Het zuiverste gif

Volgende week verschijnt de vijftigste roman van Willem Brakman, een schrijver die erin slaagt zijn eigen lof te zingen zonder aanmatigend te worden.

Negenenveertig boeken van Willem Brakman staan strak tegen elkaar gedrukt in de kast, van Een winterreis uit 1961 tot en met De gifmenger van afgelopen voorjaar. Nummer vijftig, Nazomer, verschijnt volgende week. ,,Die kast is het mausoleum'', zegt Brakman. ,,Daar komen ze niet meer uit, ook niet om ze uit te lenen. Als ik iets moet naslaan, bel ik mijn biograaf, Gerrit Jan Kleinrensink. Dan krijg ik het keurig met de post. Zelf kijk ik mijn boeken niet meer in. Een mens maakt ook geen graf open.''

Dat vindt u misschien eigenaardig, voegt Brakman daaraan toe, maar: ,,Gewone mensen schrijven geen goede boeken.''

Sinds Willem Brakman (Den Haag, 1922) debuteerde – op 39-jarige leeftijd, dus relatief laat – is er minstens eenmaal per jaar een boek van hem verschenen. Nummer eenenvijftig, De afwijzing, ligt overigens ook al bij de uitgever. ,,Mensen denken dat ik snel schrijf, maar dat is een misvatting. Maar ik schrijf wel onophoudelijk. Ik heb een traag talent.'' Brakman wijst op het schilderij aan de andere kant van de kamer, een heuvellandschap waarin uit een strakblauwe lucht gekleurde vormen naar beneden dwarrelen. Eigen werk. ,,Dat komt op het omslag van Nazomer. Blauw is de kleur van de metafysica, van daaruit komen de invallen; dat is de gedachte achter het boek.''

Die invallen vormen voor Brakman de kern van zijn werk. ,,Ik ben geen schrijver als Vestdijk. Die maakte uittreksels en, als het boek dik was, daarna weer uittreksels van zijn uittreksels. Op die manier zou ik niet kunnen werken. Ik ben een diepgelovige wat betreft de inval. Je moet de tijd nemen, voor je uit kijken. Het is een gearticuleerd proces, niet een kwestie van aan mooie vrouwen denken. 's Ochtends vaak fietsen, hier in de omgeving van Boekelo, met potlood en papier mee. Als me iets te binnen schiet, stap ik meteen af om het op te schrijven. Iedere verstoring kan het laten verdwijnen. Als een tegenligger aan komt fietsen die zegt: `Goedemiddag meneer, mooi weertje' dan is het weg. Ik ben weleens met starende ogen thuisgekomen als ik geen papier bij me had en een inval door een paar steekwoorden probeerde te onthouden. Die lijken dan het gebrabbel van een gek, bijvoorbeeld `eidooier', `roskam'. De voorwaarden voor een inval zijn niet aan te wijzen, maar de inval is altijd welkom, het is nooit de laatste gast op het feest. Ik behoor tot de bevoorrechten.

,,De invallen zijn vaak visueel, vandaar dat men zegt dat ik beeldend schrijf. Het is, om met Jacques Perk te spreken, de vrijheid die niet luistert naar wetten. Die moet je daarna onderbrengen in de vrijheid die wel luistert naar wetten.'' Dat doet Brakman thuis in zijn werkkamer. Hij schrijft eerst met de hand, dan nogmaals met de hand, waarna hij de tekst overtypt. Het leidt zelden tot dikke boeken, vaker tot werk dat in omvang ergens tussen de roman en de novelle zweeft. ,,Dat formaat is mij op het lijf geschreven, ik werk met een paar lijnen. Als ik op de eerste pagina boeh zeg en op de laatste bah, dan hoort het bij elkaar. Als een boek goed is, merk ik dat doordat het boek het dan overneemt van de schrijver, dan schrijft het zichzelf. Anders moet je terug, kijken waar je in de fout bent gegaan. Daar geloof ik heilig in, daarom hebben veel van mijn boeken prachtige slotzinnen.''

Ruwe mannen

Neem het slot van Nazomer, waarin de hoofdpersoon op een herentoilet een man tegen het lijf loopt en Brakman schrijft: ,,Zo iemand die de kraan ver openzet en dan bruut weer sluit, ongegeneerd pist, rochelt, hoest, lerpen papier gebruikt en al die tijd zijn tronie beloert in de spiegel''. Meestal is dat soort mannen ook nog van goeden huize, licht de schrijver toe in zijn woonkamer. ,,Als de hoofdpersoon iets van zijn gedrag zegt, merkt de man geërgerd op: `Vast een dichter'. Dat vind ik leuk, een mooi contrapunt als einde.''

