Pippi Langkous is uitgetoverd

De beroemde Zweedse verzorgingsstaat verkeert in een crisis. Hij wordt onbetaalbaar en het arbeidsethos, een van de steunpilaren van het Zweedse model, erodeert. Maar de Zweden kunnen er geen afscheid van nemen. `Zweden moet in therapie.'

De zon schijnt fel op het groen uitgeslagen koperen dak van Riddarhuset, een fraai renaissancepaleis in een hoek van Gamla Stan, de oude stad van Stockholm. Henrik von Vegesach, baron Henrik, doet zelf de deur open. Hij is beheerder van het monumentale paleis, een van de mooiste gebouwen van de stad en nog steeds in het bezit van de Zweedse adel. Maar dat is het enige wat Von Vegesach en de andere 607 adellijke families, bij elkaar zo'n 26.000 mensen, nog onderscheidt van de rest van de Zweedse bevolking. Deze zomer is een einde gemaakt aan een wet uit 1723 die de privileges van de adel regelde.

Volgens die wet had een edelman het recht het land te verlaten en zich in het buitenland te vestigen zonder toestemming van de koning, mocht hij ongevraagd windmolens op zijn grondgebied plaatsen en arbeiders aanstellen op zijn landerijen. En de koning garandeerde hulp als hij krijgsgevangen werd gemaakt. Nu heeft koning Carl XVI Gustaf zijn onderdanen nooit belet het land te verlaten en hij heeft niets te zeggen over het aanstellen van werknemers. En de kans op krijgsgevangenschap is klein, want het neutrale land heeft al sinds 1814, toen Denemarken Noorwegen moest afstaan aan Zweden, geen oorlog meer gevoerd. De wet stelde dus allang niets meer voor. Toch was die menigeen in dit egalitaire land een doorn in het oog.

,,Het is beter zo'', zegt baron Henrik, terwijl hij het wapenschild toont van zijn voorvader, Eberhard Ernst Gotthard Friherre von Vegesach. Het is nummer 379 in de imposante vergaderzaal, waar ooit de ridders bijeenkwamen om over staatszaken te debatteren. Volgens de wet moest de regering toestemming geven voor veranderingen van de Riddarhusordning, het reglement van dit paleis, en dat hoeft nu niet meer. Von Vegesach doet nuchter over het buiten werking treden van de wet. ,,Sommige parlementariërs zijn fel tegen de monarchie. Zij zullen ook de adel geen warm hart toedragen'', aldus de baron. ,,Maar zonder die wet is hun laatste argument tegen ons verdwenen. Je kunt moeilijk iets afschaffen dat wettelijk niet meer bestaat.''

Een journalist schreef vergenoegd dat de Zweedse adel, die toch al nooit veel voorstelde, nu dezelfde rechten heeft als een amateurvoetbalclub.

Zo hebben de Zweden het graag. Ze zien hun wereld het liefst lagom. Dit vrijwel onvertaalbare woord betekent zoiets als `precies goed', niet te veel en niet te weinig, gematigd, zoals het hoort. Lagom is voor de Zweden niet zomaar een woord. Het is een mentaliteit, het land is ervan doordrenkt. Vraag een Zweed in een rijtje met deugden de belangrijkste aan te wijzen en negen van de tien keer zal `bescheidenheid' hoog scoren. Uit een onderzoek van de zakenkrant Dagens Industri van een paar jaar geleden blijkt dat Zweden een voorkeur hebben voor een `horizontale' bedrijfsstructuur, gebaseerd op gezamenlijk genomen beslissingen en het vermijden van conflicten, goed georganiseerd, meer gericht op kwaliteit dan op winst, zonder grote risico's en met veel aandacht voor langetermijnplanning. Het lijkt wel wat op het Nederlandse `poldermodel', maar dat gaat vooral over onderlinge relaties. Lagom is extremer en introverter.

