Vous dites quoi?

,,En, hoe ging het vandaag'', vraagt een Belgische ambassadeur aan zijn vrouw. Het echtpaar was deze week in Brussel, omdat het ministerie van Buitenlandse Zaken `diplomatieke dagen' hield. Alle ambassadeurs en hun vrouwen werden ingevlogen.

Híj werd bijgepraat over Europa, transatlantische betrekkingen en binnenlandse aangelegenheden, en greep tussendoor de kans om op het ministerie te netwerken voor een volgende post. Zíj werd, met andere eega's en een enkele man, ook in het mooi gerenoveerde Egmontpaleis ontvangen, voor uitleg over de hervormingen in de Belgische ambtenarij, de financiën op de ambassades, het beheer van de residenties en familiaal beleid.

De ambassadeur is nu nieuwsgierig wat zijn vrouw zoal gehoord heeft. ,,Nou'', zegt ze, met een glimlach op de lippen, ,,weinig.'' Hoezo weinig, wil haar man weten. En zij antwoordt: ,,Simpel, chéri, een groot deel van de presentatie was in het Nederlands.'' Deze dame is niet van Belgische afkomst. Ze spreekt Frans, geen Nederlands. Ze leert liever de taal van het land waarin ze sinds een poosje woont (waarvan zij de naam, net als die van henzelf, om privacyredenen niet in de krant wil hebben). Zo kan zij op recepties tenminste ook met de `locals' praten.

Wat een dilemma. In België worden de echtgenoten van diplomaten, net als in andere landen, geacht hun wederhelft te steunen. Diplomaten moeten tweetalig zijn. Hun echtgenoten eigenlijk ook. Op elke Belgische ambassade en consulaat zitten Franstaligen en Vlamingen. Zeker nu de gewesten op een aantal posten in het buitenland ook specialisten hebben gevestigd, kan het voorkomen dat een Franstalige ambassadeur en zijn echtgenote een delegatie Vlaamse zakenlieden op bezoek krijgen – voertaal Nederlands. [Vervolg TAAL: pagina 5]

TAAL

Tweetalig pays

[Vervolg van pagina 1] Een Aziatische vrouw van een Belgische diplomaat, die behalve haar eigen taal alleen Engels spreekt, moet dus twéé nieuwe talen leren – om nog te zwijgen van de taal van het land waar zij naartoe worden gestuurd (facultatief, maar altijd aan te raden). Op ministeries spreekt iedereen zijn eigen taal. Vergaderingen vinden in twee talen plaats: Nederlands en Frans. Ook op persconferenties schakelt men constant over van de ene taal in de andere. Ministers switchen soms drie keer in één betoog. Belgen kijken er allang niet meer van op.

Onder de echtgenoten van de ambassadeurs zitten, zegt men, steeds meer niet-Belgen. Velen van hen spreken (nog) geen woord Nederlands. Volgens de ambassadeursvrouw die deze week in Brussel was, deed een aantal van hen geen mond open tijdens het `partnerprogramma'. ,,We wisten wel waar het over ging, omdat er stukken in het Frans waren. Maar je mist de clou omdat ze steeds weer overgaan op het Nederlands.'' Zij kon zó een aantal vrouwen opnoemen die zich graag hadden gemengd in de discussie over `wat je als ambassadeursvrouw doet als de echtgenote van de tweede man niet wil helpen bij het voorbereiden van recepties, omdat ze haar eigen werk belangrijker vindt'. Ook over de wegen die je moet bewandelen als je nieuw glaswerk wilt bestellen, of over buitenlandse diploma's van je kinderen die in België niet worden erkend, had ze meer willen opsteken. De ambtenarenhervorming was haar compleet ontgaan. ,,Ze toonden ons documenten in het Nederlands.'' Toch wil haar echtgenoot haar niet pushen Nederlands te leren. Typisch Belgisch, grijnst hij: ,,Regels zijn er bij ons om niet uit te voeren.'' Maar misschien vindt hij het ook wel best dat zijn vrouw debatten over werkende echtgenoten niet kan volgen. Het mocht haar eens op een idee brengen.