Niets mooiers dan weggaan

'Waarom voel ik me het meest op mijn gemak in de savanne'

Twintig jaar geleden verliet Koert Lindijer Neder-land om Afrika-correspondent van NRC Handelsblad te worden in Nairobi.

Volgende week verschijnt Bittereinders, zijn boek over nomaden.

Lord, I was born a ramblin' man, try to make a living and doing the best I can.

But when it is time for leaving, I hope you understand, that I was born a ramblin' man.

(Allman Brothers)

In de hal van Schiphol heerst de haastige drukte van het vertrek. Voor me in de rij een springerige vrouw in spijkerbroek. 'We willen een reisje naar de zon', zegt ze als ze aan de beurt is. 'Nu weg, maandag terug. Anywhere.'

Ze stut haar ellebogen op de balie en knipoogt naar haar zwijgende vriend. Hij is kaal en cool, draagt een zwartleren kostuum en een voor het Nederlandse wolkendek onbegrijpelijke zonnebril. Pronkerig slaat ze haar Þjne haar naar achteren. Haar vragende ogen blijven gericht op de jonge klmstagiaire, die volgens de badge op haar boezem Anemiek van Gulpen heet. Anemiek reageert alsof ze een paal heeft door geslikt.

Anemiek maakt schijnbewegingen. Ze dribbelt met haar vingers boven het toetsenbord. Ik zie dat haar computerscherm schoon blijft. De jonge vrouw zet haar blik vast op Anemiek en wacht. Anemiek veert op en zegt: 'Er gaat een vlucht naar Tel Aviv vanavond. Ik kan u natuurlijk niet garanderen dat de zon er schijnt.' Snel richt ze haar ogen weer op het lege scherm.

'We willen binnen twee uur weg.' De vrouw raakt geïrriteerd, hangt over de balie en begint met haar lange nagels ongeduldig op de monitor van de computer te tikken.

'Barcelona', oppert ze. Nee, die vlucht zit vol. Anemiek roept de lijst van vertrekkende vliegtuigen op. Samen lopen ze enkele zonnige bestemmingen in Zuid-Europa langs. Tevergeefs, de reisdoelen passen niet. De ongeduldige dame wil haar vriend erbij betrekken en snauwt de inmiddels wanhopige Anemiek toe: 'You can talk English, he understands also

something.' Maar de vriend blijft zwijgen.

Na twintig minuten wachten kan het absurde tafereel mij niet meer bekoren. Afrikaanse gelatenheid maakt plaats voor Europese opgefoktheid. Ik wil een scheldkanonnade aanvangen met het platte woord voor plassertje. Om onverklaarbare reden echter rolt 'Casablanca' uit mijn mond. 'A very good idea', reageert de louche man die kennelijk toch kan praten. De spanning is gebroken. Anemiek ademt opgelucht, de vrouw kijkt blij. De man trekt zijn creditcard en koopt twee tickets.

Reizen is een genot. Er bestaat geen aangenamer manier van stilzitten dan tussen vier wielen of twee vleugels. Wie is uitgekeken op natuurÞlms, de zonnebank of vrienden, boekt een tripje naar een ver vakantieoord. In het rijtje van de slager en de bakker in de straat is geheid een reisbureau te vinden voor hapklare brokken reisgenot. Bij iedere bestemming, in ieder exotisch oord, treft de toerist iets vertrouwds. De spanning, de griezeling, het avontuur ontbreken. Het hotel, de creditcard, de televisie, de gids, de luxe, ze houden hem vastgeklonken in zijn bekende omgeving. Hij verplaatst zich, maar komt niet weg. Welbespraakte zwamneus

Ik blader door een boek van mijn opa, Willem Banning. Hij publiceerde in 1959 met enkele wijsgerige tijdgenoten de bundel De mens op reis. Mijn opa was een belerende dominee en professor, een religieuze socialist en moralist. De toeristenreis is een surrogaat van de werkelijke reis, de reis van een onafgemaakt, riskant en een torso gebleven bestaan, vond hij. 'De mens blijft het onvervulde wezen, het schepsel dat niet af is gekomen en daarom onderweg is, altijd weer onderweg'.

