Zij was meer dan een zoogdier

Juist bijfiguren in romans lokken vaak vragen uit, en fantasieën. Wie bijvoorbeeld was juffrouw Laps, de preutse buurvrouw van Woutertje Pieterse?

In Remco Camperts roman Het leven is vurrukkulluk (1961) komt een ontmoeting voor tussen een oudere vrouw en een grijsaard die elkaar plotseling uit hun verre kindertijd herkennen. ,,Ben jij die Kees ?'' ,,Ja, Rosa Overbeek, die Kees ben ik.'' Een jeugdige getuige van het ontroerende weerzien beseft even, een fractie van een seconde, ,,dat de oude man niet maar zo'n gewone oude man was, geen oude man zonder geschiedenis, geen oude man die daar zomaar zat.'' Die grijsaard, begrijpt de lezer, was Kees de jongen uit het gelijknamige boek van Theo Thijssen (1923). Hoeveel lezers van het boek van Thijssen over de fantasiewereld van een twaalfjarig jongetje zullen zich niet ooit hebben afgevraagd hoe het toch verder is gegaan met Kees en Rosa. Zijn ze een beetje gelukkig geworden? Campert gaf hier een voorbeeld van een schrijver die even aan de haal gaat met een literair personage, als was het een bestaande figuur.

Een lezer kan naar believen interpreteren, fantaseren, personages haten of liefhebben, achtergronden verzinnen, of een vervolg op het verhaal bedenken. Bij het lezen van romans verlies ik me nogal eens in dromerijen over de biografieën van niet of alleen schetsmatig uitgewerkte bijfiguren. ,,De portier is een invalide'', luidt de beroemde openingszin van W.F. Hermans' roman Nooit meer slapen. Wie was die portier? Hoe is hij invalide geraakt? Waarom is niemand in zijn biografie geïnteresseerd?

Talloze literaire werken hebben hun spin off. Hoeveel klassieke tragedies of wetenschappelijke studies zijn er niet gewijd aan wat aanvankelijk bijfiguren waren, broers, zusters, of kinderen van de eigenlijke helden. In de Angelsaksische literatuur is een ware hausse ontstaan in zogenaamde prequels en sequels, voorgeschiedenissen of vervolgromans met personages uit Wuthering Heights, Jane Eyre, Pride and Prejudice. Niet altijd met evenveel succes, meestal zelfs tweederangs vergeleken bij het origineel, maar wel het bewijs dat de verbeelding een kettingreactie in werking kan zetten.

Mijn lievelings bijfiguur in de Nederlandse literatuur is Kristien L.

Op een snikhete windstille zondag kan Kristien het niet uithouden op haar benauwde kamer aan het Rembrandtplein en gaat de straat op. Geheel tegen haar gewoonte in, want ze is streng gereformeerd en gaat dus niet graag uit op zondag. Behalve de hitte is er nog iets wat haar drijft. Laten we maar gewoon toegeven dat ze hitsig is. Ze is begin dertig, alleenstaand en zonder werk. Alleen in de kerk zou ze mannen kunnen ontmoeten, maar ze haat dominees die volgens haar de bijbel verkeerd uitleggen, reden om de kerk te mijden. Toen ze nog op de Noordermarkt woonde heeft ze iets gehad met een postbode. Die affaire moest ze beëindigen, omdat de buurt begon te kletsen en de dominee haar uitmaakte voor hoer van Babylon.

Op deze zondag is ze uitgegaan, omdat er wegens vorstelijk bezoek aan Amsterdam overal feesten zijn in de stad en manvolk in overvloed. Er is een zeilwedstrijd op de Amstel, maar als ze daar arriveert blijkt die afgelast bij gebrek aan wind. Hevig teleurgesteld keert Kristien terug naar huis, waar ze als gevolg van de broeierigheid de slaap niet kan vatten. Tegen elf uur 's avonds houdt ze het niet meer uit van geiligheid. Opnieuw verlaat ze het pand om aan te bellen bij haar vroegere buurvrouw, een weduwe van in de veertig met zes kinderen. Kristien heeft het voorzien op de jongste, een temperamentvol joch van zeventien, die gedichten schrijft over rovers die vrouwen verkrachten, waar zij ooit erg opgewonden van is geraakt. Ze heeft hem eens bij haar thuis uitgenodigd en hem op lekkernijen getrakteerd. Bij die gelegenheid heeft ze hem gestreeld en geliefkoosd en ook nog geprobeerd hem te zoenen. Maar toen was hij nog maar een kind van twaalf, dat niet veel begreep van haar intenties.

