Louter in de roes van de cybermens

Leve de doodstraf, weg met het homohuwelijk. Aldus Maurice Dantec, voormalig Franse punkrocker, geestverwant van Houellebecq, en evenals hij gehekeld als reactionair. In kolkende maalstromen tiert hij over literatuur, misdaad, 11 september, vrouwen en de Übermensch.

Hoe kom je aan een schrijver? Soms via een onbedoelde omweg. In dit geval onbedoeld door Daniel Lindenberg, de waakzame ideeënhistoricus die in Le rappel à l'ordre (2002) waarschuwde tegen de verrechtsing van de Franse intellectuele en literaire wereld. Overal zag Lindenberg `nieuwe reactionairen' de kop opsteken. Dat maakt nieuwsgierig. In eigen land zijn we er net aan gewend om `conservatieven' normaal te vinden, maar `reactionairen'? Helaas pakte Lindenbergs tableau de la troupe wat mager uit. Hij bleek zich vooral te richten tegen Michel Houellebecq, een meesterlijk provocateur en inderdaad geen opvallende vriend van links, maar een echte `reactionair' zou ik hem toch niet willen noemen – al was het maar omdat zijn werk daarvoor niet politiek genoeg is.

Het andere doelwit heette Maurice G. Dantec. Nooit van gehoord, maar nu kon ik Lindenberg alleen maar gelijk geven: de citaten in zijn pamflet logen er niet om. `Noch vrijheid, noch gelijkheid, noch broederschap zijn bereikbaar voor de massa's', lezen we bijvoorbeeld. `Alleen een aristocratisch denken (...) is volgens mij in staat om de democratie tegen haar verschrikkelijke tropismes te beschermen'. En de democratie als zodanig noemt Dantec `een noodzakelijk kwaad voor de expansie van wetenschap en techniek', maar dat is volgens hem nog `geen reden om van de gelijkheid een dogma te maken dat zich uiteindelijk tegen de kennis zelf heeft gekeerd'.

De citaten zijn afkomstig uit de twee delen van Dantecs Journal métaphysique et polémique, respectievelijk getiteld Le théâtre des opérations (2000) en Laboratoire de catastrophe générale (2001), elk zo'n zeven- à achthonderd bladzijden dik. Dus of de gekozen citaten representatief mogen heten, is niet meteen evident. Maar wie is deze Maurice G. Dantec, van wie zelfs Lindenberg moet erkennen dat hij hem `niet onverschillig laat', vanwege zijn `gejaagde, kolkende, vaak grandioze stijl'?

Op de enige foto die ik van hem ken, ziet hij eruit als een teruggekeerde poolreiziger, bij wie de ijspegels amper uit baard en snor zijn gesmolten. Het kan 's winters koud zijn in Montréal, waar Dantec sinds 6 december 1998 (zoals hij vermeldt op de eerste bladzijde van Le théâtre des opérations) met vrouw en kind woonachtig is. Geboren werd hij in 1959 in Grenoble, uit communistische ouders die in 1968 (na de inval in Praag) hun rode geloof zouden hebben verloren. In de jaren tachtig moet hij, als zanger en toetsenist, actief zijn geweest in enkele Franse `techno-punk' bands, en na een kort verblijf in de wereld van de `telemarketing' is hij gaan schrijven.

Het klinkt niet als de biografie van een `reactionaire' hardliner, al kan een communistische jeugd in dit verband natuurlijk wonderen doen (denk maar aan Gerard Reve). In de eerste plaats is Dantec, net als Houellebecq, een schrijver en geen politicus. Dat hij bij Lindenberg prominent als een van de belangrijkste `nieuwe reactionairen' figureert, heeft dan ook alles te maken met zijn opvatting van literatuur. Een opvatting die je, als het woord niet al door links was bezet, `geëngageerd' zou kunnen noemen, zij het niet ten gunste van de een of andere politieke partij.

Daarnaast kun je je afvragen in hoeverre het terecht is om in verband met Dantec van `literatuur' te spreken. Want zijn eerste drie boeken behoren tot genres die gewoonlijk niet tot de ware literatuur worden gerekend. In 1993 debuteerde Dantec met de spannende, maar niet erg opzienbarende `polar' (politieroman) La sirène rouge, die overigens voor Nederlandse lezers een extraatje bevat omdat hij zich voor een deel in Amsterdam afspeelt, inclusief een dodelijke schietpartij in de Bijenkorf. Daarna volgden Les racines du mal (1995), over een krankzinnige seriemoordenaar die denkt dat hij door buitenaardse wezens wordt bedreigd, en een onnavolgbare science-fictionroman Babylon Babies (1999) – maar over deze beide laatste boeken kan ik op eigen gezag niets melden, omdat ik ze (nog) niet gelezen heb. Dantec is namelijk een schrijver die zijn tijd neemt; ook zijn drie romans halen elk moeiteloos vele honderden bladzijden.