Mijn in 1888 geboren grootvader was een volksopvoeder. Soms voelde hij zich een 'welbespraakte zwamneus'. Met zijn pleidooi voor een socialistische levenshouding legde hij in Nederland de verbintenis tussen christelijke en maatschappelijke stromingen. Hij fulmineerde tegen 'geestelijke vervlakking in een periode van welvaart' en tegen 'gezapigheid die de kreet van waarachtige en diepe menselijkheid afweert met een geeuw van verveling'.

'De devaluatie der verten' heet de inleiding van de bundel. Toen mijn opa in 1971 stierf, was het genot cultuur geworden. Hij noemde het 'de ontspanningsen vakantiereizen voor de massa en de reizen in dienst van de cultuur consumptie'. Hij eindigde zijn betoog als volgt: 'Natuurlijk ligt het aan mij, dat mijn sociologische opmerkingen uitlopen op een aanloopje tot een preek. Wel vraag ik met enige nadruk: is de roep om verdiepte innerlijkheid in een tijd van wereldwijde uiterlijkheid toch niet menselijk en reëel?'

Schaamte

In Afrika valt het me op hoe Europese toeristen dikwijls schaamte voelen voor hun status. 'Ik heb een prachtige vakantie gehad, maar het was wel toeristisch.' Een schuldgevoel omdat in een milieu van schaarste genotreizen grotesk zijn. Luxe en de bush, net als luxe en reizen, gaan niet samen. Nomaden weten dat. Zij zien rijen rijken over de savanne elkaar achterna rijden, Þles busjes bij verveelde leeuwen, verlegen cheeta's die niet meer willen paren onder glurende toeristenogen, klikkende camera's in een Masaikraal.

Genotzuchtige toeristen bestonden al ver voordat mijn opa hen als verschijnsel signaleerde. Tot de meest curieuze genotreizigers behoren de Nederlandse dames Tinne, moeder Henriette en dochter Alexandrine. Afkomstig uit gegoede kringen in Den Haag reisden zij halverwege de 19de eeuw met een groot gevolg door Egypte, Soedan, Algerije en Libië. Voor hun genoegen trokken ze vele jaren door woestijnen, voeren ze op de Nijl en dobberden in door muskieten bestookte moerassen. Alexandrine en Henriette waren bezeten door een opgewekte zorgeloosheid en naïviteit over de gevaren van bandieten en slavenhandelaren. De twee freules uit Den Haag wilden toekijken, niet betrokken raken.

In een van haar brieven vermeldde Alexandrine: 'Bovendien, weet u dat mijn arme moeder en ik deze reis werkelijk niet ondernomen hebben om beroemd te worden en ook niet om de aandacht te trekken, maar eenvoudig als toeristen, voor ons eigen genoegen.' De dames bezaten een ontembare reislust, maar ze waren, ten koste van veel geld en lijfsgevaar, bovenal uit op verstrooiing.

Alexandrine was een moeilijke en onnozele vrouw die hechtte aan luxe in haar leven. Op één van haar eerste reizen in Soedan telde haar bagage: een bed, tafelzilver, 32 kisten Haagse meubelen, proviand voor één jaar, veertig watervaten, geweren en pistolen 'om te proberen een nijlpaard of neushoorn te schieten', 800 pond aan kopergeld, wat een vracht vormde voor tien kamelen, plus alle vijf de honden van Alexandrine die op één kameel werden gebonden. 'Wij worden door ieder vier negers gedragen en wij hebben er ieder twaalf, zodat zij kunnen uitrusten.'

Zo konden de dolende dames de vreemde wereld niet in zich opnemen. Om het waarnemingsvermogen te scherpen, moet de ballast miniem zijn. Hun waarnemingen bleven steken aan de oppervlakte. Minnetjes berichtte Alexandrine over de bevolking van Zuid-Soedan. 'Wij vonden de negers een goed soort mensen, zeer kinderlijk, zeer lui en wat onnozel, maar vriendelijk en welgezind.' In Algerije schreef ze: 'wat de bevolking betreft, die is nog erger dan het klimaat lui, onverschillig, vuil en onbeleefd, grof en ruw als de boeren uit het Noorden zelfs hun kleding is lelijk, zelfs als die schoon is en goed gedragen wordt, helemaal wit.'

