Een half miljoen slavinnen

Grof geld wordt in Europa verdiend aan de mensenhandel, vooral na de ineenstorting van de communistische regimes in Oost-Europa. Een van de gruwelijkste leveranciers is Albanië. Honderdduizend Albanese vrouwen zijn de afgelopen tien jaar ontvoerd en het land uit gesmokkeld.

Tienduizenden moeten in het buitenland als prostituee werken. Als ze ontsnappen, vrezen ze de wraak van de maffia.

'Wij zijn van de Amerikaanse ambassade. Van onze baas hebben we de opdracht gekregen het geboortebewijs van Silda Kreca op te halen. Wij weten ook niet waarom, we doen slechts wat ons gezegd wordt', liegt Albana, een medewerker van het vrouwenhandelprogramma van

de Internationale Organisatie voor Migratie (iom). De intergouvernementele iom helpt wereldwijd migranten die vrijwillig willen terugkeren naar hun land van herkomst.

De organisatie heeft in veel landen, waaronder Albanië, projecten opgezet om slachtoffers van mensenhandel te helpen een nieuw leven op te bouwen.

Albana kijkt de vrouwelijke gemeenteambtenaar van het Noord-Albanese bergdorpje Grash strak aan en zwaait even met haar identiteitsbewijs. We staan in het gemeentehuis van Grash, eigenlijk is het niet meer dan een hut. In de kleine tochtige ruimte, met witgekalkte muren, staat een houtkacheltje, maar het vuur biedt nauwelijks warmte tegen de gure wind die door het pand raast. De ambtenaar zit achter een groot vergeeld boek. Hoewel volgens de Albanese wet alleen familie of de persoon in kwestie een geboortebewijs mag opvragen, schrijft ze, tergend langzaam, met pen het

bewijs voor ons uit. Ze vraagt ons niet naar ons identiÞcatiebewijs. Nadat ze in het vergeelde boek de namen en geboortedata van haar vijf broers, zus en ouders heeft opgezocht en opgeschreven, plakt ze Silda's foto op de bewijzen.

Buiten, op het pleintje voor de gemeentehut, hangen de mannen van het dorp wat rond. Een van hen wandelt nieuwsgierig naar binnen. 'Silda Kreca? Die ken ik wel', zegt hij, met een blik op de foto. 'Ik weet wat voor soort werk ze doet in West-Europa. Ze is op bezoek geweest bij de politie in Gjirokastër, in het zuiden van Albanië. Dat is algemeen bekend hier in het dorp. Ik haal haar zus wel even, die kan met jullie spreken.' Albana verstrakt. Ze kijkt zenuwachtig naar de schrijvende ambtenaar. 'Nee, we hebben geen tijd, we moeten weer terug naar de ambassade in Tirana.' Met een geforceerde glimlach stapt ze in de wachtende jeep en met grote snelheid scheuren we het bergpaadje af.

'Ik vertrouwde de situatie niet. Er is hier in het noorden geen rechtssysteem, hier geldt de wet van de bergen. Niemand helpt je als er wat gebeurt', vertelt Albana in de auto, terwijl ze achterom kijkt. De jeep stuitert alle kanten op door de grote kraters in het wegdek. 'Die man kende te veel details van Silda. Ik weet dat haar familie niet te vertrouwen is, ze hebben haar verstoten, misschien hebben ze zelfs wel iets met vrouwenhandel te maken.' Albana heeft meerdere malen oog in oog gestaan met handelaren die haar bedreigden. Uit voorzorg loog zij daarom maar dat ze van de Amerikaanse ambassade was.

Ontvoerd

Een maand later overhandigen we in een opvanghuis in Eindhoven het geboortebewijs aan de 20-jarige Silda, zodat zij de vereiste documenten kan regelen voor de terugkeer naar haar land. Na een driejarig illegaal verblijf in Nederland ziet ze geen andere mogelijkheid dan terugkeren naar Albanië. Zij kon haar familie niet vragen de documenten voor haar te regelen. Toen ze 16 was, werd ze ontvoerd uit haar dorpje. Vrouwenhandelaren brachten Silda naar Italië, België en uiteindelijk naar Nederland om in de prostitutie te werken. Toen haar familie er achter kwam, verstootte die haar. Zij weet niet zeker hoever de invloed van de handelaren in het dorp en zelfs binnen haar familie reikt.

Silda is een van de geschatte honderdduizend slachtoffers van mensenhandel, die van 1993 tot 2001 zijn ontvoerd, misleid en doorverkocht vanuit Albanië. Veel van die slachtoffers zijn minderjarig. Na de ineenstorting van het communistische dictatoriale regime in 1991 ontvluchtten Albanezen massaal hun land.