Al in La sirène rouge (dat draait om een infernale femme fatale die rijk wordt met `snuff movies' waarin zij zelf een hoofdrol speelt) valt met enige goede wil het `engagement' te bespeuren, en wel bij de hoofdpersoon Hugo Toorop, die lid blijkt te zijn van de `Colonnes Liberty-Bell', een soort clandestien vreemdelingenlegioen dat in ex-Joegoslavië aan de `goede' (lees: anti-Servische) kant meestrijdt. Ook in zijn beide dagboeken is voortdurend sprake van bekommernis om het lot van de Bosniërs, haat tegen Miloševic en ergernis over het `humanitaire' protest tegen de bombardementen op Belgrado. Het zou me niet verbazen als juist de Joegoslavische tragedie, en daarbij niet in de laatste plaats de dadenloosheid van `Europa', zijn `engagement' heeft ontketend.

Dantec vindt dat de literatuur niet terzijde van de `echte' wereld mag worden geschreven. Het nageslacht zal je niet begrijpen, zei hij in een interview, als je in de twintigste en eenentwintigste eeuw niet schrijft over `misdaad, wetenschap of oorlog'. Het zijn de thema's bij uitstek die in zijn werk opduiken, zowel in zijn romans en verhalen als in zijn beide dagboeken. Vooral de dagboeken reflecteren heel direct de buitenwereld en alle irritatie die deze opwekt in zijn licht ontvlambare gemoed. Zelf schrijft hij erover, met zoals bijna altijd een provocerende ondertoon: `Mijn verdraagzaamheid houdt op bij het onverdraaglijke. Dat wil zeggen: bij bijna alles'.

In het bijzonder alles wat riekt naar `politieke correctheid' of `modieus anti-fascisme' moet het ontgelden. Zo keert hij zich tegen het homo-huwelijk, omdat een huwelijk geen `recht' is maar een `traditie'. Wie het homo-huwelijk toestaat, kan in alle redelijkheid ook de polygamie niet langer verbieden, betoogt Dantec. Natuurlijk is hij ook voor de doodstraf. De afschaffing van de doodstraf noemt hij een gevolg van `lafheid', maar de `banalisering' van de doodstraf (bijvoorbeeld in Texas, waar aan de lopende band gevangenen worden geëxecuteerd) vindt hij `waanzin'. Hoe kun je het rechtvaardigen dat een onfortuinlijke bankrover in de gaskamer eindigt, terwijl een Servische massamoordenaar slechts een paar jaar in een comfortabele cel wordt opgesloten? En (volgende `gevoelig liggend' taboe) waarom mag je niet zeggen dat in een bepaalde beroepsgroep onevenredig veel joden te vinden zijn, terwijl iedereen op zijn achterste benen staat als ergens vrouwen, zwarten of homoseksuelen ondervertegenwoordigd zijn?

Dantec heeft beslist een fijn instinct voor de gevoelige tenen van zijn tegenstanders. Zichzelf legt hij intussen nauwelijks beperkingen op. De verbale kraan staat elke nacht (Dantec lijdt aan slapeloosheid en schrijft vooral 's nachts) wijdopen en alles wat hem maar invalt, verschijnt in letters op het scherm van zijn Macintosh. Zijn dagboeken zijn overvol, met welsprekend gefoeter en getier, lange tirades, onderbroken door losse kreten en aforismen (`Vrijheid is de ultieme graad van vervreemding' of `Geen kunst is mogelijk zonder wreedheid'), maar ook door onschuldiger en luchtiger reflecties over de seksuele relatie van jonge meisjes met hun mountainbike of over de uitzonderlijke schoonheid van de vrouwen in Montréal.

Ook barst Dantec zo nu en dan uit in niet altijd even geslaagde dichtregels. Of hij laat zich, op een onbedoeld poëtische wijze, meeslepen door zijn eigen jargon en oreert dan ondoorgrondelijk over `schizo-kapitaal van het derde type', `orthodoxe cyberpunk kritiek', `sinusoïdale oscillatie' en `multinodale metawetenschap'. Een groot deel van de tekst bestaat verder uit uitvoerige besprekingen van wat hij allemaal bij anderen heeft gelezen.

Naar eigen zeggen lijdt hij aan literaire `boulimie'; om de lacunes in zijn eruditie te vullen, leest hij alles wat los- en vastzit. Met uiteraard een voorkeur voor auteurs die door de `weldenkende' gemeente worden uitgekotst, zoals Joseph de Maistre, Léon Bloy of Pierre Drieu La Rochelle. Een reactionair, een katholieke apocalypticus en een Franse fascist – maar stuk voor stuk ook grote schrijvers, die ten onrechte buiten de canon worden gehouden. Dantecs geestdrift voor hen is een van de redenen waarom hij door Lindenberg als `reactionair' wordt weggezet. Maar dat is weer minder makkelijk vol te houden als je let op zijn minstens zo grote geestdrift voor wetenschap en techniek.