Lagom vormde ook de basis voor een sociaal model waar velen in Europa nog steeds met afgunst naar kijken. Het wees de Zweden de gulden middenweg tussen liberalisme en socialisme, het leidde hen naar politieke neutraliteit, het slechtte de maatschappelijke verschillen tussen mannen en vrouwen, het maakte een ongekende nivellering van inkomens mogelijk.

De Amerikaanse journalist Marquis Childs schreef in 1936 een beroemd geworden boek over The Middle Way waarin hij Zweden aanprees als een maatschappij die een compromis had gevonden tussen het rechtlijnige communisme van de Sovjet-Unie en het ongebreidelde kapitalisme van de Verenigde Staten, een `Derde Weg' avant la lettre. Op het model dat Childs beschreef is de Zweedse verzorgingsstaat tot op de dag van vandaag gebouwd. De staat garandeert volgens dit model de economische veiligheid van zijn burgers en zorgt dat iedereen in gelijke mate toegang krijgt tot onderwijs en gezondheidszorg. De staat biedt de geborgenheid van een folkhem, een `huis van het volk'.

Maar onder druk van de globalisering, na een reeks economische crises en door groeiende problemen om de sociale voorzieningen op peil te houden, is het folkhem aan een grondige verbouwing toe. Sociologen met een liberale inslag pleiten al jaren voor meer eigen verantwoordelijkheid voor de burger en economen vragen zich angstvallig af wanneer de geborgenheid onbetaalbaar wordt. Zelfs onder sociaal-democraten, de partij die het folkhem opbouwde, bestaat twijfel over de houdbaarheid. Op een millenniumcongres van jonge Zweedse sociaal-democraten werd de vraag gesteld of elementen van het Zweedse model niet beter in de twintigste eeuw achtergelaten konden worden. ,,Een daarvan is de visie op de staat als een big brother die weet wat het beste is voor de mensen'', schreef de linkse krant Tiden.

Dat zal niet meevallen, meent Mauricio Rojas, directeur van de rechtse denktank Timbro en parlementslid van de Zweedse Liberale Partij. De Zweden zijn zeer gehecht aan hun verzorgingsstaat. In het boek The Rise and Fall of the Swedish Model (1998) verklaart Rojas dat uit de afwijkende geschiedenis van het land. ,,We kunnen ons in Zweden de laatste burgeroorlog niet herinneren'', zegt hij in zijn kantoor met uitzicht op de daken van Stockholm. ,,En we waren zo arm dat het geen zin had om ons aan te vallen. Dus konden we veel aandacht besteden aan de opbouw van de staat, aan lokaal bestuur en aan een hechte relatie tussen bestuurders en bevolking. Terwijl in de meeste Europese landen de adel en later de stedelijke elites het voor het zeggen hadden, ontwikkelde het bestuur in Zweden zich vanuit de sterke band tussen boerenbevolking en koningshuis. De adel was zwak, steden waren er nauwelijks en horigen kende de Zweedse samenleving niet. Het was niet ongewoon als de koning boeren beloonde door hun land te schenken, dat hij vaak afnam van de adel.''

Toen overal in Europa de industrialisatie al flink op gang kwam, was Zweden nog een eenvoudige plattelandsgemeenschap. Maar het land kon die achterstand snel wegwerken. Als late starter hoefde het niet nog de fouten te maken die in Groot-Brittannië en Duitsland tot conflicten hadden geleid. Er was intussen kapitaal beschikbaar en de vraag naar nieuwe producten leek onverzadigbaar. In korte tijd ontstonden tientallen grote bedrijven, vaak gebruikmakend van buitenlands kapitaal, profiterend van een gunstig belastingklimaat en allemaal internationaal georiënteerd, want de thuismarkt was bescheiden. De meeste grote Zweedse bedrijven – Sandvik, Nobel, Ericsson, Bahco, Electrolux, Alfa Laval, Saab – ontstonden voor de Eerste Wereldoorlog. Ikea is een uitzondering.

