijdig een goed heenkomen vinden, en zijn in de as of in het afgegleden materiaal teruggevonden, veelal in de vorm van holten. Door die op te vullen en vervolgens de as eromheen te verwijderen, bestaat een nauwkeurig inzicht in hun positie. Op deze wijze zijn 1044 goed herkenbare lichamen aangetroffen; daarnaast zijn er nog ruim 100 andere slachtoffers gereconstrueerd op basis van verspreid gevonden beenderen. Overigens verwacht men nog een kleine 500 meer slachtoffers aan te treffen in het nog niet afgegraven deel van Pompeï.

Van de goed herkenbare lichamen zaten er 394 in de aslaag van 24 augustus en 650 in de as en het afgegleden materiaal van 25 augustus. Het betrekkelijk geringe aantal slachtoffers in de eerste aslaag wijst erop dat de meeste inwoners van de stad erin geslaagd moeten zijn tijdig een goed heenkomen te zoeken. Van de slachtoffers kwam 38% niettemin tijdens deze asregen om het leven: door begraving onder muren of daken die onder het gewicht van de aslaag bezweken.

Van de slachtoffers die op 25 augustus vielen, bevond 51% zich in gebouwen, en 49% op straat. Zowel binnen als buiten vielen al deze slachtoffers ten prooi aan de ontzagwekkend snel afglijdende modderstromen, die nauwelijks kans op ontsnapping boden. Toch is dat kennelijk aan sommigen gelukt, want enkele slachtoffers zijn niet in de onderste laag van dit materiaal aangetroffen, maar in de volgende, soortgelijke laag. De houding van sommige lichamen wijst er zelfs op dat ze krampachtige pogingen hebben ondernomen om hoofd en borst vrij te houden toen de tweede modderstroom hen overspoelde. De doodsoorzaak van de slachtoffers van deze modderstromen was niet uitwendige verbranding (daarvoor waren de stromen niet heet genoeg), maar verbranding van de longen door de ingeademde hete gassen; anderen stikten doordat de longen vol kwamen te zitten met zeer fijne asdeeltjes, en een derde groep kwam om het leven door het giftige karakter van ingeademde gassen.