Overval

Het blijft een mysterie waarom ze jarenlang al de gevaren trotseerden, steeds weer het onzekere opzochten in plaats van terug te keren naar hun beschermde Den Haag. Alexandrines eigen verklaring, toerisme, verbaast al evenzeer. Want hoewel moeder en dochter waren omgeven door honderden begeleiders, bleven de reizen door klimaat, landschap en vreemde gewoonten een soort martelingen. Alexandrine stierf in 1868 op 34-jarige leeftijd bij een overval op haar karavaan in het gebied van de Tamasheqs. Haar ruim 60-jarige moeder was enkele jaren eerder bezweken aan een tropische ziekte.

Mensen reizen, ook als daar geen noodzaak toe bestaat. Is de reis middel of doel? Nomaden reizen, net als toeristen. Ogenschijnlijk hebben de geharde en de verwende reiziger weinig gemeen. Een vakantieganger in de gekoelde lucht van het toeristenbusje kruist op de savanne het pad van een nomade. Ze zijn elkaar vreemd. Of toch, is er diep in hun ziel iets dat hen verbindt? Herkennen we onze natuurdriften nog? Het zijn vragen waarvan de antwoorden misschien bij nomaden liggen. Zij zijn immers de oudste en meest bedreven reizigers.

Delen nomade en toerist het oerinstinct van de migrant? Waarom voel ik me het meest op mijn gemak op de savanne? De beroemde paleo-antropologische familie Leakey in Kenia bedacht er een verklaring voor: onze nomadische voorvaderen werden er geboren. Vormen nomaden een blauwdruk voor de mensheid?

Ik blader verder door De mens op reis. Afrika komt in de bundel van mijn goede grootvader niet voor, behalve een korte vermelding van de fantast Laurens van der Post. De nomadische reizen blijven ongenoemd. Het blanke Westen stond centraal in het wereldbeeld der Nederlandse intellectuelen. Ik verwijder de verpakkingen van de tijd in het vergeelde boek en stuit op iets dat pleziert. 'In een echte reiziger, al dan niet per kinderwagen, die voor mijn gevoel ook een lezer en dikwijls schrijver is, is het kind niet geheel verdwenen. Het leven is een aanhoudend verliezen van lagen van onschuld, maar voor de reiziger die werkelijk ziet, de schrijver die doorziet, gaat een essentiële onschuld nooit verloren, een begrijpende ontvankelijkheid blijft behouden. Ook de reiziger zal van zijn reizen, als de schrijver van zijn schrifturen, pas werkelijk wat kunnen maken als hij iets van het kind heeft behouden'. Reizen houdt je jong.

Op mijn eerste reizen door verre gebieden voelde ik me als die kleuter in de kinderwagen. Ik groeide op toen mijn opa zich afvroeg of de toeristische reizen een compensatie waren voor 'een torso gebleven bestaan'. Mijn generatie genereerde een groteske genotcultuur. Wij rijpten in de euforie van de jaren zestig en zeventig. De wellust werkte verdovend. Totdat ik wegging, ver verwijderd van Europa. In het denken van mijn opa stond Europa centraal. Wij stonden zelf centraal en de wereld lag aan onze voeten.

Plezier

Op mijn eerste tochten zocht ik bovenal plezier. Afrikanen maakten me vrolijk, net als hun muziek. Het leek alsof in alle bussen en treinen het geluk mij toelachte. Passagiers staarden niet zwijgend voor zich uit, vastgelopen in de modder van herinneringen. Ook al was het reisdoel triest, de reis moest gezellig zijn. Er werd gebabbeld, gekaart, gekookt, gelachen en gezongen. Alles leek zo anders dan bij de introverte blanken.

