De jaren waarin Nederland aan het werk ging

Tussen 1996 en 2002 kwamen er in Nederland 1,2 miljoen banen bij, een ongekende toename in zo'n korte tijd. Waar en bij wie kwamen die nieuwe banen terecht? Een inventarisatie.

Het waren de jaren waarin de bomen tot in de hemel groeiden, de jaren van de nieuwe economie, de jaren van de dotcom-boom, maar vooral de jaren waarin Nederland aan het werk ging. Het paarse motto `werk, werk, werk' werd in praktijk gebracht. Er kwamen 1,2 miljoen banen bij in zes jaar tijd, zo blijkt uit de jaarlijkse regionale tellingen van arbeidsplaatsen die zijn gebundeld in het zogeheten Lisa-bestand.

Deze banengroei is historisch volstrekt uniek. Voor het scheppen van de `vorige' 1,2 miljoen banen had Nederland bijna drie keer zo lang nodig, van 1980 tot 1996. Illustratief is ook een vergelijking met andere landen. Nederland kreeg er bijvoorbeeld in absolute zin drie keer zo veel banen bij als Duitsland. De landen Frankrijk en Italië – beide ruim drie keer zo veel inwoners als Nederland – schiepen van 1996 tot 2002 2,0 respectievelijk 1,7 miljoen banen. België kwam niet verder dan 260.000.

Zes jaar lang gemiddeld 200.000 arbeidsplaatsen per jaar erbij betekent dat er ook elk jaar 200.000 mensen moeten klaarstaan om die plaatsen in te nemen. Kennelijk waren die er. Ook dat is een historische bijzonderheid. Toen de werkgelegenheid in de jaren zestig onstuimig groeide had Nederland de grootste moeite om aan arbeidskrachten te komen. En hoewel werkgevers de afgelopen jaren hier en daar klaagden dat ze sommige vacatures niet vervuld konden krijgen, was er geenszins sprake van crisis op de arbeidsmarkt.

De nieuwe banen werden ingenomen door drie categorieën mensen. In de eerste plaats schoolverlaters. Dat is een normale, jaarlijkse cyclus: ouderen verlaten de arbeidsmarkt, jongeren nemen hun plaats in. Maar dit is geen kwestie van eenvoudig doorschuiven. Er zijn namelijk veel meer jongeren die de arbeidsmarkt op willen dan ouderen die met pensioen gaan. De jaargangen van rond 1980 tellen zo'n 175.000 mensen, die vrijwel allemaal aan het werk willen. De jaargangen van rond 1940 zijn weliswaar even groot, maar de meeste vrouwen uit die generatie hebben geen baan. Dat betekent dat er per jaar al gauw zo'n 70.000 banen extra nodig zijn om alle schoolverlaters aan het werk te helpen. Over zes jaar geteld is dat een derde van de 1,2 miljoen nieuwe banen. Dit betekent overigens ook dat de werkloosheid meteen oploopt als de banengroei stokt, en dat vooral jongeren hiervan het slachtoffer zijn. Dat is precies wat er sinds het najaar van 2001 gebeurt.

De tweede categorie die de nieuwe banen innam vormen de werklozen. Begin 1996 waren er daar 470.000 van, eind 2002 nog 215.000. Meer dan een kwart miljoen minder. De rest, bijna de helft van de extra banen, ging naar wat arbeidsmarktdeskundigen `nieuwe toetreders' noemen. Dit is een ander woord voor vrouwen. In Nederland werkten vanouds weinig vrouwen, in vergelijking met de omringende landen. Maar hierin is sinds het midden van de jaren tachtig in hoog tempo verandering aan het komen. Nederland is inmiddels zelfs boven de Europese middenmoot uitgestegen, zij het dat vrouwen hier veel vaker in deeltijd werken dan in andere landen. Het aantal door vrouwen vervulde banen groeide in zes jaar met 26 procent, het aantal door mannen vervulde banen met 14 procent.