Alcohol

Niet ver van het kantoor van Mauricio Rojas bevindt zich een typisch symbool van de Zweedse verzorgingsstaat, de Systembolaget aan de Grev Turegatan. Wie het niet weet, zou kunnen denken dat het een apotheek betrof. Klinische schappen met flessen achter glas, informatiebrochures (onder andere over het gevaar van alcohol bij borstvoeding) in een rek, en een toonbank die de artikelen verre houdt van de klanten. Maar dit is een van de alcoholverkooppunten in Stockholm. Klanten trekken hier keurig een nummertje, tonen een identificatiebewijs en geven hun bestellingenlijstje aan de verkoper. De prijzen zijn schrikbarend hoog, vaak drie keer zo hoog als elders in Europa. Dat kan omdat Systembolaget het monopolie heeft op de verkoop van alcohol.

Lars Lindberg, een man rond de dertig, duwt een baby in een wandelwagen voor zich uit langs de uitgestalde flessen. Hij maakt gebruik van zijn betaald ouderschapsverlof van acht maanden. ,,Helaas is het nu lastig om te reizen'', zegt hij, wijzend op het kind. ,,Maar eigenlijk is de drank hier te duur.'' In Zweden zelf heeft Systembolaget weliswaar nog het alleenrecht, maar net over de grens is alcohol een stuk goedkoper en vanaf volgend jaar is er geen wet meer die de Zweden belet om in het buitenland een flinke voorraad in te slaan. De Zweedse regering heeft zich daar heftig tegen verzet, maar de Europese regelgeving vereist nu eenmaal dat EU-burgers het recht hebben om een behoorlijke hoeveelheid drank uit andere landen in te voeren.

Toch weet Lindberg, die net twee flessen wijn en wat bier heeft gekocht, niet of dat een goed idee is. Hij vindt dat de regering de alcoholverkoop best mag controleren. ,,Ik weet niet of we het in Zweden wel aankunnen om onze alcohol gewoon in de supermarkt te halen. Het moet niet te gemakkelijk worden. Het gevaar van verslaving ligt op de loer.''

De Zweden hebben de verantwoordelijkheid voor hun welbevinden in handen gelegd van de staat, die niet wordt gezien als vijand, maar als beschermer – zoals de koning in het verleden de boeren beschermde. Het bestuur staat, zeker op lokaal niveau, heel dicht bij de bevolking. Het gemeenschapsgevoel is sterk ontwikkeld en individuele vrijheid is ondergeschikt aan een collectief vrijheidsideaal.

De sociaal-democraten die aan het eind van de jaren twintig aan de macht kwamen en het land sindsdien vrijwel onafgebroken regeerden, hebben gretig gebruikgemaakt van de behoefte aan collectieve regelingen. Daarmee versterkten ze hun eigen positie. Veel Zweden beschouwen de sociaal-democraten als de natuurlijke regeringspartij. De conservatieve regeringen die er sinds 1932 zijn geweest (van 1976 tot 1982 en van 1991 tot 1994) raakten zozeer verstrikt in het sociaal-democratische keurslijf – en in onderling gekibbel – dat ze al snel door de bevolking aan de kant werden gezet.

Zoals in de begintijd van de industrialisatie uitvinders en technici steeds weer nieuwe producten aandroegen, zo voelden de sociaal-democraten zich de ingenieurs van de samenleving. Nobelprijswinnaars Gunnar en Alva Myrdal, een Zweeds economen-echtpaar, legden in Kris i befolkingsfrågan (De crisis in het bevolkingsvraagstuk, 1934) de basis voor die sociale theorie. Ze pleitten voor ,,een sociaal-politieke controle, niet alleen over de verdeling van de inkomens, maar ook over de focus van de consumptie binnen gezinnen''. De staat moet de mensen dwingen het goede te doen en kreeg daarom het monopolie over het welzijn van zijn burgers.