Altijd is me de herinnering bijgebleven aan de busrit van Noordnaar Zuid-Ghana. Voorin de afgeladen bus was een straatprediker verrezen. Iedereen ging zitten in het gangpad of op de stoelen. Eerst bad hij vroom, iedereen vouwde de handen en sloot eerbiedig de ogen. Na het gebed ging hij over tot meer aardse zaken. Hij klapte zijn koffertje open en toverde er zakjes met wit poeder uit. Try and see stond erop geschreven. Met overtuiging bood de kwakzalvende prediker zijn koopwaar aan, tegen reuma, pijnlijke menstruatie en slechte ogen. Ook had hij iets te koop tegen slappe lullen. 'Iedere man heeft er wel eens last van', richtte hij zich tot jonge passagiers, die besmuikt hun blik afwendden. De vrouwen die net nog zedig het Onze Vader hadden gepreveld, moesten schudden van het lachen.

Nooit heb ik genoeg gekregen van reizen. Wat is er mooier dan weggaan zonder te weten wat er komen gaat? De vrijheid van reizen door gebrek aan zekerheid.

Aan dat gevoel kwam abrupt een einde zodra ik weer naar Nederland moest. Thuiskomen werd een verschrikking. Op Schiphol keerde ik vroeger terug in de donkerste gewelven van mijn ziel. Had ik spontaan gereageerd, dan was ik in een rechte lijn van aankomstnaar vertrekhal gelopen. Sinds ik niet meer in Amsterdam maar bij Nairobi woon, komt die psychische martelgang terug in dromen: in een groot vliegtuig, klaar voor vertrek. De landingsstrook ligt in de Vijzelstraat. Het logge toestel komt langzaam op snelheid. Bij iedere ronding over de grachten probeert het de grond te ontstijgen. Maar het lukt niet, met harde klappen stuiten de wielen op de grond. Het raakt niet los. Oneindig strekt de Vijzelstraat zich uit. Ik zit vast in Nederland.

Nederland was me te klein, te benauwd, te kunstmatig geworden. Zoals Slauerhoff in zijn sterfjaar 1936 in 'In Nederland wil ik niet leven' dichtte:

In Nederland wil ik niet sterven.

En in de natte grond bederven

Waarop men nimmer heeft geleefd.

Dan blijf ik liever hunkrend zwerven

En kom terecht bij de nomaden.

Bevoorrecht journalist

Na tien jaar zwerven, maar met steeds weer die domper van de thuiskomst in Nederland, had ik een beroep gevonden bij mijn verlangen. Een correspondent is meer op weg dan thuis. Ik voel me een bevoorrecht journalist, altijd onderweg door andermans levens en gebeurtenissen. Afrika is daarvoor het beste continent, want het kent geen beperkingen.

De angst geketend te worden, is gebleven. Wie veel reist, weet hoe na terugkeer schoenen loodzwaar aan gaan voelen. De voeten zuigen zich vast in de beslommeringen van de regelmaat. Onopgemerkt gaat het. Warmte van gezin en vrienden kan onvoldoende behagen.

Bij mijn omzwervingen nam ik gelijke gevoelens waar bij Afrikaanse vrachtwagenchauffeurs. Maanden achtereen zijn ze soms op stap, op wegen die vaak niet meer zijn dan sporen. De nomaden op wielen. De cowboys van Afrika worden ze genoemd. Ontheemd zoeken ze langs de weg comfort, en als ze thuis zijn, voelen ze zich ongemakkelijk, zijn ze vreemdelingen. De behoefte aan huiselijke geborgenheid én de behoefte om te reizen, de chauffeurs komen er niet uit. 'Waarom wijk ik af van mensen die vastzitten op één plek?', zo drukte een Congolese chauffeur zijn verwarring uit, 'het lijkt altijd het moment om te vertrekken.'

Na een tijdje verloopt het vertrek van huis ook niet meer moeiteloos. Gelijk vloeibaar cement verharden gevoelens zich bij stilstand. Als ik niet had toegegeven aan een ander instinct, namelijk om een gezin te stichten, zou ik zijn vertrokken voor een reis zonder eindpunt. Om nergens wortel te schieten, om iedere dag te beginnen met al mijn zintuigen op scherp, om iedere ochtend te ontwaken zonder te weten waar ik de nacht mijn hoofd te rusten leg, om het trauma van vertrek en dat van thuiskomen te ontlopen. Altijd op reis. De reiziger die nooit ergens bij zal horen. Een permanente migrant, want zonder nieuwe uitdagingen slibben de zintuigen dicht en komt de melancholie opzetten.