Nu denkt ze meer kans te maken. Ze heeft een list bedacht om de jongen mee te lokken. Er is bij haar ingebroken, vertelt ze luid jammerend en ze durft niet meer alleen naar bed. Zoals ze al had voorzien gaat het romantische, met ridderlijke gevoelens behepte knaapje met haar mee. En waarachtig, bijna weet ze hem te verleiden. Ze prijst zijn manlijkheid, biedt hem iets te roken aan, begint met hem over hoeren, voert hem dronken, noemt hem lieveling, laat de jongen zich half ontkleden, kruipt dicht tegen hem aan, stelt hem voor zich helemaal uit te kleden en dan – het is inmiddels twee uur 's nachts – gebeurt er op straat iets waardoor zowel Kristien als de jongen wordt afgeleid. Ze lopen naar het raam. Kristiens beoogde minnaar denkt in het feestgewoel buiten een vriendin te herkennen en rent de trap af. Teleurgesteld zoekt Kristien haar eenzame bed op. Dagenlang staat ze doodsangsten uit dat het ventje haar zal aangeven of op zijn minst zijn familie in zal lichten. Ze bijt van de zenuwen haar nagels af, maar gelukkig gebeurt er niets. De jongen biecht de aanranding, waarin hij verder is meegegaan dan hij durft toe te geven, alleen op aan zijn huisarts, die er nogal laconiek op reageert.

Kristien is juffrouw Laps uit Multatuli's Woutertje Pieterse.

Wie was juffrouw Laps? Zelfs veel kenners van de Nederlandse literatuur zullen niet verder komen dan: juffrouw Laps, dat was een zoogdier, zoals in een van de bekendste passages uit de Woutergeschiedenis vastgesteld wordt door hulponderwijzer Stoffel, Woutertjes schijnheilige broer. Het citaat is veelvuldig aangehaald door darwinisten en atheïsten die met Multatuli in de hand het verstandbedervende christendom belachelijk hebben willen maken: ,,Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig – en er was 'n gewichtig ogenblik aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse – juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier.'' Dit tot ontsteltenis van de in schijn preutse godsdienstfanate.

Maar juffrouw Laps is zoveel méér dan een zoogdier. Juffrouw Laps is een van de meest boeiende vrouwenfiguren uit de negentiende-eeuwse literatuur. In het literatuuronderwijs is altijd voorbijgegaan aan de seksuele verlangens van juffrouw Laps. Daarover zweeg de negentiende-eeuwse literatuur van Nederland doorgaans, maar ze bestonden natuurlijk wel. Juffrouw Laps is dus een uniek kruispunt van feit en fictie.

De brave en in wezen weinig interessante Wouterfiguur is onderwerp van vele studies. Wetenschappers en kunstenaars hebben hun fantasie op hem losgelaten. Er is zelfs een beeldje van hem, samen met zijn zoete vriendinnetje Femke, dat op de Noordermarkt in Amsterdam staat. Andere bijfiguren uit de Woutergeschiedenis, zoals de Hallemannetjes die zo bijzonder fatsoenlijk waren, zijn komisch uitgebeeld door Lucebert op zijn wandschildering in het Letterkundig Museum. Maar juffrouw Laps?

Een vage schim van haar waart misschien rond in Chris van Abcoudes Pietje Bell, de avonturen van een Rotterdams schoenmakerszoontje, waarin veel aan Multatuli is ontleend. In Pietje herkennen we met gemak Woutertje, wiens overleden vader ook schoenmaker was, de zure drogist Geelman lijkt sprekend op Batavus Droogstoppel uit Max Havelaar en de bekrompen tante Kato is duidelijk geënt op juffrouw Laps, maar uiteraard ontdaan van iedere seksuele component.