Albanië is een van de armste en corruptste landen in Europa. Dankzij de hechte netwerken van stammen en clans ontstond een voedingsbodem voor criminele bendes. De roekeloosheid van die criminele netwerken, de kleine oppervlakte van het land, de hechte sociale verbanden, de rigide familie-eer en de corruptie van de autoriteiten maakten Albanese vrouwen zeer kwetsbaar. Handelaren wisten hen makkelijk te vinden en te intimideren.

Silda werd twee keer ontvoerd. De eerste keer was ze net 14 jaar. Ze stond de was op te hangen buiten haar ouderlijk huis in Grash, toen ze een vreemd geluid hoorde. Drie jongens doken op van achter de struiken en sleurden haar een auto in. Ze herkende een van de jongens, een paar dagen eerder was hij langs geweest bij haar vader met de mededeling dat hij met Silda wilde trouwen. 'Ze is nog te jong', had haar vader geantwoord. De jongen werd kwaad. 'Wacht maar af, ik kom haar halen', riep hij voor hij vertrok.

In Korinthe, Zuid-Griekenland, waar ze haar naar toe brachten, bleef er weinig over van die trouwplannen. Silda werd gedwongen te werken als prostituee in een kofÞehuis. Na zes maanden deed de Griekse politie een inval. Ze zetten Silda over de grens. In de Zuid-Albanese stad Gjirokastër klopte ze aan bij de politie om aangifte te doen van vrouwenhandel. 'De agent vroeg me: waar is je man? Hij was hier, op zoek naar je.' Ze probeerde de politieagent uit te leggen dat het haar man niet was, maar dat hij haar had ontvoerd en verhandeld. Maar die noodkreet was aan dovemansoren gericht. Ze durfde geen aangifte meer te doen en belde haar vader, die haar op kwam halen. De handelaar had haar vader ook al gesproken. Hij trok de aangifte van vermissing van zijn dochter in.

Toen ze terugreden naar Grash in het onherbergzame noorden van Albanië, schreeuwde haar vader tegen haar. Ze was thuisgekomen zonder echtgenoot, iedereen in het dorp wist wat zij in Griekenland had gedaan. Ze was een schande voor de familie. Eenmaal thuisgekomen mocht ze niet meer naar buiten, ze moest haar moeder helpen. 'Ik was niet meer dan een stofzuiger. Ik mocht nergens heen, mocht niet naar school. Elke dag moest ik het huis schoonhouden en doen wat mijn moeder me zei', vertelt ze.

Silda vertelt haar verhaal in een kamertje in het opvanghuis in Eindhoven. Haar 6 maanden oude zoon zit bij haar op schoot. Hij heeft grote blauwe ogen en is druk in de weer. Silda oogt ¦ets. Ze is nog jong maar ze heeft een vermoeid en getekend gezicht, met diepe wallen onder haar ogen.

De situatie thuis werd op den duur onhoudbaar. Met haar schoolvriend Ishmal besprak ze vluchtplannen. Samen zouden ze in het naburige stadje Bulqiz gaan wonen. Op een nacht pakte ze haar kleren. Maar op de afgesproken plaats wachtte niet Ishmal haar op, maar vrienden van hem. Wij brengen je wel naar de stad, Ishmal komt later, zeiden ze. 'Ishmal heb ik nooit weer gezien. Ik denk dat hij me verkocht heeft aan die mannen. Ze brachten me naar Vlorë.' 's Nachts voer Silda vanaf de Albanese zuidkust in een speedboot met drie handelaren, een lading drugs en twee andere meisjes naar Italië.

Silda werd in Florence op straat aan het werk gezet. 'We vermoorden je familie, zeiden ze tegen me als ik tegenstribbelde. Ik wist dat ze mijn familie en dorp kenden, dus ik heb gedaan wat ze zeiden.' De criminelen hadden haar onder controle. Als ze weigerde, werd ze mishandeld. Steun zoeken bij de andere vrouwen had ook geen zin, want die verklikten haar. Als er geen werk meer was, verplaatste de bende de 'onderneming' naar een ander land. Na een jaar kwam Silda terecht in Brussel, en eventjes in Frankrijk, maar het werk leverde in beide landen te weinig op. In september 1999 arriveerde ze in Amsterdam. Op de tippelzone zou ze goed geld verdienen, verwachtten haar pooiers.