Pelgrim

Nog één keer sla ik de bundel van mijn opa open. Hij komt op mij over als een moderne pelgrim. Hij predikt: er bestaan naast economische, psychologische, politieke en wetenschappelijke ook geestelijke motieven om op reis te gaan. De pelgrim ervoer zelfgenoegzaamheid als een illusie. Door de eeuwen heen ging hij te voet op bedevaart in een toen nog groot en bedreigend Europa. Het reizen was voor hem een geneesmiddel tegen geestelijke onvrede.

Was de mens oorspronkelijk zwerver? Heeft de natuurlijke selectie hem ontworpen van boven tot onder, van hersencel tot kleine teen om gehoor te geven aan de roep voor de seizoenstrek door savanne of woestijn?

Kaïn vermoordde Abel, want Abel was Gods lieveling. Abel was een herder. Kaïn stichtte na de moord op zijn broer de eerste stad.

Eeuwenoude spreekwoorden in allerlei culturen refereren aan het verhevene van het nomadendom. 'Het leven is een brug, goed om over te steken, niet om een huis op te bouwen', luidt een Indiaans gezegde. 'Thuis is waar je bent', zeggen de Masai. De Moren: 'Wie niet reist, kent de betekenis van de mensheid niet'. En de Chinese Þlosoof Confucius: 'Het is beter een mijl te reizen, dan duizend boeken te lezen.'

Ik heb me op mijn trektochten bij nomaden enige tijd laten inspireren door Bruce Chatwin. Zijn boeken hadden me op het spoor gezet van de geest van het nomadisme, bij de herders zou ik een diepere verklaring vinden voor mijn rusteloosheid. Onze hersenen, ons lichaam en onze emoties zijn die van emigranten. Dat zijn de ideeën van de in 1940 geboren Britse schrijver van reisverhalen. De oorspronkelijke mens is te herkennen in de overgebleven nomaden van de wereld. Net als onze verre voorvaderen zijn ze afhankelijk van de omgeving waarin ze reizen. Nomaden ervaren een mystieke verbintenis met de natuurlijke wereld, een fundamentele band die bij de rest van de mensheid verdrongen is geraakt. Nomaden leren ons over onze oorspronkelijke instincten, want diep in ons waart nog de ziel van de nomade.

'Waarom zwerven?' heet het eerste hoofdstuk van het nooit gepubliceerde boek van Chatwin over nomaden. In het negende hoofdstuk getiteld 'Het nomadisch alternatief' worstelt hij met het niet geringe vraagstuk van de grondslag van de mensheid. De mens ontwikkelde behalve zijn lange benen en grote schreden een instinct om grote afstanden af te leggen. Toen hij die ingeboren drift ging negeren en een permanente woonplaats verkoos, volgden volgens Chatwin agressie en geweld. Eenmaal gevestigd had de mens een godsdienst nodig om in zijn nieuwe, onnatuurlijke omstandigheden een balans te vinden. 'Religie is een reisgids voor settlers', schrijft Chatwin in het boek waaraan hij twintig jaar werkte. Tevergeefs, hij kwam er niet uit. In zijn Songlines beweert Chatwin dat hij uiteindelijk het manuscript aan het haardvuur toevertrouwde. Dat blijkt niet waar. Hij gooide het in de prullenmand, waar zijn moeder het vond en het vervolgens veilig opborg.

Gingen mensen hun eigen psyche pas bestuderen, over zichzelf nadenken, nadat zij hun nomadische bestaan vaarwel hadden gezegd? Begon de twijfel door de blik naar binnen in plaats van naar de horizon, naar een plaats om naar toe te trekken? Ik heb geprobeerd aanknopingspunten te vinden tijdens mijn omzwervingen.