Diezelfde ontseksualisering van juffrouw Laps zien we terug in de opera Woutertje Pieterse van Konrad Boehmer uit 1988. De aanslag van Laps op Wouters eerbaarheid wordt erin als volgt afgedaan: ,,Op een dag komt juffrouw Laps vertellen dat er dieven bij haar zijn geweest en ze is bang. Woutertje ziet dit als een kans om z'n ridderlijkheid te bewijzen en hij biedt aan om bij haar te komen logeren. Juffrouw Laps vindt het leuk om wat gezelschap in huis te hebben en stemt toe. Bij juffrouw Laps thuis wordt Wouter getrakteerd op taart. Geleidelijk aan wordt juffrouw Laps handtastelijk en in paniek vlucht Woutertje naar buiten.'' Dat is alles. Hoe meeslepend zou Boehmers opera niet geworden zijn als daarin juffrouw Laps in al haar menselijkheid was getoond.

Veelzeggend is dat zelfs de voornaam van het `getergde zoogdier', zoals Multatuli juffrouw Laps liefdevol noemde, aan vrijwel geen lezer bekend is. (,,Zeg jy gerust Kristien, want zó hiet ik'', vertrouwt ze Wouter toe.) Laps is een tragikomische figuur. Maar vooral tragisch.

Ziehier Multatuli's verslag van de gebeurtenissen. Juffrouw Laps en Wouter bevinden zich in haar kamer aan de Botermarkt. Het is omstreeks middernacht. Ze schenkt hem een borrel in en zegt: ,,Hoe vind je nu dàt likeurtje? Wouter erkent dat-i het lekker vindt'' en Multatuli schrijft dat Laps, `het winkelmeisje van Satan', hem dus nog maar eens inschonk. ,,En, je moest er wat by eten ook, m'n allerbeste jongen – gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden – dat 's zoo gezond by 'n likeurtje! En trek jy gerust je jasjen uit, m'n lieveling! Je moet denken, we zyn hier onder ons beidjes. Helemaal met ons beidjes, zie je! En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo'n lieve beste jongen bent... Wouter schikte by.''

Volgen uitvoerige commentaren van Multatuli, totdat aan juffrouw Laps' verleidingskunsten een eind wordt gemaakt omdat er – het is inmiddels twee uur 's nachts – een stuk vuurwerk naar binnen zeilt. Ze snellen naar het raam en ontzet over de relletjes buiten grijpt Wouter Laps' arm. Waarop zij zegt: ,,Heel goed, m'n jongen, houd jy me maar vast! Houd jy je maar goed aan me vast, en denk maar dat ik jouw eigen Kristien ben, heelemaal van jou! (...) Ze streelde hem, en hy liet haar begaan, o ja, maar toch...''

Uiteindelijk schudt Wouter haar van zich af, omdat hij denkt Femke op straat te zien. Laps blijft alleen achter en Multatuli heeft medelijden met haar: ,,Ze was, zy by-uitnemendheid, wat de romanschryvers gewoon zyn met sierlyke spraakwending: `de ongelukkigste der vrouwen' te noemen, en haar door Wouter zoo schichtig verlaten boven- voor- onder- achter- insteekkamer, 'n ware tempel van verschillende smarten.''

Eigenlijk weet Multauli zich geen raad met juffrouw Laps. Moet hij haar nu verdedigen tegen de kleinburgers die haar haar seksuele verzetje niet gunnen of haar, evenals de moraalridders van zijn tijd veroordelen? Uiteindelijk komt hij tot de volgende diagnose: ,,Ziek, ziek... ziedaar 't woord! Juffrouw Laps was ziek! Hoe is 't mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje!'' Men zou, verzucht hij, bijna achting gaan voelen voor juffrouw Laps.