De literair-journalistieke overlevering luidt dat een interviewer Willem Brakman maar één vraag hoeft te stellen, en dat de auteur dan zelf de tijd volpraat. Dat is enigszins overdreven, maar de pratende Brakman, met kopje thee, is een even wonderlijk fenomeen als de schrijvende Brakman. Hij vertelt met een vreemde combinatie van vriendelijkheid en onbescheidenheid. Brakman slaagt erin zijn eigen lof te zingen zonder aanmatigend te worden, alsof zijn kwaliteiten de gewoonste zaak van de wereld zijn. Ongeveer op dezelfde wijze waarop in zijn boeken ziekten, doden en ander akeligs steevast met een soort lichtheid worden beschreven.

Dat zijn invalgestuurde manier van schrijven Brakman de reputatie heeft opgeleverd een ontoegankelijk auteur te zijn, en dat hij het moet doen met een beperkte schare liefhebbers, lijkt hem nauwelijks te deren. Hij koestert zijn literaire prijzen (onder meer de P.C. Hooftprijs in 1981), maar wantrouwt de literaire wereld. De bescheiden festiviteiten die uitgeverij Querido op stapel heeft staan ter viering van `de vijftigste Brakman' zijn uitzonderlijk, hij is tevreden met zijn verblijf in de periferie, preciezer: in een bungalow aan een woonerf in Boekelo, onder de rook van Enschede. ,,Ik heb er geen behoefte aan om met andere schrijvers in een bruin café te zitten. Daar hoor ik niet tussen. Ik lees hun boeken ook niet of nauwelijks. Ik heb een eigen stem, die moet je koesteren. Het heeft lang geduurd eer ik mijzelf echt als een schrijver ging beschouwen. Driekwart van mijn loopbaan heb ik rondgelopen met het idee: ik schrijf wel goed, maar ik ben geen schrijver. Pas de laatste tien jaar is dat veranderd.''

Bovendien wil Brakman uit de buurt blijven bij wat hij de massaliteit van de kunstindustrie noemt. Die bedreigt de echte kunst. ,,Die is in staat binnen een week Connie Palmen aan de top der toppen te krijgen. Kwaliteit speelt daar nauwelijks nog een rol en dat maakt me doodsbang. Daarom is het belangrijk dat goede schrijvers de moed niet opgeven. Ik heb 50 boeken geschreven, dat heeft me niet meer dan kopergeld opgeleverd. Ik ben nooit hoger gekomen dan een eerste druk, maar heb nooit een seconde gedacht ik hou ermee op. Dat is een bewijs van goed schrijverschap.''

Twee tienen

Hoe gestaag Brakman nu ook doorwerkt, hij kwam ooit langzaam op gang. Hij groeide op in Den Haag, in een eenvoudig gezin. Studeren kon hij alleen doordat zijn schoolresultaten (,,Ik had twee tienen, vijf negens en acht achten'') hem een beurs opleverden. Tijdens de bezetting raakte hij in contact met een kring van Haagse kunstenaars, waardoor hij die periode nog altijd als `verrukkelijk' kenschetst. Hij zoog zich vol met Nijhoff en Marsman, maar ging medicijnen studeren: ,,Ik wilde zo graag psychiater worden dat ik drie zomers in een kliniek ben gaan werken, maar dat was niet wat ik me ervan had voorgesteld. Er gebeurde daar niets: men sjokte wat rond. En met wat er overbleef werd zo gedisciplineerd omgegaan dat het voor mij oninteressant werd. Er zat geen avontuur in.'' Na een kortstondig verlangen om scheepsarts te worden, zoals J.J. Slauerhoff, vestigde Brakman zich uiteindelijk als huisarts en later als bedrijfsarts.

Aan zijn medische loopbaan denkt Brakman `hooguit met ergernis' terug. Tussen de bedrijven door oefende hij zich in het schrijven, vooral in zijn correspondentie met de dichter Nol Gregoor (1912-2000). ,,Wij waren wonderlijke vrienden, het was niet de liefde die vriendschap heet, maar de haat. Nol Gregoor gold in de oorlog als de dichter van de toekomst, hij was een groot prater, maar hij deed niets. Hij noemde mij `het zwaard zonder genade', overal waar er een gat in zijn harnas zat, stak ik de pen naar binnen. Mijn talent en verbaliteit kunnen overdonderen, dat kweekt het zuiverste gif dat je je maar voor kunt stellen.'' Gregoor – er zijn ook bronnen die beweren dat hij voor Brakman `het zwaard zonder genade' was – speelde een belangrijke rol bij het debuut van Brakman. ,,Moe van al het pesten zei ik eens tegen hem: jij begrijpt mij niet, ik zal het je eens uitleggen in een verhaal. Dat verhaal heeft hij toen aan Vestdijk voorgelezen en die vond het prachtig. Zo is het begonnen.''