Landrover

Reizen zit een nomade in het bloed, hij kan niet zonder. Dat weet ik zeker na mijn tijd bij nomaden. Als ik met mijn Landrover hun gebieden doorkruis, wil iedereen een lift. Niet dat ze ergens heen willen, ze willen reizen. Een Masai vertelde me hoe op een dag zijn ezels zoekraakten. Aandachtig hoorde ik zijn verhaal aan, nieuwsgierig of hij de beesten terug zou vinden. In detail vertelde hij over zijn dagenlange zoektocht over vlaktes en door bergen. Wie hij ontmoette, welke route hij nam, wat hij meemaakte, hoe hij zich voelde. Aan het einde van zijn relaas verzuimde hij te vermelden of hij de ezels vond. De reis was het doel.

Gewillig luisterde mijn reisgenoot Kasao naar de ideeën van Chatwin. Het was zijn wereld waarover Chatwin schreef, Kasao was een nomade bij geboorte en hij verbreedde zijn horizon door zijn studie. Maar Chatwins gedachten sloegen bij hem niet aan. We legden Chatwins denkbeeld aan nomaden voor. 'Is er iets diep in uw ziel dat u altijd weer oproept om te gaan reizen?' Ze reageerden alsof we ze iets wilden aanpraten. Marlboro-sigaretten misschien. In de reclames voor dit genotsproduct wordt de roker gelokt met de ultieme vrijheid van de stoere cowboy. Die platvloerse romantiek wekt valse gevoelens.

Vraag de nomaden niet naar de bekende weg. Ze reageren met hun trektochten op een heel primaire impuls: ze doen het in de eerste plaats om te overleven. Chatwins prikkelend gepeins over de geest van het nomadisme past bij een stadsmens. Op visite in een nomadenkamp laat de gestresste stadsbewoner zich wegzuigen in een met sterren bezaaide hemel. Hij gaat dromen.

Opgejaagd

Chatwin was een opgejaagd schrijver en reiziger. Hij wist nooit waar hij was, dus was hij altijd elders. 'Een thuis roept geen gevoelens bij me op', merkte hij eens op, 'behalve wanneer ik reis.' Over zijn nooit gepubliceerde nomadenboek zei hij: 'Dit boek is geschreven in antwoord op een behoefte om mijn eigen rusteloosheid te verklaren en uit een morbide preoccupatie met de oorsprong.' De in 1989 aan aids overleden Chatwin behoorde tot de zwervelingen die, als ze niet op reis gaan, zichzelf thuis te veel tegenkomen. Net als bij Stanley en Burton bleek seks een stoorzender. Chatwin was biseksueel en hij kon moeilijk in het reine komen met zijn homoseksuele driften.

Ik heb tijdens mijn omzwervingen de nooit a¦atende behoefte ervaren om te reizen, gelijk aan de folterende twijfel die knaagt bij ex-nomaden. De drift tot reizen heeft voor mij niets van doen met romantiek of verwrongen emoties van beroemde reizigers of schrijvers als Chatwin en Thesiger.

Het gevoel waar ik op doel, ervoer ik voor het eerst als kind toen ik door de kier van de voordeur de straat op sloop. Plots lag daar de weg naar de verre straathoek voor mij open. Ik voelde angst en opwinding, zoals wanneer ik nu aan een tocht door een woestijn begin. Ik maakte plannen om een hoek verder te gaan en dan, misschien, een blokje om. De zoete overwinning volgde toen ik de hoek om was en niet meer naar huis verlangde. Ik had de uitdaging aanvaard en mijn leven was begonnen.

Iedere keer aan het einde van een reis is het alsof ik iets verloren heb, een versie van mezelf, iemand die bewust leeft en het perspectief ziet, iemand die weet wie hij is en wat hij wil.

Dan doemt de angst weer op, de vrees dat als het reizen ophoudt, het sterven begint.

Koert Lindijer is sinds 1983 correspondent van NRC Handelsblad in Nairobi, Kenia.

[streamers]

Delen nomade en toerist het oerinstinct van de migrant?

Op mijn eerste reizen voelde ik me als die kleuter in de kinderwagen

Bij de herders zou ik een diepere verklaring vinden voor mijn rusteloosheid