Toen J.L Heldring in 1998 in een column een lezersbrief citeerde waarin Multatuli werd verweten geen geloofwaardige figuren te hebben geschapen en juffrouw Laps louter een karikatuur genoemd werd, werd hem (en haar) daarmee onrecht aangedaan, al is de Woutergeschiedenis een compilatie uit Multatuli's Ideeën en zijn de personages vooral dienstbaar aan zijn meningen. Die lezer stelde: ,,Een boeiende vrouwenfiguur zoals de hoofdpersoon in Een liefde van Lodewijk van Deyssel is bij Multatuli niet te vinden.'' Kennelijk wist hij minder van juffrouw Laps dan van Mathilde. Met Mathilde maken veel neerlandici tijdens hun studie uitvoerig kennis. Mijn generatie studenten was verplicht om het dertiende hoofdstuk van Van Deyssels Een liefde te lezen, omdat daarin Mathilde als eerste vrouw in de Nederlandse letteren masturbeerde. Komt dat zien! Maar over juffrouw Laps, die nog wel even verder ging om haar seksuele vuur te blussen, kregen we niet meer te horen dan dat ze een gereformeerde kwezel was, die niet kon accepteren zoiets smerigs als een zoogdier te zijn. Zelfs in de onlangs verschenen fraaie studie van Marita Mathijsen, De gemaskerde eeuw, wordt juffrouw Laps over het hoofd gezien en gaat alle aandacht op het gebied van vrouwelijke seksualiteit naar Mathilde. ,,Een normale vrouw die plezier heeft in seks komt in de Nederlandse literatuur pas voor in Lodewijk van Deyssels Een liefde uit 1887'', aldus Mathijsen. ,,Daarvóór zijn deugdzame vrouwen ongevoelig voor seks, of ze nu verloofd, getrouwd of alleenstaand zijn. (...) Zelfs bij de meesterschrijver Multatuli zijn de geliefden madonna-achtige wezens zonder seksualiteit, terwijl hij in het dagelijks leven echt wel volbloedige vrouwen tegenkwam en liefhad.''

Nu was juffrouw Laps natuurlijk geen `normale' vrouw, maar wel erkent Multatuli haar seksuele drift en hij neemt haar in bescherming. ,,Brave hoogstrevende lezer'', schrijft hij, ,,wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. (...) Want – wie zal dit begrypen? – haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel.'' Haar hele relatie tot Wouter moest worden verklaard uit ,,verwrongen geslachtsdrift''.

Multatuli nodigt zijn lezers ten slotte uit tot nader onderzoek als hij verzucht ,,dat 't zo makkelijk niet is juffrouw Laps te doorgronden''. Ik kan voorlopig aan dat doorgronden niet meer bijdragen dan het leveren van deze bouwstenen voor haar biografie:

Kristien Laps werd in Amsterdam geboren tegenover het Besjeshuis dat zich nog altijd bevindt aan de Amstel bij het Waterlooplein. Multatuli begon in 1860 aan de Woutergeschiedenis, maar situeert het verhaal vijftig jaar eerder om te voorkomen dat de lezer parallellen tussen Wouter en hem zou trekken. De feestelijkheden waarvoor zij op die fatale zondag de deur uitgaat zijn geënt op 1813, toen Willem I in Amsterdam werd ingehuldigd. Juffrouw Laps was toen, zo valt te reconstrueren, begin dertig – dus haar geboortejaar ligt omstreeks 1780. Van haar moeder weten we niets, van haar vader alleen dat hij waarschijnlijk graansjouwer was in de Amsterdamse haven. Alhoewel ze zelf beweert dat haar vader `in de granen zat' en factor was (iemand die graan opslaat voor anderen), vertelt een buurvrouw dat de oude Laps niet in maar onder de granen is geweest. Hij had ze namelijk gedragen in een zak op z'n hoofd.