Niet alleen in zijn bizarre vriendschap met Nol Gregoor speelde (verbaal) gif een belangrijke rol, ook in De gifmenger is de hoofdpersoon papierhandelaar, schrijver en moordenaar; een man van wie je geen kopje thee aan moet nemen. Schrijven wordt in dat boek niet zozeer gepresenteerd als een scheppende, creatieve activiteit, maar als een destructieve: ,,Schrijven is het heilige in de alledag'', schrijft Brakman in de roman, ,,het kunnen onderscheiden tussen de saaie kiem, kern, en architectuur en de emailleglans van naad, van knooppunt en van het netwerk dat ruist als vele sprinkhaanvleugeltjes [...] Het is ook de lust tot vernielen, de wil uit de wens geboren zich aan iets te kunnen vastklampen dat stevig is en bewezen.'' Schrijven heeft een element van boosaardigheid in zich, legt Brakman vriendelijk uit. ,,Ik schrijf intrigerend, houd het zwevend rondom een centrum van boosheid, iets troebels en ondoorzichtigs. Daarover moet je niet te ernstig doen, net als over de dood, maar je moet het uitspelen. Zo schrijf ik. Soms komen mensen reclameren als er iets over hen in mijn boeken staat, maar ik verdom het om me daar iets van aan te trekken. Ik leef mijn leven, zij leven hun leven en ze weten wat er kan gebeuren als ze met mij omgaan. Het is een kannibalistische houding. Ik ben geen pestkop, maar ik weiger naast de dingen te kijken. Ik heb een venijnige blik, misschien had ik wel een goede cabaretier kunnen zijn.''

,,De figuur van de gifmenger heeft mij altijd gefascineerd. Het grootste moment voor de seriemoordenaar is het moment waarop hij thuis de deur achter zich dichttrekt. Dan voelt hij zich aan God gelijk, kan hij beslissen over leven en dood. Dat is het gevoel dat een schrijver ook kan hebben.'' De voornaamste tegenstrever van de schrijver Schoo is in De gifmenger de uit eerder werk van Brakman bekende dokter Van Heel, een arts die uiteindelijk omkomt, waarschijnlijk vergiftigd. De moord van de schrijver op de dokter doet denken aan het leven van de auteur, waarin de medicus Brakman plaats moest maken voor de literator, maar er schuilt méér achter de dood van de arts: ,,Van Heel is de dokter waar ik vroeger met mijn moeder naartoe moest in Den Haag. Hij gold als een godheid; een statige man, grote bos haar en een pafferig, geel gezicht. Een keer is er iets heel geks gebeurd. Op het spreekuur begon hij allemaal rare vragen te stellen, vragen over seksualiteit waar ik niets van begreep. Een paar dagen later zat ik op de wc en trok mijn vader ineens de deur open: wat doe je daar? Ik wist van niets, er was geen plek in mijn hoofd die aan zelfbevlekking dacht. Zijn rol in die episode heb ik Van Heel boek na boek niet vergeven, ik heb langdurig wraak op hem genomen. Hij komt in veel van mijn boeken voor.'' Met pretoogjes: ,,En hij is al vele malen gestorven''.

Waterstokerij

Het herhaaldelijk trieste lot van dokter Van Heel is een van de talloze gebeurtenissen in Brakmans oeuvre die terug zijn te voeren op zijn jeugdjaren, waar hij in veel boeken een proustiaanse zoektocht naar onderneemt. Ook pratend komt hij er steeds weer terecht. Bij de meisjes die kokend water kwamen kopen bij de waterstokerij (,,aan hun handen kon je de strelingen al afzien''), repen die bonnetjes bevatten voor een nieuwe reep en de grote indruk die de dood bij een verkeersongeluk van de Belgische koningin Astrid in 1935 op hem maakte: ,,Ik heb daar een heel doosje knipsels van bewaard, het had ook te maken met een zich vroeg ontpoppende seksualiteit. Op het moment dat een jongetje iets begint te ontdekken was ik bij wijze van spreken al toe aan de exhibitionist met de mantel. De dood van Astrid greep mij enorm aan, ik werd daar als jongetje zwaar door getourmenteerd. Twee jaar geleden hoorde ik dat de crypte waarin zij ligt nu dagelijks voor het publiek toegankelijk is. Ik ben er met een kennis naartoe gegaan. Ik stond daar, er lagen 70 jaren tussen, maar ik werd daar zo verdrietig van. Buiten zwiepte de regen in mijn gezicht. Ik vond het hartverscheurend. Dan kun je toch eerlijk zeggen dat gewone mensen geen goede boeken maken?''

`Nazomer' verschijnt eind deze maand bij uitgeverij Querido