Wild van haar pantoffels

Intellectueel genot en erotiek gaan in de openingszin van Thomas Hürlimanns novelle samen. `Mijn oom', zo luidt die zin, `was kloosterbibliothecaris en prelaat, zijn hoeden hadden een brede rode rand, en wanneer hij aanstalten maakte om de bladzijden van een duizend jaar oude bijbel om te slaan, trok hij handschoenen aan, zwart als de dessous van mijn moeder.' Hier de dessous, daar de boeken: pikant ondergoed en geestelijk voedsel verenigd in één beeld. Degene die het ziet, de ik, de verteller, is een jongen van amper twaalf. Bij zijn hoogeerwaarde oom bereidt hij zich voor op de kloosterschool waar hij na de zomervakantie heen moet: dat is de spirituele kant van zijn initiatie. Maar er is ook een seksuele kant, uitgelokt door de zinnelijkheid van de zomer en de nakende puberteit. En door de ome zelf.

Want de prelaat in Juffrouw Stark begeert zijn niet alleen de boeken. Hij houdt ook van geile stoffen, van fluweel en zijde, en één keer per week komt hij dronken terug uit de stad, dan heeft hij de beest uitgehangen. Om de volgende dag weer sereen de bibliotheek in te duiken: `Aan boord van de boekenark, zei mijn oom, was de rede, dus de orde, het hoogste gebod.'

Rokken

En zo zwalken beiden, oom en pupil, tussen de volheid des levens en de heilige ascese, waarbij ooms credo `In den beginne was het woord' concurrentie krijgt van neefs ondekking `In den beginne was er de vilten pantoffel.' Pantoffels moeten alle bezoekers van de bibliotheek dragen om de kostbare intarsiavloer te sparen. In het niet met name genoemde maar beroemde Oost-Zwitserse klooster Sankt Gallen is aan de jongen de taak de sloffen uit te reiken. Busladingen dames bedient hij, met steeds meer plezier. Voorzichtig schuift hij de pantoffels over de vrouwenvoetjes en onderwijl ervaart hij `het wonder van een opbloeiende geur, [...] een speciale melange van vers zweet, sering en leer.' Later is hij zelfs zo vermetel om tijdens zijn verblijf onder de rokken een handspiegel te gebruiken. De prelaat heeft niets in de gaten. Zijn vrome huishoudster wel. Juffrouw Stark waarschuwt de oom met de woorden: `Uw neef is een kleine Katz, dus moeten we oppassen.' Wat is er mis met de Katzen?

Langzaam, heel langzaam komt de jongen erachter. De Katzen, dat zijn joden. En joden, zo leert die jongen in de roomse provincie van de jaren zestig, bezitten alle ondeugden van de wereld. Onkuisheid bijvoorbeeld. Overgrootvader Sender Katz wandelde vanuit de Poolse vlakte de Zwitsere bergen binnen en daar vond hij een mantel. Weelderig gevoerd. Hij naaide er ondergoed van, voor de keurige mevrouwen. Zo verdiende hij de kost, met het maken van zondige dessous. En uit de armetierige kleermakerij kwam een textielfabriek voort. Beschamend, vindt de dessousbezeten jongste Katz. Zijn katholieke schuldbewustzijn juicht een gebeurtenis uit het jaar 1933 bijna toe. Toen verdween de naam Katz van het fabrieksdak, waarna alleen nog het niet-joodse Zellweger overbleef.

Hürlimann, in Nederland bekend van zijn religieus neutrale werkje Het tuinhuis en zelf een nazaat van joodse migranten uit Polen, stopt nog meer antisemitisme in Juffrouw Stark en ook nog meer joodse zelfverloochening. De overgrootvader, de grootvader, de oom en zijn neefje: zij allen passen zich overijverig aan en terwille van hun helvetische integratie laten ze zich zelfs grof vernederen. Ooms beste vriend is de voormalige `Ortsgruppenleiter' Tasso Birri. Die gedoogt de prelaat en zijn pupil aan de stamtafel op voorwaarde dat zij om zijn grappen lachen. En zijn lievelingsgrap gaat over gestampte joden. `G'stampfter Jud', dat is een ranzige pasta voor op het brood. `G'stampfter Jud', daarmee hebben wij onze fuseliers door de oorlog gevoerd, aldus de olijke Tasso Birri. O, wat bewondert de jongen deze zelfverzekerde man, en wat haat hij zijn lange neus, waarmee hij de vrouwenvoeten zo precies kan ruiken.

Achterbaks

Kort na verschijnen van Fräulein Stark, in 2001, verweet de joods-Duitse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki Thomas Hürlimann ervan clichés bij het beschrijven van joden te hebben gebruikt. De tekst, zei Reich-Ranicki, is op zijn manier toch antisemitisch, omdat de auteur heeft verzuimd om de joodse afkomst van de verteller duidelijk aan te geven. Maar wat Reich-Ranicki voor zwakte houdt, is juist de sterkte van dit boek. De schuldgevoelens van de puber laten zien hoe pijnlijk assimilatie verloopt en de vaagheid waarmee hij over zijn joodse afkomst vertelt geeft het geheimzinnige, het verbodene aan waarmee joden zo dikwijls worden omgeven. Niemand wijst de hoofdpersoon direct op zijn `geboortefout'; zijn ontdekking berust op achterbakse opmerkingen en veelbetekenende blikken, en zo ontstaat zowel in zijn bewustzijn als in de met weinig woorden gevormde novelle een sfeer die door z'n ondoorzichtigheid extra bedreigend is.

Hürlimanns oom was niet blij met het portret dat zijn neef van hem en zijn familie had geleverd. Om aan te tonen dat het in het echt allemaal heel anders was geweest publiceerde de 87-jarige `Dr. Theol., Dr. Phil h.r, Dr. res. publ. h.c' een vlammend tractaat. Maar Johannes Duft, zoals de prelaat in werkelijkheid heette, moet toch hebben opgemerkt dat Thomas ook liefdevolle dingen over hem noteerde. Die zinnelijkheid bijvoorbeeld, die keurde de neef niet af. Zijn gevecht ermee evenmin. En zijn lijfspreuk `Nomina ante res', het woord gaat voor de dingen, heeft zich in de novelle op sublieme wijze gematerialiseerd.

Thomas Hürlimann: Juffrouw Stark. Uit het Duits vertaald door Gerda Meijerink. De Geus, 155 blz. €18,–