Denk eens aan een hazelmuis

Als je na je dood als dier mocht terugkeren op aarde, welk dier zou je dan willen zijn?

Zeg nu niet direct leeuw of paard of arend, want dat zegt iedereen al en er zijn zoveel andere mogelijkheden. Waarom niet iets kleins, waarom geen hazelmuis? Toegegeven, je bent als hazelmuis nog steeds niet erg machtig of viriel, en je kunt nog steeds niet vliegen, maar je zou wel erg áárdig zijn. De hazelmuis is het leukste dier van Nederland.

Normaal kom je muizen in de natuur bij toeval tegen – je ziet iets wegroetsjen in de buurt van je schoenen en dat was er dan eentje. De hazelmuis echter heeft een duidelijke verblijfplaats. Je kunt hem bezoeken. Bij beleefd aanbellen verschijnt hij in de voordeur. Hij kijkt je, zo klein als hij is, met zijn grote fluwelen slaapogen recht in je gezicht en wacht af. 0f je soms een boodschap hebt.

In de jaren '30 van de vorige eeuw werden ze nog waargenomen bij Vlodrop en in de omgeving van Beek-Ubbergen. Toen was hun leefgebied al ernstig versnipperd, maar ooit moet het een geheel zijn geweest, ooit moet dit hele zuiden, van de Vaalserberg tot het Rijk van Nijmegen, een aaneengesloten hazelmuizenbiotoop hebben gevormd, één geweldige reep bos (met open plekken). Nu reikt hun areaal nog maar net tot binnen onze landsgrenzen.

Voor hazelmuizen moet je naar Epen. Frisse wind, blauwe lucht, stapelwolken, goddelijk landschap: de Geul in het midden, klimmende weilanden aan weerszijden en met schuimend bos bedekte heuvelkammen aan de buitenkant. Het bronsgroen eikenhout toont tekenen van vermoeidheid, neigt naar een vroege herfst. Hazelmuizen zijn nogal gevoelig voor weersinvloeden. Ludy Verheggen: ,,Ze zitten precies daar waar deze hellingen het warmst en het natst zijn.''

Dit betekent niet dat ze bij een verdere opwarming en vernatting van het klimaat weer onbelemmerd kunnen oprukken naar het noorden. Aan het landschap stellen ze ook hun eisen. Ludy Verheggen opnieuw: ,,We hebben in Zuid-Limburg 170 kilometer bosrand en daarvan is 35 procent geschikt voor de hazelmuis, en veel van die stukken liggen totaal van elkaar geïsoleerd.''

Hij is coördinator soortenbescherming van de Stichting IKL (Instandhouding Kleine Landschapselementen) in Roermond.

Hazelmuizen gaan in november in winterslaap. Ze betrekken dan praktisch onvindbare nestjes op de grond. Net als overwinterende vleermuizen zijn ze in deze periode afhankelijk van een hoge luchtvochtigheid. Vandaar hun voorkeur voor löss- en leembodems.

Harde winters bekomen hun beter dan zachte. In zachte winters schijnen ze herhaaldelijk wakker te worden en dat kost energie, terwijl er toch nog niets te eten is. Pas in april kunnen ze werkelijk actief worden.

Daarna raken ze de grond nauwelijks meer aan. Behendig als aapjes. Met piepkleine vingers en tenen klauteren ze van struik naar struik, van boom naar boom. In het voorjaar eten ze knoppen, jonge twijgen en ontluikend blad, in de zomer ook insecten en insectenlarven, en in het najaar vooral hazelnoten en zachte vruchten. Vandaar hun voorkeur voor hazelaar, braam, sleedoorn en hondsroos.

In de nazomer is hun tafel het rijkst gedekt. Eind augustus beginnen ze hun voortplantingsnesten te bouwen, liefst in braam of hulst, in ieder geval in dicht struweel. Begin september komen de jongen, meestal vier stuks, meestal maar één worp.

In 2001 werd een grote inventarisatie van de hazelmuizenstand gedaan. Toevallig was dat een rampjaar. Veel storm en slagregens in september. In totaal werden, verspreid over 26 deelpopulaties, 237 nesten gevonden.

Vorig jaar was het aanzienlijk beter: zo'n 550 nesten, een totale (Nederlandse) populatie van pakweg 300 dieren.