Familie-eer en bloedwraak

Het ruige noorden van Albanië, waar sommige dorpjes alleen te voet te bereiken zijn, werd lange tijd ongemoeid gelaten door Albanese vrouwenhandelaren. Het centrum van criminele activiteiten was van oudsher de zuidelijke stad Berat. In het noorden leeft de bevolking volgens de zogenoemde kanun, ongeschreven wetten en gewoonterecht waarin alles draait om familie-eer en bloedwraak. 'De vrouw is een zak om dingen in te dragen', luidt een van de regels. Volgens lokale traditie krijgt een verse bruidegom een kogel ingepakt in stro van de vader en broers van de bruid, voor het geval zijn vrouw overspel pleegt. Families en clans nemen het recht in eigen hand, op basis van de kanun.

Lange tijd vreesden de handelaren afrekeningen van vaders en broers. Daarom lieten ze de dochters en zussen uit het noorden met rust. De situatie veranderde met de massale emigratie in de jaren negentig. De bergdorpjes liepen langzaam leeg, op sommige plekken vertrok

90 procent van de mannen en jongens naar het buitenland om werk te vinden. De vrouwen en meisjes bleven onbeschermd achter. Een nieuwe markt werd aangeboord.

Stoppelbaarden

Op de terugweg van Grash naar Tirana zegt Albana: 'We krijgen nu te maken met de eerste slachtoffers uit het noorden die wij helpen bij hun terugkeer naar Albanië.' We rijden door het stadje Burrel. Op straat zijn alleen mannen te zien. Ze hebben harde, doorgewinterde gezichten en stoppelbaarden. 'Dit stadje is de uitvalsbasis van de handelaren. Hier heerst totale criminele anarchie. Politie en justitie zijn afwezig of medeplichtig. We kunnen nu ook beter even hard doorrijden', adviseert Albana. De chauffeur trapt op het gaspedaal. Alsof hij haar woorden kracht wil bijzetten, zwaait buiten op straat een man achteloos met een groot geweer. Hij stapt in een auto en rijdt weg.

De criminelen verhandelen ook vrouwen door de bergen naar Griekenland, Macedonië of Montenegro, of smokkelen ze via het vliegveld Rinas in Tirana het land uit. Maar hét vertrekpunt was lange tijd de zuidelijke kuststad Vlorë. Handelaren brachten vrouwen uit alle hoeken van het land naar de zuidkust om ze in een uurtje met speedboten naar de Italiaanse overkant te brengen. Urikum, een dorpje in de buurt van Vlorë, was de hot spot voor de speedboten met menselijke vracht.

De boten die aangemeerd liggen in Urikum, worden nu alleen nog gebruikt voor de visvangst. De Albanese, Italiaanse, Griekse en Joegoslavische politie en de Amerikaanse

fbi hebben in 2002 de operatie Pune (arbeid) doorgevoerd. Tientallen boten werden tegengehouden en geconÞsqueerd, honderden mensenhandelaren ensmokkelaars opgepakt. Sindsdien is, volgens politie en justitie, de handelsroute Vlorë-Italië opgedroogd.

Lange tijd hebben de Albanese autoriteiten ontkend dat het land kampte met een vrouwenhandelprobleem, zegt Simon Arapi, een iom-medewerker die in 2002 training gaf aan de Albanese politie. Nog steeds beweren sommige vertegenwoordigers van de overheid dat prostitutie en vrouwenhandel in Albanië niet voorkomen. De politie besteedde geen aandacht aan de vrouwenhandel en was er soms zelfs bij betrokken. Slachtoffers van vrouwenhandel doen daarom vaak geen aangifte van hun daders. Prostitutie was tot de val van het communisme in 1991 een onbespreekbaar onderwerp. De erfenis daarvan is dat prostitutie nog steeds strafbaar is, ook voor de prostituee zelf. 'Tijdens de politietraining hebben we gehamerd op het onderscheid tussen prostitutie en vrouwenhandel. De agenten zagen geen verschil en arresteerden ook slachtoffers van vrouwenhandel die terugkeerden', zegt Arapi.

Omdat er met handel in vrouwen enorme winsten worden gemaakt en de salarissen van de politie laag zijn, worden veel politiemensen medeplichtig aan de handel of kijken ze voor een zacht prijsje een andere kant op. Zo staat het hoofd van de politie in Vlorë terecht voor mensenhandel, en enkele maanden geleden werden 70 agenten ontslagen of vervolgd voor hun aandeel in deze criminele activiteiten.

Hoewel de toetreding tot de Europese Unie voor Albanië nog in de verre toekomst ligt, hebben dat vooruitzicht en de zware druk van de Verenigde Staten ertoe geleid dat de bestrijding van vrouwenhandel in Albanië de laatste jaren is opgevoerd. In 2001 werd een 'nationale strategie' opgesteld om mensenhandel tegen te gaan. De opsporing en vervolging van de daders moet worden geïntensiveerd en de opvang en reïntegratie van de slachtoffers verbeterd.

