De betovering van Ulysse

Het is een bekend gezegde dat we alle leed kunnen dragen als we het in een verhaal gieten of er een verhaal over vertellen. Waarheid verlicht de mens. Dezer dagen wordt in en buiten Iran de zogenaamde nationale ramp herdacht die zich vijftien jaar geleden heeft voltrokken, binnen een paar weken. In die weken kwamen enkele duizenden mensen om het leven. De ramp die door het land zoefde, trof iedereen: vrouwen, mannen, ouderen en jongeren, hoog opgeleiden en bijna ongeletterden, links, liberaal, links-religieus en ook toevallige passanten. Ter herinnering steek ik soms een kaars aan. Daarbij richt ik me tot mijn eigen onzichtbare gesprekspartner met wie ik in tijden van angst en eenzaamheid praat, in de hoop dat zij met haar ijzeren geheugen het aangehoorde zal bewaren en behoeden.

Ten tijde van de ramp van 1988 was ik in Kabul, Afghanistan. Daar bracht ik de dagen door in een hotel met mijn zwangere vrouw. In die periode was ik weer veranderd in een reiziger zonder een duidelijk perspectief of plan. Zodoende was ik ook in afwachting van het toekomstige. Overdag las ik de klassieke politiek-filosofische boeken en 's avonds luisterde ik samen met een oude Perzische dichter, onder het genot van een glas wodka, naar de BBC. We waren erg blij, omdat er een einde was gekomen aan de oorlog tussen Irak en Iran. In de lente van 1988 had de Iraanse leider Khomeiny uiteindelijk resolutie 598 van de Veiligheidsraad aanvaard, inzake de wapenstilstand tussen Iran en Irak. Irak had dat al een paar jaar eerder gedaan. In de laatste fase van de oorlog had Irak de grote steden van Iran onder vuur genomen met langeafstandraketten. Duizenden burgers sneuvelden. Khomeiny en zijn leger waren radeloos: het `leger van engelen', de tienduizenden kinderen vanaf twaalf die het leger in waren gelokt, was niet in staat de Scud-raketten tegen te houden. Khomeiny had de oorlog gewild; hij noemde het een goddelijk geschenk en het doel ervan was niet langer de verdediging van Iran, maar de verwijdering van de kanker uit het lijf van de islam, namelijk Israël. Daarom introduceerde hij de geloofsovertuiging dat Iraniërs via Kerbela naar Jeruzalem (in Israël) moesten opmarcheren. Er was één probleem: Kerbela lag in het Irak van Saddam Hussein. Saddam was realistischer, hij bestookte de Iraniërs met chemische bommen en granaten. Uiteindelijk zijn er honderdduizenden gesneuveld voor de dwaze droom van een baardman. Wij, gewone stervelingen vierden feest en Khomeiny treurde over het einde van die zinloze oorlog. De leider was verschrikkelijk boos; uit de stem van Khomeiny sprak een intense pijn en verdriet.

En toen gebeurde de ramp.

Ter voorbereiding van mijn nieuwe rol als vader had ik in Kabul twee fantastische boeken gelezen: Emile van Jean-Jacques Rousseau en een sovjethandboek getiteld `Hoe ik een baby moet verzorgen'. Tijdens het avondritueel hoorden we het volgende: ,,Hier spreekt de BBC. Volgens de laatste berichten uit Teheran is een onbekend aantal politieke gevangenen geëxecuteerd.'' De volgende dag werd er in verband met het bericht van BBC een belangrijke bijeenkomst belegd door Iraanse oppositiegroepen in Kabul. Voor het laatste nieuws uit Iran haastten we ons naar die bijeenkomst. De spreker zei: ,,Beste vrienden, in opdracht van Khomeiny is in Iran een commissie gevormd om een besluit te nemen over het lot van alle politieke gevangenen.''

Iedereen was doodstil. Vervolgens zei de spreker, die kennelijk geen moeite had met zijn rol als boodschapper van rampspoed: ,,Het betreft alle personen die gevangen zitten, al dan niet veroordeeld, bekeerlingen en vastberadenen. Jullie hebben misschien al familieleden, vrienden of bekenden verloren, maar jullie zullen er nog meer verliezen. Khomeiny heeft het bevel gegeven om zo spoedig mogelijk alle vijanden van de islam te elimineren.''

De oude dichter stond op en vroeg aan de spreker: ,,Hoeveel mensen?'' Het antwoord was kort: ,,Honderden, ze zijn al gedood.'' De spreker pakte een glas water, dronk zichzelf moed in en begon de namen op te noemen: Abotorab Baqerzadeh, Kiomars Zarshenas, Amir Niek Aiyn en bij de naam Mehrdad Dasgier zei hij opeens: ,,24 jaar oud, niet met kogel, opgehangen.''

Ik wilde het niet meer aanhoren. De eerste drie namen waren al genoeg voor mij. ,,Wodka'' zei de dichter tegen mij. Nee. Ik liep door het centrum van Kabul, terwijl de Afghaanse mujahedeen (de voorgangers van de Taliban) de stad met de raketten onder vuur hadden genomen. Daarom ging ik de bibliotheek van Kabul binnen, om daar tussen die duizenden boeken bescherming te zoeken tegen de raketaanval van de laffe paradijsgangers. Ondertussen herinnerde ik mijn ontmoetingen met de eerder genoemde slachtoffers. Mijn ogen vielen op Ilias en Odyssee van Homerus, en ik ging lezen. De bibliothecaris, die altijd de hele dag miniaturen zat te tekenen, kwam naar mij toe en met een opvallende geste wees hij met zijn vingers naar de hemel en daarna naar de bergen: ,,Ze zullen ons allemaal doden, ze zullen mijn boeken ook vernietigen.'' Voordat ik kon reageren, zei hij dat hij een uitnodiging had ontvangen om naar Irak te gaan en daar zijn miniatuurwerken te exposeren. Het was een onverwacht teken van menselijkheid in een ontwrichte wereld. Ik begon hysterisch te lachen en antwoordde: ,,Ik heb niks, ik ga alleen lezen tot ik een naam voor mijn kind heb gevonden.'' Terwijl ik verder ging met Homerus, werden in Iran nog duizenden gedood en in massagraven begraven. Gezien de grote aantallen slachtoffers en de luttele minuten waarin over de dood van mensen werd besloten, leek het alsof de ramp met de snelheid van het licht door Iran trok. Ik besloot te lezen, te studeren, en niet te schrijven. Pas in 1996 heb ik weer een tekst geschreven. Zo heb ik, waarschijnlijk, acht jaar onbewust gerouwd. De nieuwe Ulysse hielp mij met zijn betovering dwars door die onvergetelijke rampweken heen.