Links en rechts van Epen zitten betrekkelijk stabiele en gezonde populaties, de overige dieren leven verdeeld over allerlei snippers bos of houtwallen; iedere afzonderlijke hazelmuis heeft natuurlijk maar een beperkte actieradius. Op de rode lijst staan hazelmuizen onder `gevoelig', terwijl dat `bedreigd' zou moeten zijn. Voor 2003 was een soortbeschermingsplan toegezegd, maar dat moet van het ministerie van LNV komen en daar is geen geld meer; er is nog niet eens een begin mee gemaakt.

Ludy Verheggen: ,,We hebben wel gesuggereerd om kwijnende populaties te versterken met elders weggevangen dieren. Maar uiteindelijk is ervoor gekozen om eerst hun leefgebieden maar eens te verbeteren en met elkaar te verbinden. Hopelijk grijpen ze zelf hun kans. Te laat is het waarschijnlijk nog niet, de hazelmuis is er nog niet zo beroerd aan toe als de korenwolf, nog niet uitgestorven zoals de bever of de otter.''

Kijk eens aan: te laat is het nog niet. Met het dier zelf hoeft nog niet gerommeld te worden. Maar zijn leefgebied behoeft dringend verbetering. Mantel- en zoomvegetaties in de bosrand zijn op grote schaal opgeruimd of aangetast.

Hazelmuizen wonen precies daar waar je zelf zou willen wonen, op de overgang van droog naar nat, hier in het heuvelland valt die samen met de overgang van bos naar weiland. Dus met

Ludy Verheggen langs de rand van de Elzetterbos.

,,Het weiland is van Natuurmonumenten'', zegt hij, ,,het bos is van Staatsbosbeheer en die afrastering hebben wij er neergezet.''

Die afrastering is om het vee buiten het struweel te houden. Noem het een voorwaartse verdediging. Achterwaarts kan ook. Dan kap je het bos zo'n tien tot twintig meter terug, zodat het struweel weer zon krijgt en kan uitbotten. Dat zien we later, aan de rand van het Vijlenerbos, pal langs de drukke asfaltweg naar Vaals.

Verkeersslachtoffers? ,,Ze komen niet op de grond!'' 0 ja, dat wisten we al.

Ludy Verheggen: ,,In totaal hebben we nu zo'n 5 kilometer raster geplaatst en 10 kilometer bos teruggezet, grotendeels met geld van de provincie Limburg.''

Hij praat. Hij zoekt. De voortplantingsnesten van hazelmuizen, bolletjes van vergeeld gras, ze lijken nogal op het nest van staartmees of winterkoninkje, zitten aan de zonzijde, doorgaans op ooghoogte. Als je ze eenmaal gevonden hebt, zijn ze opvallend genoeg.

Hij zoekt. Hij loopt. Je doet ongeveer een uur over 200 meter. En lang niet alle nestjes zijn in gebruik. Zijn ze wél in gebruik, dan is de betrokken hazelmuis ook thuis. Het zijn nachtdieren, overdag slapen ze.

Trek je nu zachtjes aan een van de takjes waaraan het nest bevestigd is of tik je zachtjes met een stok tegen het nest zelf, dan komt het dier te voorschijn. Heb je pech, dan glipt hij onmiddellijk weg, heb je geluk dan gaat hij een beetje om zich heen zitten kijken. Oranjebruin bontjasje, wit buikje, nieuwsgierig neusje en over de ogen hebben we het al gehad, die zijn prachtig.

Heb je nog meer geluk, dan kun je je wijsvinger voorzichtig in de opening steken en dan voel je drie, vier warme knikkertjes met een hartslag. De jongen hebben twee maanden de tijd om op te groeien tot hazelmuizen die groot genoeg zijn om in winterslaap te gaan.

Met de hazelmuis kies je voor de bosrand, het heuvelland, een oud cultuurlandschap, met de hazelmuis kies je voor een zekere argeloosheid, een bescheiden bestaan, een leven zonder kwaad. Daar is toch veel voor te zeggen. Maar als we allemáál als hazelmuis terugkeren op aarde, wordt het natuurlijk ook weer een puinhoop.

Dit was de laatste reguliere aflevering van deze rubriek. Volgende week in het Zaterdags Bijvoegsel nog een nabeschouwing.