Sinds vorig jaar is het aantal mensenhandelzaken dat bij het Albanese openbaar ministerie terechtkomt, met 20 procent gestegen. De hoofdaanklager stelt in zijn jaarverslag dat dit te danken is aan actievere internationale en nationale politiekorpsen. 'Het belangrijkste aan de nationale strategie is dat de verschillende ministeries, nationale en internationale organisaties nu met elkaar overleggen en samenwerken', zegt Avni Jashallari, politiechef van de afdeling bestrijding mensenhandel van het nationale korps in Tirana. Maar een medewerker van de Organisatie voor Samenwerking en Veiligheid in Europa (ovse) die anoniem wil blijven nuanceert de positieve geluiden: 'De nationale strategie is een prachtige tekst, maar echt een dode letter. De winsten die worden gemaakt met mensen-, drugsen wapenhandel zijn zo buitenproportioneel groot dat het land niet zonder kan.'

Ballast overboord

De 25-jarige Eda kwam in 1999 als 'product' terecht op die lucratieve zwarte markt. Midden in de nacht stond ze op het strand van Urikum te wachten op een speedboot die haar en een lading drugs en wapens naar Italië zou brengen. Vanaf Vlorë werden niet alleen vrouwen tegen hun wil verhandeld, veel mensen betaalden willens en wetens grof geld voor de illegale oversteek naar het rijke westen. Als de boten te vol waren, werd menselijke ballast overboord gegooid.

Eda woonde in een dorpje in de buurt van de zuidelijke stad Berat. Toen ze veertien was, wachtte een man haar op een dag op langs de weg van school naar huis. 'Hij wilde met me trouwen', vertelt Eda in een opvangcentrum voor slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel in Antwerpen. Ze ziet er netjes en verzorgd uit en spreekt vloeiend Vlaams. Enkele dagen later bezocht de man haar ouders en legde het verzoek bij hen neer. 'Eda is te jong, zei mijn vader tegen hem, maar de man gaf niet op. Toen ik 17 was, ben ik met hem getrouwd.'

Op haar achttiende kreeg Eda een dochter. 'Door haar kreeg ik weer zin in het leven, ik moest er zijn voor haar.' Op een dag speelde haar dochtertje buiten terwijl Eda binnenshuis bezig was. Er werd aan de deur geklopt. Toen Eda opendeed, stond er een grote dikke man voor de deur. 'Het is strikt verboden een vreemde man in je huis te laten, dus ik hield de deur op een kier. De man vertelde me dat hij mij heel leuk vond. Ik zei hem dat ik getrouwd was en een kind had. Hij reageerde door te zeggen dat hij wist dat ik ongelukkig was met mijn man en mijn situatie.' Eda kapte het gesprek af en deed de deur dicht. Maar toen ze later weer naar haar dochtertje wilde kijken, stond de man er nog en hij duwde haar naar binnen en verkrachtte haar.

In haar omgeving kon Eda niet op veel sympathie rekenen. Zij werd genegeerd en de kinderen in de buurt speelden niet meer met haar dochter. 'Ik was bang voor mijn man. Als hij

erachter kwam wat er was gebeurd, dan zou hij me vermoorden.' Een paar weken later wachtte de binnendringer haar weer op met zijn broers en ze ontvoerden Eda in een auto. Ze woonde enkele maanden bij hem in huis. Hij vertelde haar dat ze naar België zouden gaan om geld te verdienen. Als ze protesteerde, trok de man een kast open die volgestouwd was met kalasjnikovs. Voordat ze naar de zuidkust reden voor de oversteek naar Italië, gingen de broers langs bij Eda's ouders om haar dochtertje op te halen. Haar ex-man bleek haar dochtertje te hebben meegenomen.

Eregasten

We zoeken Eda's ouders op in haar geboortedorp Vërtop. Ze ontvangen ons als eregasten in hun eethuisje, dat gebouwd is op het hoogste punt van het dorp en een prachtig uitzicht heeft over het dal en de bergen. In de kleine

rokerige ruimte vallen zonnestralen door het raam naar binnen op een verliefd stelletje hun handen ineengestrengeld, afgesloten van de buitenwereld. 'Je bent mijn dochter niet meer, heb ik tegen haar gezegd', vertelt haar vader Agim. Haar ouders dachten dat Eda een relatie had met de man die ze bij zich had.

