Een enkeltje derde klas Basra-Bagdad

Dampend staat de trein al te wachten. Een gloednieuwe Chinese diesellocomotief met daarachter tot op de draad versleten wagons van Franse makelij. Het is even na achten in de ochtend als we arriveren op het station van Basra. Snel kopen we enkeltjes derde klas naar Bagdad bij een loket met stalen tralies, als bij een gevangenis. Daarachter zitten enkele halfgesluierde dames aan een houten tafeltje met slechts een bonnenboekje voor zich en een stapeltje bankbiljetten. De prijs is, ook voor arme Irakezen, te overzien: 1.000 dinar, amper een halve euro voor een afstand van bijna 600 kilometer. De reis is aanzienlijk langzamer, maar goedkoper dan die met de auto.

,,Goede reis'', zegt de dienstdoende stationschef. Zo'n wens is in Irak geen loze kreet. Het is immers allerminst zeker dat je je reisdoel zult bereiken, want al te vaak stranden treinen. Ook moet je maar hopen dat er onderweg geen gewapende overvallers opduiken en dat baldadige kinderen geen steen door je raam gooien. Toch nemen elke dag enige honderden mensen de trein naar de Iraakse hoofdstad en vice versa sinds de Amerikanen en de Britten de spoorverbinding tussen de twee grootste steden van Irak in mei weer openden. Althans, die van de dagtreinen, want de nachttreinen rijden nog niet.

Om 9.10 uur zet de trein zich langzaam in beweging. Na een paar stoffige dadelpalmen en een hoop armoedige huisjes van het verpauperde Basra rijden we de kale, platte woestijn in. Het duurt niet lang of we bereiken het eerste stationnetje, van Shuaibe, een plaatsje met een grote roestige raffinaderij en een elektriciteitscentrale. De Britten zijn al maanden bezig beide weer aan de praat te krijgen. Als beide installaties werken, is een groot deel van de acute problemen met de energievoorziening in Basra opgelost.

Onze vuile wagon is inmiddels aardig gevuld geraakt. Jongens in sjofele kleren venten luidkeels met verkoelende dranken en rieten waaiers tegen de snel toenemende hitte in de trein. De ramen kunnen namelijk niet open en de airconditioning, die er in betere dagen was, doet het niet meer. Het zweet loopt de mensen in straaltjes van het gezicht.

Het meeste van onze armoedig ogende medepassagiers blijken in dit stadium van de reis te bestaan uit zogeheten Moeras-Arabieren, een bevolkingsgroep die eeuwenlang een idyllisch bestaan leidde in de uitgestrekte moerasgebieden ten noorden van Basra. Tot Saddam Hussein ten tonele verscheen en bevel gaf de gebieden grotendeels droog te leggen. Het land zou dan geschikt zijn voor landbouw. De werkelijke reden, zo wordt algemeen aangenomen, was tegenstanders die de moerassen waren ingevlucht, hun schuilplaats te ontnemen.

,,Ons dorpje was vroeger omgeven door de moerassen'', zegt Raheem Mukhtu, een magere man in een traditioneel lang gewaad. ,,Maar nu is het allemaal gortdroog. Ik moet nu ver weg naar de rivier om te vissen en onze vrouwen moeten ver lopen om water te halen.'' Hij heeft net zijn armzalige vangst van 2,5 kilo vis in Basra verkocht. Andere bronnen van inkomsten heeft hij niet.

Dan bereiken we een naargeestig dorpje met wat bouwvallige grijze bakstenen huisjes in de woestijn zonder ook maar een sprietje groen. Mukthu neemt afscheid. Hier woont hij met vrouw en kind. In de verte wandelt een groepje vrouwen door de zandvlakte, de potten met water torsen zij op het hoofd.

Voorbij de stad Nassiriya – we zijn dan al een dikke drie uur onderweg – krijgen we van medepassagiers druiven aangeboden en zuurtjes met moerbeismaak. De tongen komen steeds meer los. De gesprekken gaan over de chaotische situatie waarin hun land sinds de val van Saddam Hussein is terechtgekomen. ,,Het was veel beter in de tijd van Saddam Hussein'', roept een wat verwilderd ogende jonge man met een baard. Hij is al tijden werkloos, vertelt hij. ,,Onder Saddam was er ten minste veiligheid en was het leven niet zo duur.''