De onstuimige autodidact Dantec blijkt een fervent darwinist te zijn, die alles in het licht van de evolutie beziet. Ook de geschiedenis, die hij omschrijft als een `gedetermineerde chaos'. Historische ontwikkelingen, zoals de verschillende industriële revoluties maar ook de huidige mondiale expansie van de `technokapitalisme', staan voor hem niet op zichzelf; ze markeren telkens een fase van de `hominisatie', de ontwikkeling van de menselijke soort die nog lang niet is afgesloten. Een beslissende wending staat zelfs voor de deur, als we Dantec mogen geloven: het is nu zaak de mens en de mensheid als zodanig te `overwinnen', en een begin te maken met het `post-humane' of `meta-humane' tijdperk.

Het zijn uiterst speculatieve, enigszins hoogdravende theorieën, van een nogal drastisch kaliber, die onmiskenbaar de invloed van Nietzsche verraden: de Übermensch als het volgende stadium van de evolutie. Verzet ertegen is zinloos en dom, vindt Dantec. Maar in het oude Europa wil men dat maar niet begrijpen. Om die reden is hij naar Amerika geëmigreerd. Terwijl Europa wegkwijnt in postmoderne `decadentie' en `bloedeloze democratie', is Amerika voor Dantec `de enige plek op deze aarde waar de democratie kan worden overwonnen'.

In zijn recent verschenen bundel met essays en verhalen Périphériques noemt hij Amerika de `eerste samenleving die aan het leren is om zich los te maken van de mensheid'. Dantec wacht er met ongeduld op, vol verlangen naar de komende `post-humane' wereld. Terug naar Europa zou hij alleen willen, als de Europeanen zo verstandig werden om hun huidige `nihilisme' af te zweren, en het continent te veranderen in een `federatie' die opnieuw bereid zou zijn een `geopolitieke' rol in de wereld te spelen – een hedendaagse versie van Nietzsches verlangen naar `grote politiek'.

De literatuur fungeert bij dit alles als `radar' en `seismograaf', zij vangt de schokgolven op en voorspelt welke er nog zullen komen. Dat klinkt passief, maar Dantec ziet voor de literatuur ook een meer actieve rol weggelegd. `In den beginne was het Woord', citeert hij het Johannes-evangelie in Périphériques. Het woord heeft de mens voortgebracht en tot `anti-dier' gemaakt, dat in staat is de dingen te benoemen. De `literatuur' heeft dus de wereld geschapen, concludeert Dantec, met inbegrip van het DNA, dat hij de `roman van ons biologisch leven' noemt. Ook bij de aanstaande `mutatie' van de mens heeft de literatuur een taak te vervullen: de afbraak van de achterhaalde schijnzekerheden én de definitie van de `nieuwe grenzen' van de mens.

In Frankrijk brengt men alleen in de `marge' interesse op voor dit soort zaken, in de genres waarvoor de `officiële' literatuur haar neus ophaalt: de `roman noir', de sciencefiction, de `polar'. Dantec twijfelt er dan ook niet aan, of hier zal de roman van de toekomst ontstaan. De roman die alles in zich opneemt en zich nergens te goed voor acht, die de bestaande kijk op de wereld ondermijnt en verandert, die actief is (`om niet te zeggen radioactief), dynamisch (`om niet te zeggen thermodynamisch') en in elk geval `micro/macrokosmisch'. De roman die als een `wapen' durft te opereren. Of zoals Dantec het, opnieuw zeer nietzscheaans, uitdrukt: `Wij hebben besloten niet te wachten op de Nobelprijs alvorens met dynamiet te schrijven'.

Dantec heeft het steeds over dé literatuur en dé roman, maar het is duidelijk welke roman en welke literatuur hij stiekem op het oog heeft: die van hemzelf. Zijn theorieën vormen een krachtige oratio pro domo. Wat niet wil zeggen dat hij het allemaal zelf heeft bedacht. Dat blijkt wel uit zijn dagboeken, waarin de schrijver zich aan de lopende band laat stimuleren door andermans ideeën. Door dit oeverloze eclecticisme valt het niet mee om greep te krijgen op zijn gedachtewereld en op zijn werk.