Vijf jaar hebben ze Eda niet gezien, slechts af en toe een telefoongesprek. Maar nu zijn ze vergevingsgezind en we moeten hun woorden overbrengen aan Eda. Eda's moeder Silva serveert karbonades en aardappels. 'Eda scheidde van haar eerste man, dat is een grote schande voor onze familie', zegt Agim. 'Iedereen van het dorp praat en roddelt erover. Wij zijn een goede familie, we hadden nooit problemen.'

Kan Eda terugkeren naar haar familie? 'Natuurlijk willen wij onze dochter terug, maar het kan niet', zegt haar moeder. 'Het is te gevaarlijk voor haar en voor ons. Ze heeft hier twee grote problemen: de twee mannen waar ze mee in contact is geweest. Als de eerste hoort dat ze hier weer is, dan zal hij wraak nemen.' De tweede man, de mensenhandelaar, belandde vorig jaar in Berat in de gevangenis voor moord. 'Toen ik laatst in Berat was, zeiden een paar mannen tegen me: we zullen jou en je familie vermoorden als je je hier nog eens vertoont', vertelt Silva. Dat dat geen loze dreigementen zijn, weet ook hun zoontje. Hij wordt op weg naar school regelmatig lastig gevallen en bedreigd.

Na het eten loopt Agim door het dorp naar zijn huis. Er zijn geen verharde wegen, het dorp zakt weg in de modder. Op de erven van de huizen en hutjes kraait een haan of graast een koe. De tijd staat hier stil. 'Iedereen kende de reputatie van de tweede man van Eda, hij stond bekend als een van de grote criminelen van Berat. Ik was bezorgd toen ze met hem meeging.'

Agim wijst op de boomgaarden in het dal. Het felle zonlicht en de strakblauwe lucht doen denken aan een ansichtkaart. 'Dit is de plek waar Eda 's zomers meehielp met appels plukken.' Een hoogbejaarde vrouw verschijnt op de patio van het huis. Ze heeft een zwarte hoofddoek om. Uit de felblauwe ogen in haar gerimpelde gezicht rollen dikke tranen als de naam van haar kleindochter valt. Eenmaal in het huis moet er weer gegeten en gedronken worden. Verlegen verschijnen Eda's jongere broer en zus in de deuropening. Agim laat foto's zien van Eda toen ze achttien was. Met een kinderlijk serieuze blik kijkt ze de lens in. 'Ik ben niet meer kwaad op Eda en zie haar wel weer als mijn dochter', vertelt haar vader. 'We zijn erg bezorgd over haar.'

Tennisbaan

Via Italië en Frankrijk kwam Eda in 1999 in België terecht. Ze werd gedwongen te werken in bars, restaurants en als schoonmaakster. Ze kreeg geen salaris en ze moest vaak meer dan twaalf uur op een dag werken. Op een tennisbaan waar zij schoonmaakte ontmoette ze het echtpaar Van Santen. Er ontstond een vriendschap en ze kwamen er achter wat er met Eda was gebeurd. 'Haar handen waren rood en bloedden door het harde werken. Ze zag er heel slecht uit. De mannen werkten niet, dus je zag en voelde dat er iets niet in de haak was', zegt meneer Van Santen. Het echtpaar nam Eda in huis. 'De eerste paar maanden bleef ze in huis, de enkele keer dat ze buiten kwam nam ik haar mee in de kofferbak van de auto. We waren doodsbang', vertelt mevrouw Van Santen. Toen Eda haar handelaar bij de politie had aangegeven, voelden zij zich nog kwetsbaarder. De handelaar zat nog steeds in het Belgische dorpje. 'We hebben een kogelvrije deur in ons appartement geplaatst.'

Sinds haar handelaar is opgepakt voor moord en gevangengezet in Berat, voelt Eda zich wat veiliger in haar nieuwe woonplaats. Ze volgt een opleiding en woont op kamers. Af en toe vertaalt ze voor de politie. Volgens de Belgische wet mag ze werken. Eda heeft in België betere toekomstmogelijkheden dan in Albanië, maar ze kan haar thuisland niet vergeten. 'Mijn dochtertje zit nog in Albanië, zij woont bij mijn ex-man. Ik kan haar niet bezoeken, hij vermoordt me als hij mij of mijn familieleden ziet. Ik mis haar enorm.' Eda heeft haar dochter al vijf jaar niet gezien. Ze heeft de eer van haar vroegere schoonfamilie geschonden.

