Taal op zijn zondags

Aan de overkant van de Noordzee kunnen ze zich een menswaardig bestaan zonder zondagskranten niet voorstellen. The Observer en The Sunday Times zijn volwassen dagbladen die alleen op zondag verschijnen. Ze hebben dan ook nog de eigenschappen van een Nederlands opinieweekblad. En je hebt de gewone kranten met een zondageditie, zoals The Independent. In Amerika hetzelfde. Voor een krantenlezer is er geen groter geluk dan op een vroege nazomerzondagmorgen met de The New York Times naar huis te gaan. In Frankrijk is er Le Monde, die wel op zondag verschijnt maar niet op maandag. Het beginsel van al die kranten is dat het nieuws nooit een dag vrijaf neemt. Het krantenlezend publiek in die landen weet dat en is in staat de toestand van dag tot dag bij te houden. En wie geen kranten leest, kan dat sowieso niets schelen. Die hoort en ziet het wel op de televisie.

Voor de Tweede Wereldoorlog waren er ook in Nederland zondagskranten. Het bevrijde volk was meer bij de wereld betrokken (in oorlog met de Republiek Indonesia, het communistisch gevaar) dan het vooroorlogse dat probeerde te zijn. Maar door papiergebrek, arbeidswetgeving, algemene armoede kwamen er geen nieuwe zondagskranten. Bovendien hadden we een bloeiende opiniepers waarin en waarover het politiek betrokken volksdeel zich kon opwinden. En nadat de televisie tot het medium van de massa was geworden, had je op zondagochtend een programma waarin Joop van Tijn vertelde wat er in The Observer en The Sunday Times stond. Wie er nog meer van wilde weten, kocht die kranten zelf. Het tijdperk van de Nederlandse zondagskrant leek voorbij.

Toen kwam Pieter Storms. Vastberaden als altijd wist hij de grootfinancier Joep van den Nieuwenhuijzen ervan te overtuigen dat met het oprichten van zo'n krant een nieuwe goudmijn zou worden geopend. Veel vergaderingen volgden, en ten slotte kon de verschijning van het eerste nummer van De Krant op zondag feestelijk worden gevierd. Maar hoe heldhaftig de poging ook, dit avontuur leed van het begin af aan inwendige gebreken. De gevestigde dagbladpers werkte tegen, er moest in België gedrukt worden en de redactie was het niet eens over de formule. De De Krant op zondag werd overgenomen, veranderde in HP/De Tijd op zondag waarin veel kinderziekten werden overwonnen. Maar intussen was de grote depolitisering van het Nederlandse volk begonnen, het publiek werkte niet mee, en ook deze krant stierf.

Nu, meer dan tien jaar later, gaan er hardnekkige geruchten dat dit najaar opnieuw een zondagskrant zal verschijnen. De Telegraaf zou plannen hebben, en ook Metro en Spits voeren iets in hun schild. Mocht dat zo zijn, dan kunnen andere dagbladuitgevers niet achterblijven. Het oude bezwaar, dat de gemiddelde Nederlander zijn krant niet op straat koopt maar in de bus krijgt, heeft volgens nieuw onderzoek veel van zijn kracht verloren.

Dit zijn uitsluitend geruchten; er kan niets worden bevestigd. Het mooie van een gerucht is dat je er zelf van alles bij kunt verzinnen. Ik zie voor me: een AKO-winkel met het eerste rek aan de ingang uitpuilend van de Nederlandse zondagkranten. Om te beginnen. Ik zou ze allemaal kopen. Maar wat zal erin staan? Wat wil de eigentijdse Nederlander op zondag lezen, behalve wat hij al de rest van de week kan lezen? Meer voetbal? Meer over de heer De Roy van Zuydewijn? Over uitgeprocedeerde asielzoekers? Marco Borsato? Dijkdoorbraken? Albert Heijn? Bolletjesslikkers? Treinvertraging? Excessieve zelfverrijking? Dat alles in groter lettertype onder een nieuwe invalshoek?

In ons postpoldermodel gebeurt ontzaggelijk veel, maar – hoe het komt weet je niet – als je het in de krant leest, of op de televisie ziet, is het alsof het niet echt is gebeurd. Noem iets recents, iets waarin Nederland en de rest van de wereld elkaar raken: onze minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken, die in het Oval Office, bij de machtigste mensen ter wereld aan het ontbijt zitten om de toestand in de wereld te bespreken. Woorden schieten tekort.

Misschien is dat de oorzaak. Het zou een taalkundige kwestie kunnen zijn. Dan is het een oud probleem. Er is een officieel Nederlands dat bij de overheid, in de politiek en in het hogere bedrijfsleven wordt gesproken. Negen van de tien keer omhaal van woorden, steeds meer nieuw steenkolenengels. Samengevat: de gecapitonneerde consensustaal, geen touw aan vast te knopen. Dan heb je de, zeg maar, voortdurend veranderende omgangstaal, okee. Verder de zelfprofileertaal waarmee de mediasprekers in het openbaar leuk of belangrijk uit de hoek komen. Ook wel door journalisten in dag- en weekbladen gebruikt. Het fuck-en-shit-Hollands, ongeschikt als schrijftaal. Maar een `algemeen beschaafd' waarin iedereen zich met de grootste duidelijkheid en de geringste opsmuk kan uitdrukken, en daarbij kan rekenen op de grootst mogelijke verstaanbaarheid, die taal is aan het verdwijnen. En juist dit `algemeen beschaafd' is de voertaal van de krant, althans zou dat moeten zijn.

Kortom, er gebeurt wel veel, maar het dringt niet door. Het lijkt wel, zei Arthur Lehning (geleerde, essayist en anarchist, 1899-2000) of dit land onder de dope zit. De krant die Nederland van de dope bevrijdt, desnoods alleen op zondag, die gaat het maken. Let op mijn woorden.