Hoe ver dat kon gaan werd in 1997 pijnlijk duidelijk. De Zweedse overheid bleek tussen 1935 en 1976 meer dan 60.000 jonge vrouwen te hebben gesteriliseerd, soms gedwongen (bijvoorbeeld als een voorwaarde om het internaat te mogen verlaten, of om een uitkering te krijgen), soms zonder dat ze het wisten. De staat had eerst gedefinieerd wat `het goede' was en besloot dat degenen die daaraan niet konden voldoen, maar beter geen kinderen konden krijgen. Een `zigeunerachtig uiterlijk', een ongunstig uitgevallen IQ-test, `asociaal' gedrag, het vermoeden dat iemand niet in staat was haar eigen kinderen op te voeden, alles kon aanleiding zijn om iemand `tegen zichzelf in bescherming te nemen'.

In 1998 bleek dat Zweedse artsen tussen 1943 en 1963 duizenden lobotomie-operaties hebben uitgevoerd op psychiatrische patiënten, waarbij de voorste hersenkwab werd vernietigd. De methode werd destijds toegepast tegen schizofrenie, maar de artsen beschouwden lobotomie ook als middel tegen homoseksualiteit en communisme.

Dit waren echter uitwassen. Over het algemeen was de verzorgingsstaat goed voor zijn burgers. Hij lijkt volgens Mauricio Rojas op een soort Pippi Langkous. Die weet zich ook onder alle omstandigheden uitstekend te redden. Ze is eigenwijs, oersterk, zeer geliefd en ze helpt de kleintjes die het niet van de grote jongens kunnen winnen. Maar, voegt Rojas eraan toe, ze beschikt daarvoor wel over een onuitputtelijke tas met goudstukken.

Om het systeem in stand te houden, vroegen de sociaal-democraten steeds meer belasting. Tussen 1960 en 1980 stegen de overheidsuitgaven van 31 naar 60 procent van het bruto binnenlands product, met een hoogtepunt in 1993 van 74 procent. Dat daarvoor flink betaald moest worden, vonden de Zweden niet meer dan logisch. Zolang de staat maar zorgde voor vrijwel gratis kinderopvang, voor acht maanden betaald ouderschapsverlof, voor een ziekte-uitkering van aanvankelijk 90 procent van het loon, voor vrije toegang tot de gezondheidszorg en voor een royaal pensioenstelsel.

Pim Fortuyn

Een hartverscheurend gehuil echoot door de nauwe straatjes van Stockholms oude stad. Een peuter die kennelijk is gevallen weet zich omringd door een stuk of vijftien leeftijdgenootjes, allemaal met een reflecterend geel jackje over hun kleren waarop met grote letters hun naam staat geschreven, en vier oppassers. Het jochie wordt getroost en hand-in-hand wordt de wandeling voortgezet. Nu pas valt het op dat hier bijna geen peuters zijn, althans niet op straat. De meeste Zweedse vrouwen werken en dus gaan de kinderen naar de crèche. Goed geregelde kinderopvang behoort tot de verworvenheden van het Zweedse model.

Ook Susanna heeft haar zoontje op de kinderopvang. Maar vandaag even niet, ze wandelt juist met hem langs de crèche en het jongetje zwaait vrolijk naar binnen. ,,Hij had helemaal geen zin en toen heb ik me ziek gemeld'', zegt Susanna, die daarom liever niet met haar hele naam in de krant wil. ,,Eigenlijk zou ik hem graag zelf opvoeden, maar we hebben mijn inkomen erbij nodig.''

Volgens critici is dat een van de problemen van de verzorgingsstaat. De Zweden hebben zichzelf tot gevangenen gemaakt van hun systeem. Een riante kinderopvang is mooi, maar ook heel duur. Om het systeem in stand te kunnen houden, moet er veel belasting worden betaald, waardoor ouders wel genoodzaakt zijn om beiden te gaan werken. Vrijheid om te kiezen, om af te wijken, is in Zweden een bijna onbetaalbare luxe.

Toch voelen de meeste Zweden de beknelling van het systeem niet. De christen-democraten hebben lang gevochten voor een soort voucher-systeem in de kinderopvang, waarbij ouders geld ontvingen en zelf konden kiezen hoe ze de opvang wilden regelen. De partij heeft het idee moeten laten vallen, omdat de Zweden er geen belangstelling voor hadden.