De grootste lacune in de Albanese wetgeving en praktijk is het ontbreken van enige bescherming voor verhandelde vrouwen. Als ze terugkeren naar hun land, zijn ze vogelvrij. Als ze aangifte doen en getuigen tegen hun daders, lopen ze nog grotere gevaren. 'De getuigenverklaringen van de vrouwen zijn de belangrijkste bron van bewijs in een rechtszaak. We kunnen namelijk geen gebruik maken van geavanceerde opsporingsmethoden, daar is geen geld voor', zegt Ardi Visha, openbaar aanklager in Tirana. Maar veel vrouwen trekken vaak uit angst hun verklaring weer in, als ze überhaupt al aangifte doen en met politie en justitie

samenwerken.

Triades

De macht en middelen van de Albanese mafÞa overtreffen die van de Albanese staat. De snelheid waarmee de Albanese triades zich een

dominante positie in het criminele circuit in West-Europa hebben verworven, is verbluffend. In steden als Hamburg, Amsterdam en Londen hebben ze vaak meer dan de helft van de illegale prostitutiemarkt in handen.

'Na de ineenstorting van het communistische regime in 1991 kwam het Albanese volk in een soort collectieve psychose terecht', zegt Majlinda Bregu, journalist en docent sociologie aan de universiteit van Tirana. 'Hoxha en zijn opvolgers hadden alle banden met andere staten afgesneden. Het volk wist niks over de wereld, we leefden op een eilandje en dachten dat we het mooiste land op aarde hadden. Maar na de omwenteling bevond Albanië zich onderaan de ladder in de wereld en stelde eigenlijk weinig voor. Iedereen wilde het land uit. Hoe nieuwer de Mercedes, hoe machtiger en dus crimineler de bezitter. De Albanese mafÞa ontdekte dat je met handel in vrouwen, drugs en wapens snel geld en dus aanzien verkreeg.'

De ineenstorting van de piramidale spaarschema's in 1997, die talloze burgers zwaar dupeerden, deed de rest. De economie was verwoest, er volgde een volksopstand. Woedende Albanezen plunderden wapendepots en het land was maandenlang overgeleverd aan totale anarchie. Het was de perfecte voedingsbodem voor de Albanese en buitenlandse criminele netwerken. De kneepjes van het vak leerden ze van de Italiaanse mafÞa, die belang had bij Albanië als bronen doorvoerland van wapens, vrouwen en drugs. Ze kregen weinig weerstand van de autoriteiten.

Bij Interpol en Europol staat de Albanese mafÞa bekend als een van de wreedste criminele netwerken ter wereld. Ze schuwen geen enkel middel, hakken ledematen af, dienen elektroshocks toe, ontvoeren, verkrachten en martelen. Waarom excelleren de Albanese criminelen in wreedheid? 'Met die methodes dwongen ze respect en aanzien af bij bijvoor beeld de Russische en Chinese mafÞa. Een andere oorzaak is te vinden in de traditionele en conservatieve maatschappij. De aanpak van huiselijk geweld wordt bijvoorbeeld niet gezien als een verantwoordelijkheid van de staat', zegt Bregu. 'Zwangere vrouwen krijgen een zoon toegewenst en een ongetrouwde vrouw ouder dan twintig is een bron van schaamte.'

Roma-meisje

Het eerste wat de moeder van Moza, een Roma-meisje, zegt over haar dochter is dan ook dat ze hoopt dat ze nog een man kan vinden om mee te trouwen, na wat er met haar is gebeurd. Trouwen is de enige uitweg uit het harde en uitzichtloze bestaan. Moza werd vijf jaar geleden door een groep mannen ontvoerd. Ze leefde in Tirana op straat met haar moeder en overleefde door te bedelen. De bende nam haar mee naar Venlo, waar ze gedwongen werd te werken als prostituee. Een jaar geleden keerde ze, met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie, terug naar haar thuisland. Moza wist niet waar haar moeder en zus zich op dat moment bevonden. Ze woonde en werkte een tijd in Tirana, in een reïntegratieproject van de iom. Na verloop van tijd spoorde haar moeder haar op. Onlangs trok Moza weer in bij haar

familie in een Roma-wijk van het stadje Fier in centraal Albanië. De familie staat op het punt te vertrekken naar Griekenland.

De Roma-wijk in Fier ligt achter een industrieterrein en is alleen per voet bereikbaar. Een groepje kinderen treedt op als onze gids. Achter de spoorwegen ligt een modderig pad dat naar de wijk leidt. Als we tot onze enkels wegzakken in de smurrie, lachen onze gidsen ons uit. De kinderen dragen kleurige en gescheurde kleren, het haar is een dikke, klitterige plak. Bij de ingang van de wijk zit een man op een krukje. Hij bekijkt nieuwkomers met dreigende blik, zijn gouden tanden schitteren even in de zon. Hij lijkt zo te zijn weggelopen uit een b-Þlm. Tussen zijn benen balanceert een groot geweer, zijn hand ligt losjes op de trekker.

