Hoog aan de oude muren

Van de miljoenen schilderijen die de Hollandse Gouden Eeuw heeft voortgebracht, is maar een fractie bewaard en het meeste daarvan hangt tegenwoordig in musea. Daar worden ze getoond onder optimale omstandigheden van ruimte en licht. Oorspronkelijk was dat doorgaans niet het geval. Schilderijen die in de zeventiende-eeuwse Republiek op ongekende schaal hun weg vonden naar particuliere woonhuizen, hingen vaak onwaarschijnlijk hoog aan de wand, thematisch gerangschikt naar de functie van vertrekken, die 's avonds en in de winter spaarzaam waren verlicht. Vreemd genoeg spelen dergelijke factoren, die voor het ervaren van beeldende kunst cruciaal zijn, in de vele studies naar de schilderkunst van de Gouden Eeuw een ondergeschikte rol.

De zeventiende-eeuwse `kijkbeleving' wordt systematisch onderzocht in het boek van Klaske Muizelaar en emeritus-hoogleraar sociologie Derek Philips. Een groot gedeelte van hun studie behandelt de vraag hoe schilderijen in hun oorspronkelijke context konden worden bekeken. Aan de hand van afbeeldingen van interieurs in schilderijen, de interieurs van poppenhuizen en van boedelinventarissen, reconstrueren zij nauwkeurig hoe woonhuizen in Hollandse steden waren ingericht en gedecoreerd. De nadruk ligt daarbij op de elite, omdat van hun bezittingen en interieurs veel beschrijvingen bewaard zijn gebleven. De inventarissen van de huizen van ambachtslieden, middenstanders en kleine kooplui over afzonderlijke kunstwerken geven daarentegen nauwelijks meer informatie dan dat het `een schilderij' betreft.

Bij werken in voorname huizen waarvan de voorstelling kan worden achterhaald, zijn Muizelaar en Philips vooral op zoek naar de verschillende reacties die de schilderijen hebben opgeroepen bij uiteenlopende beschouwers: de heer des huizes, diens vrouw, de kinderen, maar ook de bediening, vrienden, handelsrelaties of leveranciers. Zo zou een rijk uitgedoste, mooie jonge vrouw op een schilderij, voor een dienstmaagd een beeld kunnen zijn van een onbereikbaar ideaal. Een al niet meer zo jonge mevrouw kon zich identificeren met de rijkdom van de geschilderde kleding, haar dochter kon een rolmodel zien in de geschilderde dame, zoonlief zou romantische gevoelens voor haar kunnen hebben gekoesterd, terwijl vader het schilderij gezien kan hebben als `een onwelkome herinnering aan hoe het had kunnen zijn'.

Dergelijke interpretaties, die nooit door schriftelijke bronnen uit die tijd kunnen worden gestaafd, lijken vergezocht. Maar Muizelaar en Philips ondersteunen hun speculaties met uiteenzettingen over bijvoorbeeld de leefomstandigheden en eetgewoonten die hun weerslag hadden op het uiterlijk van vertegenwoordigers van verschillende sociale klassen, over een kennelijk onuitroeibare neiging van getrouwde mannen om andere vrouwen te veroveren, en over de vrouw des huizes die vaak schijnt te hebben bepaald waarmee het huis werd gedecoreerd. Onbeantwoord blijft helaas de vraag in hoeverre schilderijen, los van allerlei bijgedachten, louter om het esthetisch genoegen of uit waardering voor artistiek vakmanschap werden aangeschaft en thuis opgehangen.

Klaske Muizelaar en Derek Philips: Picturing Men and Women in the Dutch Golden Age. Paintings and People in Historical Perspective. Yale University Press, 246 blz. €42,70