Koopkracht kan van consumptie afwijken

Iedereen gaat er in koopkracht op achteruit volgend jaar, maar de consumptieve bestedingen trekken aan. Hoe kan dat?

Gaat Nederland zich de komende jaren massaal bezondigen aan het op de pof leven? Door de deze week uitgelekte cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) lijkt het daar wel op. Het CPB verwacht voor 2004 een gemiddelde daling van de koopkracht van 0,5 procent, terwijl enkele regels verderop gesteld wordt dat de groei van de consumentenbestedingen weer wat aantrekken van 0 procent dit jaar naar 0,75 procent volgend jaar.

Minder geld en toch meer besteden? Dat betekent lenen of kopen op afbetaling of `ontsparen' (interen). Bij budgetonderzoeksbureau Nibud gaan dan direct de alarmbellen aan. Ontsparen is niet goed, vindt men daar, omdat mensen dan later geen buffer meer hebben voor tegenvallers. ,,Als het maar eventjes duurt is het niet zo erg, maar structurele ontsparingen leiden uiteindelijk tot problemen'', zegt een Nibud-woordvoerster.

Maar ontsparingen zijn niet de enige verklaring voor het verschil tussen koopkracht en bestedingen. Econoom en loonexpert Marcel Lever van het Centraal Planbureau legt uit dat er meer verklaringen zijn voor de ogenschijnlijke tegenstelling. Allereerst wordt het verschil veroorzaakt door het beleid van de overheid. Neem de zorg: daar zullen volgend jaar enkele zaken uit het basispakket voor het ziekenfonds verdwijnen. ,,Maar als de consument dezelfde hoeveelheid zorg wil blijven behouden (en die kans is in elk geval voor een deel van de consumenten reëel, red.) dan zal hij het voortaan op de vrije markt moeten inkopen, of hogere eigen bijdrages betalen. Dat gaat ten koste van het besteedbaar inkomen en dus van de koopkracht. Die op de markt ingekochte zorg maakt, in tegenstelling tot de zorg die in het ziekenfonds zat, deel uit van het mandje bestedingen, waardoor in de tabellen de consumptie toeneemt'', zegt Lever.

Bij de presentatie van het regeerakkoord maakte het CPB al kanttekeningen bij de cijfers die het kabinet presenteerde. Waar Zalm een lastenverlichting van in totaal 1,5 miljard euro in de boeken liet opnemen, schroefde het CPB die naar beneden en noteerde een lastenverzwaring van 3,25 miljard euro. Deze `correctie' werd overigens voornamelijk veroorzaakt door de bezuinigingen op de zorg die volgens het CPB tot meer individuele uitgaven aan zorg zouden leiden.

De verschuiving binnen het inkomen betreft niet alleen de zorg. Ook als bijvoorbeeld een deel van het maandelijks spaarbedrag ineens wordt uitgegeven aan de boodschappen, nemen de consumptieve bestedingen toe. Het spaarsaldo zal echter afnemen. Maar ook een hogere aandelenbeurs (daar rekent het CPB bijvoorbeeld mee) leidt in theorie tot

meer bestedingen als mensen besluiten hun aandelenwinst te verzilveren.

En dan zijn er incidentele factoren. Lever: ,,De koopkracht wordt op huishoudenniveau berekend zonder rekening te houden met incidentele loonstijgingen. Veel mensen gaan er jaarlijks een periodiek op vooruit, zodat ze meer verdienen.'' Ook zijn er incidentele `koopkrachtwinsten' als een erfenis of een schenking. Lever: ,,Je zou gemiddeld 0,5 procent kunnen optellen bij de algemene koopkrachtcijfers om een reële schatting te krijgen van de koopkracht van werkenden''. Tenslotte, stelt Lever, neemt de bevolking gestaag toe door geboortes en immigratie, waardoor het totaal aan consumptieve bestedingen toe kan nemen, terwijl dat op individueel niveau kan afnemen.

Uit een analyse van al die factoren blijkt dat het algemene koopkrachtbeeld per saldo weinig zegt over wat mensen daadwerkelijk besteden. Wat de rekenmeesters ook doen, en hoe het overheidsbeleid de portemonnee ook aantast, de consument houdt er blijkbaar een geheel eigen manier van uitgeven op na.