Zijn uitlatingen komen de man op een emotionele reprimande te staan van Suad Mohammed, een van top tot teen in het zwart gehulde dame van middelbare leeftijd uit Shuaibe. Met haar volwassen dochter, ook helemaal in traditioneel zwart gestoken, is ze op weg naar een herdenkingsplechtigheid voor een familielid die in Saddams oorlog tegen Iran sneuvelde. ,,Saddam heeft wel zes miljoen mensen doodgemaakt'', zegt ze druk gesticulerend. ,,Als hij meer tijd had gehad, had hij de hele bevolking van kant gemaakt. Het is juist een enorme opluchting dat hij weg is.''

,,Hebben jullie het al gehoord'', roept een man in een overall, die als technicus in de trein werkt, ,,ze hebben twaalf fedayeen (militieleden van Saddam) opgepakt en ook een aantal Wahabi's (sunnitische fundamentalisten) in verband met de aanslag op ayatollah Baqer al-Hakim.'' Waarna er een geanimeerde discussie volgt over de mogelijke daders, zonder duidelijke conclusies. Velen houden het erop dat het de schuld is van radicale sunnitische moslims, die vanuit het buitenland infiltreren in Irak.

Na een kleine vijf uur rijden we het station van Samawah binnen, de hoofdplaats van de provincie Muthanna waar ruim 1100 Nederlandse militairen nu de veiligheid proberen te garanderen. Op het station is echter in de verste verte geen Nederlandse soldaat te bekennen. In Samawah moeten we wachten op de tegemoetkomende trein uit Bagdad, want er ligt slechts enkel spoor op het grootste deel van het traject. Bij het strekken van de benen op het perron word ik door de machinist van de pas vorig jaar geleverde Chinese locomotief uitgenodigd binnen te komen. Het is heerlijk koel in zijn kleine cabine, de enige koele ruimte in de hele trein. ,,Ik ben een Koerd'', verklaart de man meteen na de begroeting ongevraagd. Nog een seconde later drukt hij me trots zijn lidmaatschapskaart van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) van Jalal Talabani in handen. ,,Talabani very good man'', zegt hij, terwijl zijn twee zoontjes die ook meereizen bewonderend naar hun vader kijken.

Na een uur of zes zitten we midden in het oude Mesopotamië, het land tussen de Eufraat en de Tigris. Vruchtbare velden, ontelbare dadelpalmen en schilderachtige dorpjes met lemen huizen, vrolijke kindertjes en loom kijkende ezels en buffels trekken aan ons voorbij. Ook de passagiers zelf worden steeds

lomer, omdat de zon onbarmhartig naar binnen schijnt. De temperatuur in de wagon is tot naar schatting tegen de 50 graden Celsius gestegen.

Op het station van het plaatsje Mahawil, ruim een uur ten zuiden van Bagdad, is er plotseling een kleine crisis. Komt er misschien toch nog een andere trein uit de andere richting ons op het enkele spoor tegemoet? Niemand die het met zekerheid weet. De machinist, de stationschef en andere spoorwegbeambten hebben geen enkele communicatie met elkaar, doordat alle oude verbindingen kapot zijn. Sommige mensen besluiten dan maar met een taxi naar Bagdad verder te reizen. Net als wij ook overwegen de treinreis voortijdig af te breken, toetert onze Koerd en komt de trein weer in beweging. Hoe hij nu wel zeker weet dat het veilig is, blijft onduidelijk.

De schemering is allang gevallen als we de uitgestrekte voorsteden van de Iraakse hoofdstad binnenrijden. Ook in de wagons heerst algehele duisternis, want de tl-buizen zijn gestolen, zegt het treinpersoneel verontschuldigend. Rond 20.30 uur denderen we eindelijk het monumentale, nog door de Britten gebouwde station van Bagdad binnen. Het is daar ook aardedonker. Bij het licht van de schijnwerpers van de locomotief zoeken de nog overgebleven passagiers, onder begeleiding van een man met een pistool, een weg naar de uitgang. Daar vinden we een taxichauffeur, die bereid is ons naar een hotel een paar kilometer verderop te rijden. Voor 5.000 dinar, vijf keer zoveel als het kaartje voor de 600 kilometer lange treinreis. ,,Dat is de gevarentoeslag voor Bagdad'', zegt de chauffeur met een grijns en geeft vol gas.