Kenniseconomie

Universiteiten willen meer samenwerken met het bedrijfsleven, omdat dit de Nederlandse kenniseconomie zou versterken (NRC Handelsblad, 1 september). Zij verwijzen daarbij naar de Verenigde Staten als goed voorbeeld daarvan. Maar als je kijkt hoe het daar toegaat, heeft samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven ook belangrijke nadelen voor zowel het wetenschappelijk onderzoek als voor het bedrijfsleven zelf.

Ik geef een voorbeeld uit mijn ervaring het afgelopen jaar als visiting associate aan de Harvard Graduate School of Design in de VS. Aan deze school zijn een aantal onderzoekscentra verbonden, die onder andere onderzoeksopdrachten doen voor bedrijven. Positief is dat naar dat onderzoek dus vraag is. Maar een nadeel is dat het onderzoek minder wetenschappelijk afhankelijk kan zijn. Eventuele toekomstige opdrachten van diezelfde bedrijven zijn van belang voor de financiering van zulke instituten en hun personeelsbestand de onderzoekers zelf. Bovendien ontstaat valse concurrentie met commerciële onderzoeksbureaus. Aan zulke onderzoekscentra werken academici met een relatief laag salaris en goedkope student-assistenten, die worden gesponsord door hun ouders en fondsen.

Gezien deze moeilijk te overwinnen belangenconflicten bij samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven vind ik het idee van premier Balkenende om bijzondere prestaties van universitair onderzoekers te belonen een beter middel om de kenniseconomie te stimuleren. Dan bepaalt in ieder geval een onafhankelijk instituut op basis van de output, dus achteraf, welk onderzoek de kenniseconomie versterkt. Deze economische stimulans kan zorgen voor meer inzet van de onderzoekers tijdens het onderzoek, zonder dat er dan al financiële belangen bestaan die onafhankelijke resultaten kunnen tegenhouden.