Zonder eiken geen Empire

Anya Gallaccio maakt werk van vergankelijk materiaal: smeltend ijs, en verwelkende bloemen. Ze zet in Zeewolde bomen op hun kop en laat in Amsterdam reuzenborstplaat vervallen tot stroop.

Mijn hersens zijn gefrituurd'', zegt Anya Gallaccio bij wijze van introductie. ,,Ik word gek van deze afschuwelijke puinhoop. Ik móet opruimen, want ik kan wel werken in de chaos, maar niet denken.'' Overal in haar atelier liggen inderdaad stukken glas, proppen papier, boomschors. En in een hoek is zo te zien een kan koffie omgevallen over het linoleum. ,,Eh, nee, dat is een project met suikerstroop die ik heb uitgegoten. Ik moet erachter komen hoe lang het plakkerig blijft.''

Kunst en het alledaagse gaan bij Gallaccio (1963) nogal naadloos in elkaar over. Vaak is het overgaan zélf de kunst. Red on Green bestond uit een bed van tienduizend rozenkelken die langzaam verwelkten. In een voormalig pompstation in de Londense Docklands zette ze een blok ijs van dertig ton, met een kern van zout, waardoor het van binnenuit langzaam wegsmolt. Ze goot spruitende aardappels in brons en lood en maakte beelden van chocola en bijenwas. Nu experimenteert ze met een soort bijenkorven van bietenstroop, die een onvoorspelbaar traject afleggen tussen vast en vloeibaar.

,,Traditionele sculptuur verandert alleen in de zin dat onze ideeën erover veranderen, maar als object blijven ze altijd hetzelfde'', zegt Gallaccio. ,,Mijn beelden zijn zelf een gebeurtenis, ze hebben publiek nodig. Ze veranderen, zoals een mens in de loop van de tijd verandert. Al hoop ik dat het bij ons langzamer gaat dan bij mijn beelden.''

Gallaccio's werk, waarin het bederfelijke vaak contrasteert met steen en metaal, is vanaf morgen te zien in de galerie van Annet Gelink in Amsterdam en bij het land art-project Look and Feel in Zeewolde. Spannendste project in eigen land is haar nominatie voor de Turner Prize. De belangrijkste jaarlijkse Britse onderscheiding voor moderne kunst wordt op 7 december toegekend in Tate Britain, met een prijzengeld van 20.000 pond (28.000 euro). Ze deelt de short list met Willie Doherty, een Ierse videokunstenaar; Grayson Perry, een travestiet die potten bakt en door het leven gaat als `de Tracey Emin van de keramiek'; en met het controversiële Britse kunstenaarsduo Jake en Dinos Chapman, die favoriet zijn bij de bookies.

,,Ik maak geen enkele kans'', zegt Anya Gallaccio vrolijk. Niet alleen wegens de sterke concurrentie, maar ook omdat er vermoedelijk geen zegen op rust. Want in de Delfina Studios, een voormalig pakhuis in Zuid-Londen, wordt ze omringd door eerdere genomineerden-die-niet-wonnen. Haar buren zijn de videozusjes Jane en Louise Wilson (1999) en even verder schildert Glenn Brown (2000) zijn sciencefiction-taferelen. Mark Wallinger knutselde op deze verdieping de elektrische stoel in elkaar waarmee hij in 1995 tevergeefs werd genomineerd. En Michael Raedecker maakte er zijn schilderijen met borduursel waarmee hij in 2000 de prijs misliep. Gallaccio met een brede grijns: ,,Dit is de losers-verdieping, de Gang der Schaamte. Maar weet je, als je niet kunt winnen, hoef je je ook niet druk te maken. Trouwens, ik wíl niet eens winnen, want anders word ik voortaan met de nek aangekeken.''Anya Gallaccio werd geboren in het Schotse Paisley, studeerde aan de Londense kunstenaarsopleiding Goldsmith's College en maakte in 1988 haar debuut in de door Damien Hirst georganiseerde tentoonstelling Freeze. Ze zou nog vaak exposeren tussen de Young British Artists. Maar anders dan Hirst, Emin, Gillian Wearing, Marc Quinn en de broertjes Chapman wilde Gallaccio geen enfant terrible zijn. Tracy Emins beslapen bed uit de zelfmoord-fase van haar leven, inzet van een eerdere rel rond de Turner-prijs, en de doorgezaagde haai van kunst-playboy Hirst zijn aan haar niet zo besteed.

Freudiaans

,,Mijn biografie hoeft niet aan mijn werk te worden vastgeplakt en ik ben niet geïnteresseerd in freudiaanse interpretaties die anderen gelukkig maken. Mijn werk moet voor zichzelf spreken. De YBA-generatie heeft bovendien snel de vervallen industriepanden waar ze begonnen ingeruild voor de galerie. Ze maken hun werk in de studio, stoppen het in een doos en blijven zelf onzichtbaar als het wordt geëxposeerd. Ik ben doorgegaan in die oude ruimtes en op het strand en in de natuur, omdat ik het stimulerender vind.

