Het leven blootgelegd in korte verhalen

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Wie is er aan de beurt? Ons tweede voorstel: Alice Munro.

Het is niet goed te verklaren waarom de Canadese schrijfster Alice Munro (1931) de Nobelprijs voor Literatuur niet al lang heeft gekregen. In de Angelsaksische wereld is zij door iedere schrijver en criticus van naam (van Cynthia Ozick en Joyce Carol Oates tot John Banville) in ieder medium van naam (van de New York Review of Books en de Atlantic Monthly tot de Times Literary Supplement) uitgeroepen tot de allerbeste schrijfster van korte verhalen, nee, van fictie tout court, die we op dit moment hebben. Vergelijkingen met Tsjechov en Proust zijn zo standaard dat ze in elk artikel over haar werk wel een keertje opduiken – blijkbaar zijn de recensenten niet in staat om andere auteurs te bedenken van een vergelijkbaar niveau. Bovendien is Munro niet uitsluitend een writer's writer: haar werk is zeer vaak vertaald en in tal van landen verkrijgbaar.

Toch geniet Munro bij een breed publiek niet helemaal de bekendheid en erkenning die ze verdient. Daar worden vaak drie redenen voor aangevoerd: Munro schrijft uitsluitend langere korte verhalen, op één roman na die eigenlijk ook een vermomde verhalenbundel was; haar verhalen gaan vooral over de levens van meisjes en vrouwen; en ze spelen zich meestal af op het Canadese platteland, in de provincie rond Lake Huron – de onglamoureuze Canadese Midwest. Dit zijn, naar het schijnt, onaantrekkelijke factoren.

We kunnen hier kort over zijn: wie Munro's werk afdoet als te regionaal gekleurd en daarom niet universeel relevant, toont niets aan behalve zijn eigen provincialisme. Munro's verhalen zijn ongeveer even provinciaal als de streekromans over Yoknapatawpha County van William Faulkner, winnaar van de Nobelprijs in 1949.

Ook het tweede `bezwaar' is, voor wie er over nadenkt, curieus. Toen Munro ooit werd gevraagd in een interview of zij een feministische schrijfster was, omdat haar verhalen altijd maar weer over vrouwen gingen, antwoordde ze verbaasd: ,,Natuurlijk gaan mijn verhalen over vrouwen – ik ben een vrouw. Ik zou niet weten wat de term is voor mannen die vooral over mannen schrijven.'' Wat er eigenlijk precies bedoeld werd met `feministisch' wist ze niet, zei ze.

Een goede vrouw

Munro heeft inderdaad geen feministische of andersoortige agenda bij haar verhalen. Ze geeft haar boeken doodgemoedereerd met een grote vanzelfsprekendheid titels mee als The Love of a Good Woman, Lives of Girls and Women of Hateship, Friendship, Courtship, Loveship, Marriage. Je vraagt je onwillekeurig af welke man nou met zo'n boek gezien zou willen worden.

Mannen als John Updike bijvoorbeeld, die schreef over Munro's Selected Stories: ,,We moeten teruggrijpen naar Tolstoj's Hadji Murad en Tsjechovs In het ravijn voor een vergelijkbare grootsheid.'' Of John Banville, die naar aanleiding van hetzelfde boek overwoog dat ,,het korte verhaal misschien de laatste vorm is waarin het humanisme zijn ware stem vindt, dat humanisme dat we nu, aan het einde van deze meedogenloze eeuw, vervuld van spijt en bange vermoedens, gedwongen worden op te geven.`'

Munro's korte verhalen zijn nauwelijks kort te noemen. Niet alleen omdat ze zelden minder dan dertig pagina's beslaan, maar omdat ze voller en substantiëler zijn dan menige roman. Munro paart genadeloze sociale observaties aan een ongeëvenaard psychologisch inzicht wanneer ze beschrijft hoe zich het noodlot ontvouwt in vrouwenlevens (vaak van Munro's eigen generatie), met al hun ambities, teleurstellingen, hartstochten, zelfbedrog, vergissingen, overlevingsstrategieën en keuzes die, achteraf gezien, allesbepalend bleken of juist totaal geen verschil maakten. Het zijn realistische verhalen, waarin plaats, tijd, de concrete fysieke werkelijkheid met een paar pennenstreken tot leven worden gewekt.