Het is zo'n onwaarschijnlijke potpourri, zo'n gigantische smeltkroes, dat je niet goed weet waar je beginnen moet. Bij Darwin? Bij Nietzsche? Of toch liever bij Novalis? Maar evengoed komen we in de maalstroom Deleuze tegen, Baudrillard, Bataille, Blanchot, Guy Debord en de situationisten, de gnosis en de kabbala, en naarmate de dagboeken vorderen lijkt Dantec ook steeds christelijker te worden, zij het op een `ketterse' manier, met fikse scheuten esoterie (grotendeels ontleend aan de mij onbekende Raymond Abellio) erdoorheen, om nu maar te zwijgen over de `popcultuur' van sciencefiction, film en rock die nooit ontbreekt.

Dit alles en nog veel meer is met elkaar in het nachtelijke brein van Maurice G. Dantec een waarlijk `alchemistisch' te noemen verbinding aangegaan, die nergens duidelijker (maar dat wil ook zeggen: verwarrender) tot uiting komt dan in zijn onlangs verschenen roman: Villa Vortex, deel I van een cyclus die luistert naar de ambitieuze titel Liber Mundi.

Voor de lezers die Dantec hebben leren waarderen als schrijver van thrillers en sciencefiction, kan deze nieuwe roman moeilijk anders dan een teleurstelling zijn. Weliswaar begint Villa Vortex als een gewone hardboiled `polar', met een politie-inspecteur die op een seriemoordenaar jaagt. Maar de oplettende lezer is dan al gewaarschuwd door het eerste hoofdstuk, waarin staat dat de verteller geen `mens' meer is en geen `ik', terwijl ook de aanslagen van 11 september 2001 worden vermeld, als niets minder dan het `Einde der Tijden'.

Halverwege de roman (die ruim achthonderd bladzijden telt; aan woorden heeft Dantec nooit gebrek) neemt het verhaal dan ook een verrassende wending. De politie-inspecteur, die al honderden bladzijden lang vooral in bibliotheken en theorieën is geïnteresseerd en zo de moordenaar op het spoor hoopt te komen, wordt samen met zijn collega opgeblazen, en daarmee gaat in zekere zin ook de roman de lucht in. Of beter: hij wordt binnenstebuiten gekeerd, de achterkant van het tapijt wordt zichtbaar. Maar niet, zoals in het verleden tot vervelens toe gebeurde, om de lezer eraan te herinneren dat hij `maar een roman' aan het lezen is. Nee, bij Dantec komt `het Woord' zelf aan het woord, het verhaal maakt zich, om zo te zeggen, los van zijn substantie en begint zich als personage te gedragen.

Het doel van dit alles? Niets minder dan een regeneratie van de mens oftewel de overgang van mensheid naar `post-humaniteit'. Nietzsches Übermensch die werkelijkheid wordt in en door de roman. Dantec heeft zijn theorie over de scheppingskracht van de literatuur volkomen serieus genomen, en de lezer kan zijn borst nat maken voor een duizelingwekkend `kabbalistisch', `genetisch' en vooral `narratief' proces van metamorfose, waarbij de nieuwe Bibiothèque Nationale van Mitterrand het symbool is van de oude, achterhaalde cultuur (de vier torens overleven het niet) en een nieuwe held zich als `cosmokrator' moet zien te redden in een ondergrondse `antiwereld'. Terwijl Europa wegzinkt in een alomtegenwoordige burgeroorlog, wordt zo – met de belangeloze steun van Erwin Rommel en de Afghaanse krijgsheer Massoud, beiden overleden, maar alleen uit dood komt leven voort, nietwaar – een nieuwe start mogelijk.

Ik licht er nu maar een paar elementen uit. De roman als geheel is met geen mogelijkheid na te vertellen. Alsof iemand de toch tamelijk labyrintische wereld van Harry Mulisch heeft losgelaten in een nieuw labyrint en daarna nog eens in een ander labyrint – net zo lang tot alle draden zoek zijn. Alleen Dantec zelf schijnt daar geen last van te hebben: hij haalt het ene konijn na het andere uit de hoed, start een nieuw computerspel, schuift een volgende band in de videorecorder, en voorziet het geheel onophoudelijk van tekst. Die maniakale gedrevenheid, dat bijna naïeve enthousiasme, die onuitputtelijke fantasie, dit hartstochtelijke geloof in het loutere woord maken dat je toch blijft doorlezen.

Want er is geen twijfel mogelijk: hier gebeurt iets, dat elders niet gebeurt en dat met het stempel `reactionair' geen recht wordt gedaan, al moet je niet vragen wát precies.

Maurice G. Dantec: Périphériques. Essais et nouvelles.

Flammarion. 281 blz. €23,70

Maurice G. Dantec: Villa vortex. Liber Mundi I.

Gallimard, La Noire. 825 blz. €24,–

`Le théâtre des opérations' en `Laboratoire de catastrophe générale' zijn als pocket verschenen in de Collection Folio; `La sirène rouge' en `Les racines du mal' in Folio Policier en `Babylon Babies' in Folio Sience-Fiction