Polderen aan de Hudson

Dit waren de echte pioniers: kleine groepjes kolonisten in schamele houten huisjes, gebrekkig brabbelend met de Mohawks en moeizaam ploeterend op hun bouwlandje langs de Hudson. Ze kwamen uit Nederland, maar ook uit Scandinavië, Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Kroatië en zelfs woonden er slaven uit Afrika. Allen hoopten er een beter leven te kunnen leiden dan thuis. Hun nederzetting Nieuw Amsterdam, in 1625 gesticht door de West-Indische Compagnie, groeide in enkele decennia uit tot een stadje en werd het centrum van Nieuw Nederland, het gebied dat ruwweg werd begrensd door de Hudson en de Connecticut en waartoe ook Long Island behoorde. In 1664 – er woonden toen 7.000 tot 8.000 mensen – ging het over in Engelse handen. Sindsdien heette het New York.

Het commerciële doel van deze vestiging was de handel in beverhuiden, maar tegelijkertijd werden landwinwaarts ook landbouwgronden in cultuur gebracht. Zo ontstond aan de Hudson een gehucht bij het door de WIC gebouwde fort Orange. Het ontwikkelde zich tot het stadje Beverwijck met een kerk, een school, een armenhuis, 120 woonhuizen en duizend inwoners. Ook dit ging in 1664 over in Engelse handen.

De geschiedenis van Beverwijck wordt minutieus beschreven door de historica Janny Venema in haar onlangs aan de Vrije Universiteit verdedigde proefschrift. Venema werkt in Albany bij het New Netherland Project, het onderzoeksinstituut waar het rijke archief van Nieuw Nederland wordt vertaald in het Engels. Ze had dus direct toegang tot de bronnen. In combinatie met archiefonderzoek in Nederland en met de resultaten van archeologische opgravingen heeft ze de jeugdjaren van Albany kunnen reconstrueren.

Venema stelde zich de vraag hoe deze samenleving in die jaren veranderde en hoe `Hollands' die samenleving was. Nauwkeurig beschrijft ze de ontwikkeling van de bevolking, de groei van de instituties zoals bestuur, rechtspraak, kerk, armenzorg en onderwijs. Er is een hoofdstuk over vijf individuen wier succes en tegenslag worden gevolgd vanaf hun vertrek uit Europa, en een hoofdstuk over de onderscheiden beroepsgroepen. Tenslotte beschrijft Venema welke strategieën deze pioniers hanteerden om in hun primitieve omstandigheden te overleven. Hoe gereglementeerd het stadje ook werd, en hoe veel het ook leek op een Hollands samenleving, het was natuurlijk wel iets heel anders. Het harde klimaat met zijn koude winters en hete zomers, de onbarmhartige natuur, het internationale karakter van de bevolking en niet in de laatste plaats de contacten met de indianen, vereisten een andere levenswijze.

Veel aandacht krijgen de handel en de contacten met de indianen. Van hen kochten de kolonisten land en dat gaf op zichzelf al moeilijkheden omdat de indianen een heel andere uitleg van de koopcontracten gaven. Zij zagen het eerder als een soort vruchtgebruik. De contacten waren zeer frequent. Vrijwel dagelijks kwamen indianen in het stadje. En dat niet alleen, ze betraden de huizen van de Europeanen, wensten te worden onthaald en bleven slapen. Dat was nu ook weer niet de bedoeling, en zo ontstonden ook op privé-terrein talloze misverstanden. Toch kwam het vrijwel niet tot gewelddadige confrontaties en ontstonden er ook vriendschappen. Veel werd opgelost door overleg en dat nu was toch weer typisch Hollands.

Janny Venema: Beverwijck. A Dutch Village on the American Frontier, 1652-1664. Verloren, 528 blz. €35,–