Het huis van de hemel

Weer glijdt de trein langzaam langs de achterkanten van de huizen. Uitzicht op tuinen en tuintjes, schuurtjes, bouwsels, een grasveld en een stortplaats en een rommelhok, achtergevels, balkons met waslijnen, iemand die de deur sluit. Allemaal niet voor inkijk bedoeld, maar daarom juist geliefd bij dichters, vooral de dichters met een goed oog voor de toevallige aanleiding, de per ongeluk geworpen blik in vreemde huizen, het tweesecondencontact met onbekende levens in het voorbijgaan. Dichters van de achterkant. Er hoort een afwachtende, onbevangen, licht afwezige stemming bij, en een gedachte: dat de rommelige achterkant vaak meer onthult dan de nette voorkant.

In zo'n stemming moet Willem Wilmink hebben verkeerd toen hij opschreef, in de eerste regel van zijn gedicht `Achterlangs': `De meeste treinen rijden achterlangs het leven.' Beetje onbeholpen gezegd. Of het echt waar is weet ik niet, en of er ooit spoorkundig onderzoek naar is gedaan, vraag ik me ook af, maar voor het gevoel zal het vast wel zo zijn. Dit is wat Wilmink in het voorbijgaan ziet: `Je ziet een schuurtje met een fiets ertegenaan.' En: `Een kleine jongen is nog op, hij mag nog even.' En: `Je ziet een keukendeur een eindje openstaan.' Drie toevallige waarnemingen, op drie verschillende achterlangse adressen gedaan, maar misschien ook wel op een en hetzelfde perceel. Bij elkaar vormen schuurtje, fiets, kleine jongen en open deur in het hoofd van de dichter het verlangen om op te gaan in dat uitzicht: `Als je maar niet door deze trein werd voortgedreven, / zou je daar zonder meer naar binnen kunnen gaan.'

Het is een fantasie die iedere reiziger wel zal kennen: hoe zou het zijn om daadwerkelijk een van die onderweg vluchtig gepasseerde levens te leiden? Wilmink gaat het proberen, en stelt zich er veel bij voor: `Zodra de schemer was gedaald, / was je niet langer meer verdwaald.' Tegelijk klinkt daarin ook al een zorgelijke tegentoon mee. In het tot dan toe nog onbekommerde gedicht dient zich kinderangst aan. Aan het woord is een kind dat zich blijkbaar verdwaald voelt, niet geborgen, zonder huis, lijdend aan de kinderlijke oerangst nog geen onderdak gevonden te zullen hebben als de duisternis gaat vallen. Daarmee krijgt het passief naar buiten koekeloeren naar huizen met schuurtjes, fietsen, kleine jongens voor het raam en open deuren een heel andere functie: hier is een ontheemde, een wees wellicht, actief op zoek naar een nieuw huis, een veilig onderkomen – en het liefst zo snel mogelijk.

Die angst zet ook het vervolg van het gedicht in een ander licht. Het klinkt aanvankelijk luchtig, en grappig. Het speelt met de gedachte dat je daadwerkelijk uit zou stappen en daar, in dat vreemde huis, naar binnen zou gaan. `En je ontmoette daar niet eens verbaasde blikken. / Je zou toch komen? Iedereen had het vermoed. / Ze zouden even haast onmerkbaar naar je knikken, / want wie verwacht is, wordt maar nauwelijks begroet.' Wonderlijk: het kind keert kennelijk terug bij vertrouwde mensen. Maar ook angstaanjagend: het herkent zelf de vertrouwde omgeving blijkbaar niet. De sfeer doet denken aan die van gevaarlijke toversprookjes, en aan de kindergedichten van Hendrik de Vries bijvoorbeeld, vaak door Wilmink geciteerd. Geluk en schrik liggen daar dicht naast elkaar. `Je zou je zomaar aan hun tafel kunnen schikken / en alle dingen waren plotseling weer goed.' Voor een sprookje is dat misschien een mooi einde, maar voor een gewoon kind in de trein klinkt het juist extra wrang: het betekent dat alle dingen nu dus helemaal nog niet goed zijn.