,,Mijn beelden passen niet goed in de huidige kunstconsumptiemarkt, omdat ze minder goed zijn te vervoeren en verdwijnen, maar ik vind ze toch eerder populistisch. Mensen reageren er direct op, want waar ik werk kan ik me niet van het publiek isoleren. Ik maak geen kunst voor een selecte groep specialisten die al in mijn ideeën geloven. Ik wil mensen verleiden die normaal gesproken helemaal niet naar kunst kijken, in een publieke ruimte. En zonder ze het gevoel te geven dat je ze belachelijk maakt omdat ze het niet zouden begrijpen vóór ze een bijschrift op de muur hebben gelezen. Kinderen reageren meestal meteen enthousiast. Ze hebben nog niet geleerd om geïntimideerd te zijn door kunst. Volwassenen zeggen vaker: zo simpel kan het toch niet zijn?''

Zo denkt Gallaccio al langer, zegt ze. Kunststudenten van haar generatie zagen heel veel kunst, maar vaker was het een foto van een kunstwerk – in een tijdschrift, boek of catalogus – dan het kunstwerk zelf. In haar geval moest dat wel, omdat veel kunstenaars in wie ze was geïnteresseerd simpelweg niet in Britse musea voorhanden waren. Zoals de `openlucht-stukken' van de Amerikaanse minimalist Richard Serra. ,,We dachten dat we het werk begrepen, en je kunt ook wel iets uit een foto halen, maar het is net als in de muziek: een plaat is toch iets anders dan een concert.'' Die gedachte legde de grondslag voor Gallaccio's eigen praktijk: ,,Ik wil dingen maken die nu bestaan en die je niet compleet kunt begrijpen door naar een foto te kijken. Mijn kunst moet ook een live voorstelling zijn.''

De keerzijde daarvan is dat veel van haar kunstwerken een uiterste houdbaarheidsdatum hebben. De `bloemstukken', die haar een tijdlang tot haar ergernis de bijnaam The Flower Girl bezorgden, zijn na een paar weken `op' en laten alleen een muffe lucht en bruine strepen op de muur achter. Toch houden ze volgens haar dan niet op om kunst te zijn, omdat elk kunstwerk, eenmaal gezien, een herinnering wordt. Haar kunstwerken doen dat gewoon uit zichzelf.

Daarmee zijn ze niet minder echt, maar het betekent wel dat het grootste deel van haar werk niet is te verzamelen. Ook dat vindt ze niet erg, zegt ze, want kunst moet méér zijn dan kopen, opbergen in de hoop dat het meer waard wordt en dan weer doorverkopen. Wie een van haar bloemenstukken kocht, kreeg er daarom een door Gallaccio ondertekend `certificaat' bij, een handleiding om hetzelfde bloemenstuk nog eens te maken. Dat was het enige tastbare dat er nog viel te veilen: niet die honderd rotte gerbera's, maar het idee ervan.

Of veel `eigenaars' van een Gallaccio dat hebben gedaan – zelf maken en een papiertje laten veilen – is niet zeker. In elk geval was die formule voor haarzelf artistiek een doodlopend spoor, beseft Gallaccio nu. ,,Mijn latere werk is veel minder fotogeniek dan de bloemen, dus minder interessant voor een kunsttijdschrift, omdat het moeilijker is te illustreren. Bijgevolg werden mijn tentoonstellingen niet zo vaak besproken. In sommige hoeken leek het zo alsof ik niet bestond. Maar het leek me ook stom om dan maar weer fotogenieker werk te maken om er in godsnaam bij te kunnen horen.''

Bang zijn om niet te bestaan, hoeft Gallaccio niet meer. Voorbode van haar Turner-nominatie was zonder twijfel de opdracht van Tate Britain, eind vorig jaar, om een stuk te maken voor de entree van de Duveen Galleries, de afdeling waar de nationale collectie Turners, Constables en Gainsboroughs hangt.

In die achthoekige zandstenen hal uit 1930, met zijn portalen van Ionische zuilen, zette Gallaccio zeven eiken neer, althans hun stammen, want kruin en wortels liet ze afzagen. Die bomen, tweehonderd jaar oud en op het oog willekeurig neergezet, vormden een knoestig en simpel maar overweldigend beeldrijm met de neo-klassicistische zuilen, die zelf natuurlijk ook ooit bomen waren, voor de Grieken in steen begonnen te bouwen. Zo dwong Gallaccio de bezoekers die steriele hal met nieuwe ogen te zien. Ze zette de ruimte op scherp.

Europese bastaard

Toch begon die opdracht met twijfel, zegt ze. Ten eerste had en heeft ze grote moeite met de naam Tate Britain. ,,Ik begon me af te vragen waarom de Tate Gallery Millbank, zoals het museum eerst heette, eigenlijk is omgedoopt in Tate Britain na de opening van Tate Modern [dat de nadruk legt op buitenlandse kunst]. Zo lijkt het een tegenstelling. Alsof hedendaagse Britse artiesten niet in Tate Modern thuishoren, omdat ze niet modern zijn. Tate Britain is een fantastisch gebouw, maar ik heb moeite met die branding. Ook al omdat het lijkt aan te sluiten bij de noties van een koloniaal, imperiaal verleden, waarin de collectie grotendeels is aangelegd.''

