We weten er niets van

De tweede roman van Elena Ferrante begint met een zin die protocollair klinkt en juist daardoor zo onthutsend is: `Op een middag in april, vlak na het eten, kondigde mijn man aan dat hij bij me weg wilde.' Die mengeling van een laconieke toon en een pijnlijke inhoud doet denken aan het incipit van Kafka's Het proces, waarin wordt meegedeeld dat Jozef K. op een zekere morgen zomaar wordt gearresteerd, zonder dat hij weet waarom. Net als Kafka's tragische held vermoedt Olga, Ferrante's hoofdpersonage, dat er sprake is van een misverstand, want zij slaagt er niet in de vinger op de zere plek te leggen van een huwelijk dat al vijftien jaar tamelijk moeiteloos heeft stand gehouden. Maar in weerwil van haar aanvankelijke ongeloof moet de 38-jarige Olga haar lot al snel onder ogen zien: `Ik was een echtgenote die had afgedaan, een afgedankt lichaam, mijn ziekte was niets anders dan een buiten werking rakend vrouwenleven.'

Olga blijft achter met twee kinderen en een hond, haar man Mario is ondergedoken bij een nieuwe geliefde, die de vroegere oppas van de kinderen blijkt te zijn, een jong mals kippetje. `Nu liet hij me in de steek en nam hij al die tijd mee, al die energie, al die inspanning die ik hem had geschonken, zomaar, [..] om de vruchten ervan met een ander te delen, met een vreemde die geen vinger had uitgestoken om hem [..] te laten worden wat hij geworden was.' Een verlatingsgeschiedenis is het gevolg, met alle herkenbare stadia: verdwazing, woede, onbegrip, pogingen jaloezie of medelijden te wekken, zelfonderzoek, zelfhaat, ontreddering, onredelijk gedrag tegenover de omgeving, agressie, gekte, berusting. Ferrante slaagt erin deze onttakeling en de daaraan inherente beklemming voelbaar te maken door de heftige stemmingswisselingen van Olga met bruuske stilistische wendingen te volgen. Nu eens zijn de monologues intérieurs van de gewonde heldin pathetisch van snit, dan weer is het taalgebruik gejaagd, furieus of ronduit grof, soms in één zin: `[..] ging het hem er waarschijnlijk alleen om punten te scoren, zoals op een schietbaan, in een rode kut te verzinken als in een met concentrische kringen omkroonde obsessie.'

Met de moed der wanhoop probeert Olga overeind te blijven in deze orkaan van emoties, terwijl ze ook nog eens achterhoedegevechten moet voeren met een onwillige telefoon, een ongehoorzame hond en allerlei banale calamiteiten. Ze stevent echter regelrecht op een borderline-situatie af, waarin waan en werkelijkheid een geraffineerde samenzwering beramen: `Nu was ik [..] aan het verwilderen [..] ik die tot vier maanden geleden louter nectar en ambrozijn was geweest.'

Met haast satanisch genoegen dringt Ferrante haar hoofdpersonage de hoek in: Olga wordt geconfronteerd met een ziek zoontje, een vergiftigde hond, een kapotte telefoon en een voordeur die niet meer open wil. Als gevangene van haar eigen appartement en van haar aan waanzin grenzende ontreddering herinnert ze aan de ontspoorde protagoniste van Polanski's beroemde film Repulsion. Maar waar Polanski's noodlotsdrama compromisloos in een bloedbad eindigt, daar mondt de verlatingsgeschiedenis van Ferrante uit in een zeker inzicht. Op de bodem van de put dringt het tot Olga door dat ze zich heeft losgemaakt van haar man, van een obsessie: `Ik wilde mezelf zijn, als die formulering nog iets betekende. Of tenminste zien wat er van me overbleef als hij eenmaal uit me weg was.'

De vergiftigde hond wordt begraven en zonder de geringste illusie zoekt Olga toenadering tot haar buurman, een timide musicus. Voortaan doet ze alsof, dat is de enige manier om momenten van geluk te beleven. Meer verlangen van het leven heeft geen zin, want: `We weten niets van de ander, ook niet van de mensen met wie we alles delen.'

Elena Ferrante: Dagen van verlating. Uit het Italiaans vertaald door Marieke van Laake.

Wereldbibliotheek, 190 blz. €17,90