EU moet boekhoudersretoriek laten varen

De Europese integratie moet niet beperkt blijven tot de vraag hoe de instellingen en het beleid eruit moeten zien maar ook aanzetten tot nieuwe denkbeelden, meent Bronislaw Geremek.

Europa bevindt zich op een tegenstrijdig keerpunt. Terwijl de harmonisatie van wetgeving en de opstelling van een grondwet getuigen van een verdergaande integratie, hebben de Europese instellingen niet opgeleverd wat elke politieke gemeenschap nodig heeft om te overleven en te bloeien: een gevoel van saamhorigheid.

Zolang dit zo is, kan geen geslaagde integratie plaatsvinden. Eenvoudig gesteld: wil de Europese Unie haar nationale provincialisme overwinnen en een doel omarmen dat alle leden samenbindt, dan moet ze haar boekhoudersretoriek laten varen en spreken in een taal die woorden heeft voor goed en slecht, mooi en lelijk, juist en onjuist.

Dat zal niet vanzelf of van de ene dag op de andere gebeuren. Gezamenlijke waarden en gemeenschapsbanden komen voort uit een langdurige ervaring, met mythologische en historische inzichten die de schijn wekken dat deze ervaring organisch is ontstaan. Er is niets wat daarop lijkt bij de integratie van de EU, die veel meer weg heeft van een bewuste keus van enkele machthebbers. Het valt dan ook moeilijk in te zien hoe deze weg zou kunnen leiden tot de collectieve en individuele identiteit die de Europese eenwording vereist.

In plaats daarvan zou Europa voort moeten bouwen op twee perioden van gemeenschapsvorming. In de dertiende eeuw vormde het middeleeuwse christendom een gemeenschap die verenigd was rond een gezamenlijk geloof, met Rome als machtscentrum dat de eenheid bewaarde. De opvolgers van Petrus als Romeinse paus hielden toezicht op een net van universiteiten waar onder leiding van de kerk culturele elites werden opgeleid – op dezelfde wijze en in dezelfde taal (het Latijn). Een net van kerken – over heel Europa in dezelfde stijl gebouwd – had een gemeenschappelijke kalender en liturgie. Het middeleeuwse christendom was Europees van aard, al vermeed het dat woord zelf en aanvaardde het alle nationale vormen van culturele expressie.

De `Republiek der letteren', die duurde van Erasmus tot de Verlichting, vertegenwoordigt de tweede Europese gemeenschap. Naarmate het Latijn werd vervangen door volkstalen – vooral het Frans – maakte het godsdienstige debat plaats voor observatie en analyse, met een onbeperkt geloof in rede en wetenschappelijke vooruitgang. Een communicatienetwerk dat een snelle verspreiding van denkbeelden toestond, droeg bij tot een gemeenschappelijke geest. De intellectuele en culturele banden werden versterkt door reizen, wat vanzelf leidde tot uitspraken als die van Montesquieu – `Europa is gewoon één land dat bestaat uit vele'.

Het ontstaan van deze twee gemeenschappen – ook al was hun doel tegengesteld – vormt hét referentiepunt voor een Europese identiteit. De Duitse filosoof Karl Jaspers heeft eens gezegd dat de Europese vrijheid berustte op de antithesen `seculiere wereld en transcendentie, wetenschap en geloof, materiële techniek en godsdienst.' De EU zou dan ook niet bang moeten zijn om én de geloofsgemeenschap van het middeleeuwse christendom én de gemeenschap van de rede uit de moderne tijd te bevestigen. Alleen dát zal recht doen aan het tegenstrijdige wezen van de Europese geest.

Maar naar deze maatstaf is de preambule van de Europese ontwerp-grondwet die is opgesteld door de Conventie volstrekt ondeugdelijk. Aanvankelijk weigerde de Conventie ook maar een woord te wijden aan het christendom of het joods-christelijke erfgoed van Europa en werd behalve naar de Grieken en Romeinen alleen naar de traditie van de Verlichting verwezen. Weliswaar is er voorlopig een compromisoplossing aangenomen, maar de boodschap daarvan is zwak en duister.

Jammer. Natuurlijk heeft Europa een zware en pijnlijke prijs betaald voor zijn godsdienstige scheuringen, en deze twisten moeten niet opnieuw worden opgerakeld. Maar de Conventie moet niet alleen zorgen voor meer duidelijkheid, transparantie en doelmatigheid in het functioneren van de Europese instellingen; ze moet de EU ook dichter bij haar burgers brengen. Dat vraagt om een beetje `Europese metafysica'. De EU-leiders zouden op een zodanige manier over de Europese gedachte en de Europese geest moeten spreken dat de Europese burgers worden aangezet om te bedenken hoe ze samen zijn gekomen, waarom ze samen blijven en wat ze samen willen doen.

Het antwoord lijkt te draaien om de centrale plaats die de Europese beschaving de mens heeft gegeven sinds de vermenging van barbaarse gebruiken met het christendom. Deze antropocentrische visie wordt door de christelijke traditie overgebracht in de boodschap dat de mens is geschapen naar het beeld van God en dat Gods Zoon zich voor de mens heeft opgeofferd. Maar we vinden haar ook in de traditie van de Verlichting, die verkondigt dat de mens de maat aller dingen is of dat hij bekleed is met grootsheid en waardigheid.

Dankzij de dubbele grondslag van het Europese denken is het mogelijk om uit te stijgen boven het conflict tussen godsdienst en secularisme waarmee het recente debat over de ideologische basis van de grondwet gepaard ging. Door als model een beschaving te nemen die de mens en zijn waardigheid een centrale plaats geeft, kan deze ook het uitgangspunt vormen voor een serieuze discussie over de toekomst van Europa.

Het gevaar in dit verband is dat `gemeenschappelijke waarden' tot een verdeeldheid zouden kunnen leiden die in een houding en beleid van uitsluiting resulteert. Maar het begrip menselijke waardigheid moet juist aanmoedigen tot een radicale opening naar anderen. Europa is zichzelf verplicht pluralistisch te zijn, zich bewust van zijn culturele schuld aan de Grieken en Romeinen, de Arabieren en de joden, en uit eigen ervaring kennis te nemen van de macht der verdraagzaamheid en de armoede en schande van gesloten, totalitaire ideologieën.

Eigenlijk moeten de mensenrechten het hele beeld van Europa bepalen; ze moeten het symbool of zelfs de `godsdienst' van Europa zijn. De mensenrechten zouden de ideologische maatstaf voor de interne politiek en het buitenlands beleid van Europa moeten zijn – anders zal de instelling van een minister van Buitenlandse Zaken van de EU een dode letter blijven. Europa dient het multilateralisme van zijn buitenlandse beleid te baseren op de mensenrechten, terwijl het werkt aan een hervorming van het volkenrecht en het VN-stelsel om te zorgen dat de mensenrechten prevaleren boven kortzichtige politieke overwegingen.

Maar bovenal moet de Europese integratie niet alleen bepalen hoe de instellingen en het beleid eruitzien, maar ook aanzetten tot nieuwe denkbeelden. De rol van het intellectuele debat over de toekomst van Europa is de Europese solidariteit te versterken, denkbeelden en visies op te leveren die krachtig genoeg zijn om realistisch aan te geven welke kant het op moet, en de verbeelding te mobiliseren teneinde een krachtige, moedige en verstandige gemeenschap op te bouwen.

Bronislaw Geremek was van 1997 tot 2000 Pools minister van Buitenlandse Zaken.

© Project Syndicate.