De nieuwe werkgelegenheid werd bepaald niet evenredig verdeeld over Nederland. Sterker nog, de geografische verdeling van banen werd aanzienlijk schever dan die al was. De grote winnaars waren de stadsgewesten in de Randstad, in het bijzonder die van Amsterdam, Rotterdam en Utrecht. Hier groeide het aantal banen in zes jaar tijd met 25 procent. In de rest van Nederland bedroeg de gemiddelde groei 15 procent. De randgemeenten van Rotterdam spanden de kroon met een toename van het aantal banen met ruim 37 procent.

De in absolute zin grootste groei vond plaats in de regio Amsterdam, waar bijna 15 procent van alle nieuwe banen terechtkwam, ruim 160.000. Binnen deze regio is de groei geconcentreerd in de zuidvleugel: de zuidkant van de stad Amsterdam en de zuidelijke randgemeenten als Haarlemmermeer, Amstelveen, Ouder-Amstel en Diemen. De reputatie van Schiphol als banenmotor wordt bevestigd: in de gemeente Haarlemmermeer kwamen er maar liefst 36.000 banen bij. Het is de enige gemeente in Nederland met meer banen dan inwoners.

Opmerkelijk is de opkomst van de `slaapstad' als werkstad. Gemeenten als Capelle aan den IJssel, Nieuwegein, Almere, Lelystad, Houten en Woerden zagen de werkgelegenheid binnen de gemeentegrenzen onstuimig groeien. Capelle aan den IJssel haalt met ruim 17.000 nieuwe banen zelfs de landelijke toptien van absolute groeiers, vóór veel grotere gemeenten als Tilburg, Zwolle en Nijmegen. In Almere blijft de banengroei overigens nog achter bij de nog onstuimiger bevolkinsgroei. Van de grote steden presteert Haarlem het slechtst, met 4 procent groei in zes jaar. In Capelle groeide het aantal banen met 75 procent.

Ondanks de florerende economie wist niet elke gemeente te profiteren. In 26 gemeenten nam de werkgelegenheid af. Doorgaans slechts met enkele procenten, maar Heusden, Brunssum en Den Helder kregen zwaardere klappen: ze raakten elk meer dan duizend banen kwijt. Dat gebeurde ook in Leidschendam-Voorburg, maar hier speelde de verplaatsing van banen naar een andere gemeente door een gemeentelijke herindeling een rol: 9.000 banen `verdwenen' administratief naar Den Haag zoder dat er iemand op straat kwam te staan. Het geringste aantal banen per inwoner heeft het Zuid-Limburgse Onderbanken: net duizend banen voor 8.500 inwoners. Zelfs geïsoleerde en veel kleinere gemeenten als Ameland en Terschelling hebben meer werkgelegenheid.

De nieuwe banen werden ook ongelijk verdeeld over verschillende sectoren van de economie. De grootste sector was en is de handel (formeel: handel en reparatie). Hierin verdienen ruim 1,3 miljoen mensen de kost. Deze sector is ook behoorlijk gegroeid in de onderzochte periode: 15 procent erbij in zes jaar. Wel begon de groei in 2000 al af te vlakken.

De grootste groeier en daarmee de motor achter de banengroei van het einde van het millennium was de zakelijke dienstverlening. In 1996 was dit gerekend naar het aantal banen nog de vierde sector van het land, na handel, industrie en zorg. Inmiddels is de zakelijke dienstverlening nummer twee, met 1,1 miljoen banen, 45 procent meer dan in 1996. De groei in de zakelijke dienstverlening was daarmee groter dan de totale omvang van de financiële sector (banken, verzekeraars, pensioenfondsen). De gloriejaren waren 1998, 1999 en 2000. Daarna begint de groei reeds zichtbaar af te vlakken. In veel gemeenten nam het aantal banen in deze sector in 2002 reeds af, landelijk was er nog wel sprake van een toename, vooral dankzij de bijdrage van Amsterdam en omstreken.

Buiten de Randstad is de groei in de zakelijke dienstverlening geconcentreerd in enkele regionale centra. Vooral Groningen, Maastricht, Den Bosch, Enschede en Zwolle springen eruit. Klanten in de omgeving worden vanuit deze centra bediend.