Moza woont in een huisje van wit kalksteen met een golfplaten dak. Het slechtverlichte hutje stroomt snel vol, haar moeder, oma, zus en baby en haar zwager komen erbij zitten en enkele buren druppelen nieuwsgierig binnen. Moza lacht zenuwachtig en stelt iedereen voor. Haar moeder zit op de grond, met een grote zwarte rok over haar knieën getrokken. Ze mist een paar voortanden. Er valt een vaal licht door de foezelige gordijnen. In deze buurt is er misschien twee uur per dag elektriciteit en stromend water.

Hoewel er een Albanese tolk bij is, staat Moza er op haar verhaal in gebrekkig Engels te vertellen. 'Ik kan je niet vertellen hoe oud ik precies ben', antwoordt ze op de vraag naar haar leeftijd. 'Ik ben op straat geboren en mijn moeder heeft me nooit geregistreerd. Ik besta niet echt in Albanië.' Moza probeert uit te leggen wat er gebeurde toen ze in Tirana werd ontvoerd door een groep mannen. De precieze toedracht wordt niet helemaal duidelijk. Ze mompelt iets over twintig, dertig mannen, een pistool en haar moeder. 'Ik praat niet graag over het verleden', zegt ze verontschuldigend en ze lacht hard en nerveus.

In de escort

In Venlo werkte ze een paar jaar in een club. Haar Albanese pooier pakte bijna al haar geld af. Toen ze na een ruzie een dag vrij nam en

's avonds weer terugkeerde naar de club, vertelde de baas dat ze mazzel had gehad. De pooier was naar haar op zoek geweest en had de club met een groepje Albanezen bezocht. Hij zei tegen de eigenaar dat ze haar wilden vermoorden. Moza dook onder in Venlo en werkte nog een tijd voor zichzelf in de escort om rond te komen. Uiteindelijk pakte de politie haar tijdens een controle op en vertelde haar dat ze terug moest naar haar land. In Albanië haalde Albana van de iom haar op van het vliegveld en bracht haar naar een opvanghuis voor slachtoffers van vrouwenhandel, net buiten de stad. Moza kwam te werken in een schoenenfabriek voor Italiaanse schoenen. Langzaam wende ze aan een regulier leven.

'Opeens verscheen haar moeder ten tonele. Ik was erbij toen ze elkaar voor het eerst zagen. Het was een grote scheldpartij. Maar uiteindelijk is Moza toch met haar meegegaan', vertelt Albana. Dat Moza en haar familie binnenkort verder trekken naar Griekenland, baart haar ernstige zorgen. 'Hoe gaan zij de grens over? Niemand van hen heeft een paspoort. Er is een grote kans dat ze in handen van handelaren of smokkelaars vallen. Haar moeder werkte als straatprostituee toen Moza werd ontvoerd. Wij hebben sterke vermoedens dat ze haar dochter heeft verkocht aan handelaren.'

In de schoenfabriek herinnert men zich Moza nog goed. 'Moza? Ja, die kennen we wel, zij werkte hard en was altijd vrolijk', vertelt een van de vloermanagers in de drukke fabriek. Het ritmisch mechanisch gestamp van de machines overstemt haar woorden. Sinds kort werken via de iom ongeveer tien slachtoffers van vrouwenhandel in de fabriek. Ze verdienen ongeveer vijftig dollar per maand, net als de andere werknemers. Ongeveer honderd vrouwen naaien schoenstukken en perforeren zolen aan de lopende band.

Toen ze net terug was uit Nederland, leek het bergopwaarts te gaan met Moza, vertelt Albana. Ze kreeg via de iom de felbegeerde registratie als bewoner van de hoofdstad en ze kon meteen aan de slag in de fabriek. 'Het is triest dat ze zich nu in een situatie bevindt waarin ze weer erg kwetsbaar is voor handelspraktijken. Maar wat kunnen wij doen?', vraagt Albana zich hardop af. 'We kunnen haar nergens toe dwingen.' De iom-medewerkers hebben niets meer van Moza gehoord.

Ernstig bedreigd

Vrouwen verdwijnen niet alleen, een groot probleem is ook de bedreiging van vrouwen die zijn teruggekeerd. In 2002 hebben internationale organisaties met de Albanese overheid een zogenoemd relocation scheme opgesteld voor situaties waarin bedreigingen escaleerden. In mei van dat jaar werd een vrouw zeer ernstig bedreigd, nadat haar aangifte en getuigenverklaring leidden tot de arrestatie en veroordeling van een crimineel netwerk. De handlangers van de criminelen wisten haar en haar kind overal te vinden, ze klopten aan bij elk opvanghuis in het land en bedreigden haar en haar familie met de dood.

