Korte werkweek in Groningen

Het zal niemand verbazen dat Amsterdam de meeste deeltijdbanen telt. Wat opmerkelijk is, is de nummer twee van de lijst: Groningen. Met dank aan de `softe' sector.

In de tijd van de economische voorspoed werd maatschappelijk breed gediscussieerd over de soms onmogelijke combinatie tussen werk en privé. De druk op de Nederlandse werknemer was zo hoog geworden dat ingrijpen van de overheid gewenst was, anders zou een belangrijk deel van de beroepsbevolking binnen afzienbare tijd zijn opgebrand. Met name de komst van kinderen zou een te grote druk leggen op het leven van tweeverdieners.

Het maatschappelijke debat over de rechten en (zorg)plichten van werknemers en werkgevers resulteerde – op initiatief van toenmalig GroenLinks-voorman Paul Rosenmüller – uiteindelijk in een wetsvoorstel dat het deeltijdwerken tot een recht maakte van iedere werknemer. Op 1 juli 2000 trad de gewijzigde wet in werking waarmee elke werkgever werd verplicht een verzoek van zijn personeelsleden om minder te werken in te willigen tenzij er ,,zwaarwegende bedrijfsbelangen'' zijn om dat niet te doen.

Ruim drie jaar na de invoering van de wet blijkt de invloed van het recht op deeltijd uiterst beperkt te zijn geweest. Zo blijkt uit cijfers van Lisa, een samenwerkingssverband van regionale arbeidsregisters, het percentage kleine baantjes (minder dan 12 tot 15 uur per week) nauwelijks te zijn veranderd. Onder mannen had 8,1 procent in 1999 een dergelijke baan terwijl dat in 2002 nauwelijks was gegroeid naar 8,2 procent. Onder vrouwen is zelfs een daling waarneembaar. Het percentage kleine baantjes daalde van 21,8 procent in 1999 naar 20 procent in 2002. Dat lijkt erop te wijzen dat vrouwen kiezen voor `langere' deeltijdbanen dan vroeger.

Ook wanneer naar alle deeltijdbanen, dus groter dan 15 uur maar geen fulltime, wordt gekeken is de invloed van de deeltijdwet beperkt. Werkgeversorganisatie VNO-NCW verzette zich tegen die invoering in 2000 onder het motto dat al eenderde van de beroepsbevolking in Nederland in deeltijd werkte. Onlangs becijferde de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) dat ook deze verhouding gelijk is gebleven. Waarmee Nederland overigens koploper in de wereld is.

Groningen lijkt zich van de landelijke cijfers en trend niets aan te trekken. Tussen 1996 en 2002 kwam er in die gemeenten bijna 6.500 kleine baantjes bij. Ook relatief gezien groeide het aantal kleine banen. In dezelfde periode steeg dit van 16,9 procent naar 18,4 procent. ,,Dat verbaast me niets'', zegt Martin van Koldam, woordvoerder van de Kamer van Koophandel in Groningen. ,,Met een Academisch Ziekenhuis, een universiteit en hbo-instelling heeft Groningen een relatief grote non-profit sector. Een sector waar veel meer in deeltijd wordt gewerkt. In de industrie bijvoorbeeld zie je dat nauwelijks.''

,,In Groningen hebben we in totaal 116.000 banen, daarvan zijn er bijna 43.000 gesitueerd in de non-profitsector. Tel daar nog eens de dienstverlening bij met 26.000 banen en je hebt meer dan de helft van de banen uit sectoren die uitgesproken deeltijdvriendelijk zijn'', zegt Koldam. Hij voegt daar zelf de conclusie aan toe: ,,Dat zijn sectoren waar relatief gezien meer vrouwen werken, die toch vaker in deeltijd willen werken dan mannen.''

De door Koldam van de Groningse Kamer van Koophandel getrokken conclusie lijkt oppervlakkig gezien een vooroordeel, maar blijkt aan te sluiten bij de dagelijkse realiteit. Uit de Emancipatiemonitor 2002 van het Sociaal Cultureel Planbureau (CPB) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat Nederlandse vrouwen de afgelopen decennia weliswaar meer zijn gaan werken en dat ook blijven doen wanneer er kinderen komen, maar dat zij dat – zeker na de geboorte van hun kinderen – vooral in deeltijd doen.

,,Dat is op zich vreemd, omdat herhaaldelijk uit onderzoek blijkt dat ook mannen graag minder zouden willen werken'', zegt Hilde Veraart-Maas, onder andere schrijfster van het boek Deeltijd werken in een resultaatgerichte cultuur en werkzaam als consultant en interim-manager. ,,Maar veel werkgevers beoordelen niet op basis van effectiviteit, maar veel meer volgens het aanwezigheidscredo. Zolang je maar op het juiste moment aanwezig bent.'' In haar boek pleit Veraart-Maas voor een andere houding bij werkgevers. ,,Je moet je organisatie er natuurlijk wel op aanpassen. Met name op het gebied van communicatie.''

Volgens Veraart-Maas wordt de keuze om minder te gaan werken dan ook vooral beïnvloed door de manier waarop de werkgever daar mee om gaat. ,,Het grootste deel van de mensen dat in deeltijd gaat werken heeft ingecalculeerd dat ze niet langer volledig meedraaien. Ze ontvangen nauwelijks meer informatie, dingen blijken achter hun rug anders te zijn geregeld en vervolgens wordt gezegd dat ze niet gemotiveerd zijn.''

Helemaal zonder invloed is de wet op deeltijdarbeid volgens Veraart niet geweest. ,,Je ziet dus dat in sectoren die dicht tegen de overheid aan zitten, het deeltijdwerken veel beter is geregeld, net als verlofregelingen. En die sectoren zullen die voorsprong voorlopig ook nog wel eventjes houden omdat ze een zuigende werking hebben op mensen die minder willen werken.''