Gevraagd naar de belangrijkste groeisector van de afgelopen jaren antwoordt vrijwel iedereen: ICT. Dat antwoord is juist, maar de gigantische groei zit slechts in een klein stukje van die branche. In de manier waarop het CBS bedrijven indeelt naar activiteiten – een indeling die ook Lisa volgt – bestaat de ICT uit enkele subsectoren die samen de ICT-industrie vormen, en twee grote subsectoren die samen de ICT-dienstverlening vormen: `post- en telecommunicatiediensten', en `computerservice- en informatietechnologiebureaus'. Alleen die laatste categorie is in de tweede helft van de jaren negentig spectaculair gegroeid: van 75.700 naar 157.300 banen. Overigens ligt het totaal aantal mensen dat in de automatisering werkt veel hoger, omdat er natuurlijk ook ICT-personeel in andere branches werkt, bijvoorbeeld bij banken of in de industrie. De banen in het Lisa-bestand zijn ingedeeld naar de aard van het bedrijf, niet naar de aard van het werk zelf.

Allerlei gebieden en gemeenten hebben de afgelopen jaren gepoogd zich te profileren als `het Nederlandse Silicon Valley'. Voor zo ver er zoiets bestaat in Nederland is het versnipperd over vele gemeenten, met unglamourous oorden als Capelle aan den IJssel, Diemen, Nieuwegein, Houten, Zoetermeer en Haarlemmermeer in de top. Maar verreweg de belangrijkste ICT-gemeente van Nederland blijft Amsterdam, met bijna 32.000 banen in deze branche. Dat is 10 procent van de hele branche.

De werkgelegenheid in de industrie is nauwelijks gegroeid en daalde in 2002. Geografisch ligt het belang van de industrie in toenemende mate in de periferie van het land. Hoe dichter bij Duitsland, hoe meer industrie.

Waar de groei van de meeste sectoren in 2002 duidelijk is afgevlakt of geheel is gestokt, groeit de zorg versterkt door. Meer dan een miljoen mensen vinden hier werk. In aantal banen passeert de zorg dit jaar vrijwel zeker de industrie. Ter vergelijking: de toename van het aantal banen in de zorg tussen 1996 en 2002 is net zo groot als de helft van het totaal aantal banen in het onderwijs. Geen andere sector wordt zo gedomineerd door vrouwen als de zorg. Het aandeel vrouwen is hier de afgelopen jaren zelfs nog verder gestegen, van 77,7 naar 79,6 procent.

De sector die het meest spectaculair `feminiseert' is het onderwijs. In 1996 werkten hier nog 48,8 procent vrouwen, 53,8 procent in 2002. Ook in het begin van deze eeuw gaat het aandeel vrouwen hier met een procentpunt per jaar omhoog. Bij de overheid boeken vrouwen eveneens flink terreinwinst: van 30,4 naar 34,6 procent in zes jaar tijd.

De enige sector waarin vrouwen marktaandeel hebben verloren is juist de grootste groeier, de zakelijke dienstverlening. Het percentage vrouwen nam af van 38,9 naar 38,2. Wel profiteerden vrouwen van de grote absolute banengroei hier: er werken nu 130.000 vrouwen meer dan in 1996.

In alle sectoren bij elkaar groeide het aantal banen dat door vrouwen wordt vervuld in 2002 verder, terwijl het aantal banen dat door mannen werd vervuld als gevolg van de recessie afnam. Bij nadere beschouwing blijkt dit vooral een sectoreffect: het zijn de `vrouwensectoren' als zorg, onderwijs en overige diensten die nog volop groeien, terwijl `mannensectoren' als de industrie en vervoer al aan het krimpen waren.

Gerectificeerd

Heusden

De grafiek Groeigemeenten rukken op als werkgemeenten, banenverlies zeldzaam (6 september, pagina 49) vermeldt Heusden als gemeente waar in de periode 1996-2002 de meeste banen verdwenen. Dit blijkt gebaseerd op een fout in het Lisa-vestigingenregister. Drunen, Vlijmen en Heusden zijn in 1997 samengevoegd in de gemeente Heusden. Voor de vergelijking zijn dubbele registraties uit 1996 gebruikt, waardoor een daling zichtbaar werd in plaats van een stijging met 15.00 arbeidsplaatsen. Het grootste banenverlies in de periode van 1996 tot en met 2002 trof de gemeente Brunssum.