Tegelijkertijd is niets zo belangrijk in Munro's werk als het herinneren, en de betekenis die gebeurtenissen, los van elke objectieve werkelijkheid, aannemen in de hoofden van haar personages. De macht van woorden en het schrijven zelf spelen een grote rol. Iedereen, stelt Munro, probeert zichzelf een samenhangend, betekenisvol verhaal van zijn eigen leven te vertellen; en de manier waarop die samenhang en betekenis met het verstrijken van de tijd veranderen, het leven in de tijd zelf, is – net als bij Proust – het ware onderwerp van Alice Munro.

Maar Munro is een schrijfster die veel weglaat, en daarbij ook nog, vooral in haar latere werk, alle regels van het korte verhaal breekt. Ze springt heen en weer in de tijd, geeft haar verhalen een uiterst complexe structuur waarin de plot niet per se het belangrijkste element is, en het vertelde zich ontvouwt als een driedimensionaal object. ,,Een verhaal is niet als een weg die je moet volgen'', schreef ze zelf, ,,het is meer als een huis. Je gaat naar binnen en blijft er een tijdje, wandelt wat heen en weer, gaat zitten waar je wil, en ontdekt hoe de kamers en gangen met elkaar verbonden zijn, hoe de buitenwereld verandert wanneer die door deze ramen bezien wordt. En jij, de bezoeker, de lezer, verandert ook...''

Kelderraampje

Munro nodigt ons vaak uit haar verhalen binnen te treden via een zijdeurtje of een kelderraampje, en pas na een tijdje rondstruinen dringt het dan tot ons door waar we ons bevinden, doordat we bijvoorbeeld in een donkere gang door een deurkier een felverlichte kamer ontwaren. Maar het zijn geen inkijkjes in het leven van deze of gene die Munro ons toont; het is het leven zelf dat wordt blootgelegd, in al zijn alledaagsheid en mysterie.

In `Walker Brothers Cowboy', een van haar vroege verhalen, maakt een meisje een uitstapje met haar vader, die haar meeneemt naar wat een oude vlam blijkt te zijn. Munro eindigt het verhaal met een passage die emblematisch is voor haar hele werk: ,,So my father drives and my brother watches the road for rabbits and I feel my father's life flowing back from our car in the last of the afternoon, darkening and turning strange, like a landscape that has an enchantment on it, making it kindly, ordinary and familiar while you are looking at it, but changing it, once your back is turned, into something you will never know, with all kinds of weathers, and distances you cannot imagine.'' [,,Dus mijn vader rijdt en mijn broertje kijkt de weg af op zoek naar konijnen en ik voel hoe mijn vaders leven terugvloeit uit onze auto in de late namiddag, donkerder wordend en vreemd, als een landschap waar een betovering op rust die het vriendelijk, alledaags en vertrouwd maakt terwijl je ernaar kijkt, maar het verandert, zodra je je omkeert, in iets dat je nooit zult kennen, met allerlei soorten weer, en afstanden die je je niet voor kunt stellen.'']

Munro schrijft verhalen zoals Billie Holiday de blues zingt, zoals Clara Haskil Mozart speelt: onnadrukkelijk, transparant, virtuoos en intens, met een weergaloze timing, en met grace – gratie die een groot mededogen in zich draagt.

In een interview noemde Munro ooit als haar allervroegste invloeden Tolstoj, Tsjechov, Proust en Henry James. Inmiddels wordt ze zelf door collega's als Joyce Carol Oates en John Updike in één adem met deze grootheden genoemd. Dat biedt de Zweedse Academie, die Tolstoj noch Proust noch James ooit bekroonde, een zeldzame kans dit verzuim weer goed te maken door nu Alice Munro, een schrijfster van hetzelfde kaliber, de prijs toe te kennen.

Vorige afleveringen van deze serie zijn te lezen op www.nrc.nl. Nobel-series uit voorgaande jaren staan op www.nrc.nl/dossiers.