'Ik was geschokt dat er geen mechanisme

of regeling bestond om in deze gevallen in te grijpen', vertelt Lara Calas, de Amerikaanse projectleider van het departement voor mensenrechten van de ovse in Tirana. 'Wij hebben in samenwerking met de Amerikaanse ambassade, internationale organisaties en de Albanese justitiële autoriteiten deze vrouw zo snel mogelijk het land uit geholpen. In Albanië kreeg ze geen enkele getuigenbescherming.' Na lang aandringen was een West-Europese ambassade bereid de vrouw een verblijfsvergunning op humanitaire gronden te verstrekken. De vrouw vertrok met haar kind, in het grootste geheim. Sindsdien zijn er vijf andere vrouwen op dezelfde wijze vertrokken. 'Een

ad hoc regeling is niet genoeg. We zoeken naar mogelijkheden om vrouwen in levensbedreigende situaties sneller en vaker het land uit te krijgen', zegt Calas, maar ze denkt niet dat het ook echt gaat lukken. 'De ontvangende West-Europese landen zien vrouwenhandel toch als een probleem van illegale immigratie en zijn daardoor erg huiverig om al te vlot permanente verblijfsvergunningen toe te kennen.'

Geen verblijfsvergunning

Silda keerde met haar zoontje eind januari uit Eindhoven terug naar haar thuisland. Op het vliegveld wachtte Albana haar op en bracht haar naar het opvanghuis van de iom. Hoewel ze in Albanië een legaal bestaan op kan bouwen, naar school kan gaan en kan werken, vertelde ze in Eindhoven dat ze erg bang was voor haar handelaren. Ze zag op tegen de terugkeer naar haar vaderland. 'Ze weten me te vinden.'

Maar ook in Nederland kreeg ze geen bescherming tegen de dreiging van de criminelen. Nadat ze twee jaar op de tippelzone had gewerkt, wist ze in mei 2001 te ontsnappen. Ze deed bij de Amsterdamse politie aangifte van vrouwenhandel. 'Ze classificeerden het als een valse aangifte, omdat ik niet had verteld dat ik een periode in Utrecht had gewerkt. Ik kreeg hierdoor geen verblijfsvergunning en dus ook geen steun of bescherming van de staat', vertelt Silda. Omdat een illegaal bestaan haar onmogelijk leek, besloot Silda terug te keren met hulp van het samenwerkingsproject blinn (Bonded Labour in Nederland) van Novib en Humanitas.

Vlak voor haar vertrek stonden er opeens Amsterdamse rechercheurs op de stoep van het opvanghuis. 'Ze lieten me foto's zien. Zijn dit je handelaren? vroegen ze me.' De Amsterdamse politie had in december vorig jaar een groot Albanees crimineel netwerk opgerold, 131 verdachten werden gearresteerd. Tijdens een huiszoeking werden naam en foto's van Silda gevonden. 'In ruil voor een verblijfsvergunning wilden de rechercheurs mijn aangifte gebruiken bij de opsporing en vervolging van de daders.' Hoewel haar een tijdelijke verblijfsvergunning in het vooruitzicht werd gesteld, sloeg Silda het aanbod af. Op grond van de Nederlandse wet moet de vrouw terugkeren naar haar herkomstland als de daders onherroepelijk zijn veroordeeld. Als bekend zou worden dat ze had getuigd tegen de criminelen, zou Silda bij terugkomst groot gevaar lopen.

Silda is nu ongeveer drie maanden terug in Albanië en woont in een opvanghuis in Tirana. Ze komt de deur niet uit. Ik bel haar vanuit Nederland: 'Laatst ging ik naar de dokter en ik zag een paar vrienden van de handelaren op een straathoek staan. Ik durf niet naar buiten.' In een andere stad gaan wonen is geen optie. 'Albanië is klein, ze weten me te vinden.'

De namen van de vrouwen en hulpverleners zijn gefingeerd. Uit veiligheidsoverwegingen zijn de plaatsnamen in Silda's verhaal veranderd.

Ruth Hopkins is internationaal jurist en werkt als freelance journalist en onderzoeker. In mei van dit jaar publiceerde zij het rapport Research based on case studies of victims of trafficking in human beings in 3 EU member states. Het rapport is aangeboden aan de Europese Commissie.

Caro Bonink is freelance fotograaf.