In het derde deel wordt verder gedroomd over het sprookjeswonderhuis. Er komt geen cola uit de kraan, maar er doet zich wel iets vergelijkbaar feestelijks voor: `Je hoefde daar geen druppel alcohol te drinken, / want grenadine zou je smaken als cognac.' Dat is wat je noemt luilekkerland voor alle leeftijden. Het wordt er ook nog eens, bij al die grenadine, oergezellig: `Je zag het haardvuur achter micaruitjes blinken'. En onbekommerd vrolijk: `er kwam een merel zitten zingen op het dak.' Het kan allemaal niet mooier, net zoals in echte sprookjes. Geleidelijk dringt zich ook de gedachte op dat hier misschien niet een sprookjeshuis bij elkaar gefantaseerd wordt, maar een erg gelukkige jeugd wordt herbeleefd. Achter deze wonderlijke fantasie gaat misschien wel een zwaar geval van heimwee schuil. In de daaropvolgende regels wordt het nog schrijnender: `En die paar mensen die je nooit hebt kunnen missen, kwamen daar binnen met een lach op hun gezicht.' Komen hier, in het droomhuis, enkele dierbare doden weer tot leven? Het lijkt er wel op. Als dat zo is, dan wordt hier het grote totale thuiskomen beleefd, inclusief hervinding van de jeugd, terugdraaien van de klok, uitsluiting van alle leed. `Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen, / je deed het boek van alle droefenissen dicht.'

Dan rest de dichter aan het slot niets anders dan het besef dat die tijd nooit meer terugkomt. `Maar ach, de trein is doorgegaan/ en kilometers daarvandaan.' Dat zou je een mooi weemoedig, standaard romantisch einde kunnen vinden, maar daarvoor is de toon mij toch te akelig en te existentiëel. Door het hele gedicht loopt ook een nare draad van gemis en vervreemding, van door een raam kijken naar jezelf, of een afsplitsing van jezelf, en er niet meer helemaal bij kunnen.

Het is een leuke gedachte dat je uit de trein van je eigen leven zou kunnen stappen en ergens onderweg helemaal opnieuw zou kunnen beginnen. Nog leuker is het als zou blijken dat je dan toch weer je eigen leven bent binnengegaan. Maar eerlijk gezegd lukt het mij niet die gedachte ook werkelijk te bevatten. De toekomst ligt naast ons? De dood kan ongedaan worden gemaakt? Kom aan in je eigen verleden en stap uit? Het is alleen te snappen met een cyclische voorstelling van de tijd: als een trein die rondjes rijdt en steeds weer langs (of achterlangs) hetzelfde leven komt.

Wilminks gedicht is uit het begin van de jaren tachtig. Hij woonde toen ergens in het midden van het land. Tien jaar later zou hij terugverhuizen naar zijn geboortestraat, de Javastraat in Enschede. Hij had er, als hij gewild had, weer in zijn ouderlijk huis kunnen gaan wonen, maar hij bleef liever toch nog op enige afstand: op zo'n tweehonderd meter van zijn geboorteplek, schuin tegenover zijn oude lagere school. Het ligt voor de hand daarbij even terug te denken aan de voorstelling in `Achterlangs', aan het uitstappen in je eigen jeugd, `en je ontmoette daar niet eens verbaasde blikken.'

Het is dezelfde straat en hetzelfde huis waar Willem Wilmink onlangs, op 2 augustus, overleed. Alsof de trein van de tijd in nog weer eens tien jaar een nieuwe ronde heeft gemaakt en opnieuw bij het huis is aangekomen. Het huis van de jeugd, van de droom, van het sprookje, van het heimwee is nu ook het huis van de hemel. Uitstappen en binnengaan. Iedereen is er, ook alle overledenen. Gelach, feest, vrolijkheid, want er is volop grenadine. `Je zou je voortaan nooit meer in de weg vergissen, / je deed het boek van alle droefenissen dicht.'