De naam Laps – naar het Latijnse lapsus `fout' of `tekortkoming' – komt in Nederland niet voor. Wij leren Kristien Laps kennen als Wouter een jaar of tien is. Ze woont op de Noordermarkt, in hetzelfde pand als de familie Pieterse, op de ondervoorkamer. Omdat ze een vrije opgang heeft en twee schuiframen, behoort ze tot dezelfde burgerklasse als de Pieterse's, reden waarom ze met juffrouw wordt aangesproken en niet met het in rang lager staande vrouw. Ze is zwaar gereformeerd, maar wantrouwt dominees (Multatuli geeft haar daarin gelijk) en wil om die reden zelf godsdienstoefeningen geven. Ze heeft al zeven jaar `de genade'.

Veel opleiding heeft ze niet genoten, maar intelligent is ze wel. Op het befaamde salieavondje van juffrouw Pieterse waar Stoffel onthult dat Laps een zoogdier is, laat ze zich kennen als een militante sensatiebeluste vrouw, die goed van zich af weet te bijten en graag het hoogste woord voert. Waarom juffrouw Laps niet getrouwd is, komen we niet te weten. Wel dat ze hartstochtelijk een man wil en op het ziekelijke af seksueel gefrustreerd is. Als Wouter bijna veertien is, stelt ze voor om hem bij haar in huis te nemen. Ze zegt erbij: ,,Om 't geld is 't me niet doen, je zou kostgeld kunnen geven.'' Het blijft gissen waar ze van leefde. Mogelijk werd ze financieel gesteund door familie. Rijk was ze zeker niet, de Noordermarkt ligt in de Jordaan, wat een achterbuurt was. Toen juffrouw Pieterse een erfenisje kreeg, wist ze niet hoe gauw ze naar een `fatsoenlijker buurt' moest verhuizen.

Juffrouw Laps verhuist kort daarna ook, maar ze houdt contact met de Pieterse's. In Wouters leven speelt ze een belangrijke rol, omdat ze in hem als enige een dichter herkent. Tot trots van de hele familie vraagt ze hem om ter gelegenheid van de verjaardag van haar oom een gedicht te maken. Wouter is vereerd. ,,Dat-i verzen maken kon, hoorde hij van juffrouw Laps voor 't eerst. 't Was een pure revelatie.''

Fantasie had ze dus ook. Woutertjes beroemde `Roverslied', waarin een bruid wordt geroofd en `vrouwen gehoond voor plezier', windt haar duidelijk zeer op. Multatuli schrijft dat ze na het aanhoren ervan bijzonder goed geslapen had. ,,Wat mij genoegen doet'', voegt hij daar aan toe. En verder: ,,Ik zou wel meer van 'r kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me, omdat ik nooit m'n onderwerp uitput.'' Hij is dus discreter dan Van Deyssel over Mathilde, maar niet minder suggestief.

Behalve fantasievol denk ik ook dat juffrouw Laps aantrekkelijk was. Waarom kijkt de briefbesteller met wie ze iets heeft gehad anders nog altijd naar boven, zoals iedereen op de Noordermarkt weet? En waarom zou Multatuli schrijven dat ze soms kon spreken met een waardigheid die haar prachtig stond? Laten we bovendien niet vergeten wat ze in Wouter weet los te maken. Hij blijkt er trots op dat ze hem als man niet heeft versmaad. ,,Z'n zonderlinge gastvrouw'', schrijft Multatuli, ,,hoe afschuwelijk ook vroeger in zijn oog, had de verdienste gehad snaren aan te roeren, die lang na 't verlaten van haar woning bleven doortrillen in z'n gemoed. (...) O, lieve onbaatzuchtige edelmoedige Laps! Had ze hem niet de mogelykheid aangetoond dat hy – hy , Wouter! – kon bemind worden als verloofde, als bruigom, als echtgenoot méér nog dan dat: als de minnaar in 'n boek?''

Deze onbaatzuchtige edelmoedige vrouw verdient net als Wouter en Femke en Multatuli zelf, een standbeeld – als femme fatale op het Rembrandtplein of desnoods in Artis bij de zoogdieren.

Deze tekst is een bekorte versie van de `Letterenlezing' die Elsbeth Etty dinsdag bij de opening van het facultaire jaar hield aan de Rijksuniversiteit Groningen.