Dichters betoverend tot leven gewekt

Wat is poëzie toch eenzelvig, denk je op een gegeven moment, kijkend naar de vierde `Televisienacht van de poëzie', de vierde verzameling van een jaargang `Dode dichters almanak'.

Al die dichters die meestal vooral naar het boek in hun handen kijken en dan in altijd wat eigenaardige, soms zeer versleutelde taal iets uitbrengen waarvan je je afvraagt of ze echt willen dat wij het horen. Zeker op filmpjes ziet zo'n dichter er vaak zo alleen en oncommunicatief uit, zelfs als er publiek bij is. Autarkisch kun je zeggen. Een peer op eigen sap, denk ik vaak. Vreemd genoeg is het toch betoverend.

Deze aflevering - de traditie wordt gelukkig voortgezet - laat zowel bekende gezichten zien als enkele nieuwe. Nieuw is, helaas, de dichter C.O. Jellema die afgelopen voorjaar is gestorven, maar die hier weer te zien en te horen is bij de 4 mei-bijeenkomst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Het gedicht dat hij leest is gericht tegen het gedicht zelf, het gedicht wordt geschreven en toegesproken en overdacht tegelijk. Het gedicht verzwijgt zoveel, vindt de dichter, het heeft het over zoveel dingen, zoveel ellende niet – maar in dit geval, aangezien die dingen genoemd worden, praat het gedicht wel degelijk over de ellende. Uiteindelijk blijkt het gedicht iets te kunnen wat niemand meer voor mogelijk had gehouden, het leidt ons `naar grazige weiden, naar wateren der rust'. Nieuw is ook de Poolse dichter Zbigniew Herbert, al in 1998 overleden. Hij leest een gedicht voor, waarin Fortinbras de dode prins Hamlet toespreekt en hem naar het rijk der literatuur verwijst. Fortinbras wachten echte taken ,,en dat water die woorden wat kunnen ze prins wat kunnen ze''.

Er zijn meer nog-niet-zo-erg doden: Adriaan Morriën (die meteen maar liefst vijf keer op de band verschijnt), Lennaert Nijgh, Gust Gils, Eddy van Vliet, Douwe Tamminga. En er zijn oude bekenden van deze serie, zoals bijvoorbeeld Paul Celan, die altijd in dezelfde houding op een stoeltje zittend met een vreemde emotieloze, bijna computergestuurde stem tamelijk langzaam en tamelijk koel zijn gedichten voorleest.

Deze keer leest hij ook zijn Todesfuge en bij uitzondering zien we niet de lezende dichter maar foto's van mensen met verschrikte, bange, van verdriet vertrokken gezichten terwijl je almaar die bezwerende zang hoort van de dichter die op een droge manier bijna zingt: ,,Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends/ wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts/ wir trinken und trinken''. Er bestaat geen erger gedicht.

De 4de televisienacht van de Poëzie, Ned 3, zondag 0.55-02.30u.