Daar kwam bij dat ze zichzelf eigenlijk niet beschouwt als een Brits artiest. ,,Ik ben een Europese bastaard en weet niet waar ik thuishoor. Ik ben geboren in Schotland en mijn beide ouders zijn technisch Schots. Mijn grootouders van de ene kant waren Italianen en mijn grootouders van de andere kant waren Poolse joden. Ze waren allemaal immigranten, de ene kant na de pogroms en de andere door armoede. Dat is geen zeldzaamheid. In elke Britse stamboom zit wel een buitenlander. Onze koninklijke familie bestaat uit Duitsers. Dat maakt de Engelse fobie voor Europa ook zo bizar.

,,Ik ben de collectie van Tate Britain gaan bekijken en ontdekte opnieuw de Engelse obsessie met het landschap en tuinen. De eik is daarin een vast element. Ook in literatuur en poëzie, trouwens, als symbool van soliditeit en traditie. Eén reden dat het Empire zo groot was, was dat we zoveel eikenbossen hadden om schepen te maken. De eik maakte letterlijk deel uit van de politieke en economische expansie. En als je nog verder teruggaat, zie je dat de eik ook een rol speelt in de Keltische mythologie. Nu ja, dat waren allemaal persoonlijke overwegingen die er niet toe doen voor de toeschouwer. At the end of the day moesten die eiken in de ruimte hun werk doen. Dat is gelukt, denk ik.''

Gallaccio was wel zenuwachtig over de ontvangst van haar woudreuzen, die geplant moeten zijn rond de Franse Revolutie. Want, zegt ze, ,,mensen kunnen erg sentimenteel worden over het omhakken van bomen''. Toch is haar geweten zuiver. Ze vond de eiken op een landgoed in Zuid-Engeland, dat aan duurzame bosbouw doet door de opbrengst van verkocht zaaghout in nieuwe aanplant te investeren. ,,Bovendien, bomen gaan óók een keer dood en veel Britse bomen zijn nu op een kritieke leeftijd. Binnen een paar jaar kunnen ze dood en rot zijn en moeten ze sowieso vervangen worden.'' Die angst was voor niets. Haar werkstuk werd juichend ontvangen. Veel bezoekers sloegen de Constables over en bleven liever boompje verwisselen tussen Gallaccio's eiken.

Voor haar Turner-tentoonstelling, die na de prijsuitreiking tot 18 januari te zien zal zijn, maakt ze een dwarsdoorsnede uit haar werk: wat kleinere stukken op papier, een bloemenstuk, en onder meer een bronzen appelboom waarin een bizarre tros van echte rood-gele appels is gemonteerd. Daarmee haalt de Tate de herfst fysiek binnen.

Bij Annet Gelink toont ze nieuw `suikerwerk', holle `pilaren' van bietensuiker die langzaam ineenzakken in een poel van stroop, al moet ze nog uitvinden wat de beste vorm is van de reuzenborstplaat om dat proces het beste tot zijn recht te laten komen; zie de `gemorste koffie' in haar atelier. Haar project in Zeewolde staat volledig in het teken van bomen. Op een terrein waar sparren en coniferen de komende jaren toch moeten plaatsmaken voor loofbomen, wil ze een paar naaldbomen uit de grond laten halen om ze vervolgens omgekeerd weer te planten, met de wortels in de lucht.

Spectaculair? Misschien wel niet. ,,Ik vraag me zelfs af of de mensen het zullen zien. Ik heb al eens zoiets in Duitsland gedaan en daar viel het veel boswandelaars niet eens op. Misschien ook worden het zelfs weer gewone bomen, omdat ze net als wilgen weer gaan groeien als je ze omgekeerd in de grond zet. Hoe dan ook zal er de komende jaren weer van alles in die kruinen groeien. En wie weet gaan er vogels in nestelen.''

Anya Gallaccio, 6 sept. t/m 11 okt. bij Annet Geling Gallery, Laurierstraat 187-189, Amsterdam; 020-3302066 & www.annetgelink.com.

Gallacio's ontwerp voor een project in Zeewolde is te zien in Paviljoen De Verbeelding, De Verbeelding 25, Zeewolde; wo t/m vr 11-17u; za t/m zo 12-17u. Presentatie manifestatie Look and Feel (`Dag van de Verbeelding') op 13 sept.

Tentoonstelling van winnaar en drie andere genomineerden 9 okt. t/m 18 jan. in Tate Britain, Millbank, Londen SW1; ma t/m zo 10-18u; inl. +44(0)20 7887 8000 & www.tate.org.uk . Turner Prize-bekendmaking op 7 dec.