Het gemak waarmee Susanna zich ziek meldt laat wel een andere bedreiging van het Zweedse model zien. Volgens econoom Birgitta Swedenborg, verbonden aan het Zweedse onderzoekscentrum voor politiek en bedrijfsleven (SNS), kent het systeem onvoldoende prikkels om hard te werken: ,,Buitenstaanders vragen vaak waarom het Zweedse model niet in elkaar stort. Waarom zou je werken als je ook een riante uitkering kunt krijgen? Het antwoord is simpel: wie deelneemt aan het arbeidsproces heeft meer rechten, ook op een hogere uitkering als het tegenzit. Maar het probleem van het systeem is, dat er geen reden is om hard te werken. Vroeger was dat niet erg, het arbeidsethos voorkwam misbruik. Mensen voelden zich verantwoordelijk.''

Maar die tijd lijkt voorbij. Uit cijfers blijkt dat tegenwoordig in Zweden permanent zo'n 430.000 werknemers, 10 procent, met ziekteverlof zijn. In 2001 zat 5 procent van alle Zweden ten minste een week ziek thuis, ongeveer het dubbele van het Europese gemiddelde. In 1998 duurde ziekteverlof in Zweden gemiddeld zo'n 14 dagen, inmiddels is dat opgelopen tot meer dan 25. ,,Als de verantwoordelijkheid om beter te worden je wordt ontnomen, verlies je de motivatie'', zei een Zweedse onderzoeker vorig jaar in The New York Times.

Voor de jongere generatie, en zeker ook voor de immigranten die naar Zweden zijn gekomen (in totaal zo'n 5 procent van de bevolking, onder wie veel Finnen en sinds een aantal jaren ook asielzoekers uit de Balkan en Irak) bestaat dat oude arbeidsethos (`doe je plicht, eis je recht') niet langer. De samenleving is minder homogeen geworden. Er lopen tegenwoordig scheidslijnen tussen noord en zuid, tussen stad en platteland, en binnen de steden tussen rijkere en armere wijken.

De belangstelling voor de rechten loopt niet meer in de pas met die voor de plichten en daarmee dreigt het systeem zichzelf op te blazen. Zeker nu het aantal ouderen sterk toeneemt en de pensioenen en gezondheidszorg daardoor onbetaalbaar worden. Een verhoging van de belasting lijkt uitgesloten. Meer vrouwen op de arbeidsmarkt ter financiering van het stelsel biedt ook geen uitweg, want de meesten werken al. De komst van immigranten kan de financiële druk op het stelsel verminderen, maar tast de homogeniteit van de samenleving verder aan. De enige oplossing is sleutelen aan het model zelf.

Volgens Mauricio Rojas gaat ook het referendum van volgende week over de euro eigenlijk over de teloorgang van het Zweedse model, de verdwijning van de traditionele gemeenschap. ,,De kroon is voor velen een symbool van die oude wereld'', zegt hij. ,,Maar politici, pragmatisch als ze zijn, spreken over de invloed op Europese besluitvorming, over rentedaling en kinderopvang. Ze zwijgen liever over de noodzakelijke verandering die er moet komen, met of zonder de euro. En ze moeten duidelijk maken dat het een pijnlijk proces zal zijn. Zweden heeft geen referendum nodig, het land moet in therapie.''

Als de Zweden straks de euro afwijzen, is premier Göran Persson volgens Rojas niet zomaar verslagen. Nee, hij is vernederd. Anders dan in Denemarken betekent een `nee' tegen de euro een ernstige crisis in het leiderschap, die met Persson ook de hele sociaal-democratie aantast. ,,Dat schept ruimte voor nieuw leiderschap, maar niemand weet hoe dat eruit zal zien. Misschien krijgen wij ook wel een soort Pim Fortuyn, met die merkwaardige mix van nationalisme, anti-immigratie, nostalgie en modernisme. Dat was nieuw, heel onrealistisch, maar wel sterk. De bevolking zou zich door een Fortuyn kunnen laten verleiden. Zweden is een theater dat wacht op een groot acteur.''