Gevaarlijk genot

Altijd al over een gletsjer willen wandelen? In Oostenrijk worden 's zomers cursussen georganiseerd. `Mijn hart bonst in m'n keel, dit is schitterend!'

,,Niet straukelen!' schalt het streng over de gletsjer. Onze Oostenrijkse Bergführers Sepp en Konrad (Konni) spreken al een aardig woordje Nederlands en zijn er behoorlijk op gebrand dat wij, twaalf Nederlandse cursisten, goed met stijgijzers leren lopen. Elk zomerseizoen leiden zij, week in week uit, groepen Nederlanders door het hooggebergte van het Ötztal. Alle scheldwoorden en bergsporttechnische termen hebben zij inmiddels opgepikt. Hun Nederduits komt grappig over. ,,Niet lullen in die Berge.'

Een week lang volgen we een beginnerscursus georganiseerd door de NKBV, de Nederlandse Klim- en Bergsportvereniging. ,,Een bergsportvereniging? In Nederland?' is meestal de ongelovige reactie van de gemiddelde Oostenrijker. Dan vertellen we maar niet dat ons land tot voor kort zelfs twee bergsportverenigingen had, en dat die pas na heel veel gehannes bereid waren te fuseren.

De afgelopen paar dagen hebben we `droog' geoefend met rotsklimmen en touwtechnieken, maar nu mogen we echt op de gletsjer oefenen. De gletsjer van het Rofenkar waarop we onze eerste onvaste stappen op stijgijzers zetten is redelijk vlak en heeft weinig grote spleten. We moeten breed lopen om te voorkomen dat de ijzeren punten van de ene voet in de bindingen van de andere haken. Sepp en Konni kiezen steeds steilere stukken. Om ons uit te dagen zo lijkt het, maar gaandeweg krijgen wij het kunstje steeds beter onder de knie.

Op de gletsjer is het een lawaai van jewelste door het smeltende ijs. Talloze beekjes met ijskoud smeltwater slijten zich een weg over het gletsjeroppervlak, om klaterend in een dwarsspleet te verdwijnen. Deze week is het net als overal elders in Europa ook in de Alpen bloedheet. De vorstgrens ligt volgens het weerbericht op 5.000 meter. Langs de gletsjer doen zich spontaan steenlawines voor als de zon de bevroren bodem opwarmt en de zwaartekracht grip krijgt op de losse stenen. Het vormt een onheilspellend gerommel op de achtergrond, maar wij zijn buiten de gevarenzone midden op de gletsjer. Langzaam begint het te wennen om in een terrein te lopen waar een mens eigenlijk niet zou moeten zijn.

De volgende dag staat een Spaltenwanderung op de Rettenbachgletsjer op het programma. Zo'n tocht is alleen mogelijk op een `apere Gletscher', een open ijsstroom waarin elke spleet te zien is. Met deze warme zomer is vrijwel alle sneeuw van het ijs verdwenen. We oefenen vooraf weer met de stijgijzers, en lopen dan over een breed pad verder de gletsjer op. Dan draaien we met een scherpe bocht naar rechts het Spaltengebiet in. Hier maakt de onzichtbare rotsbodem ver onder het ijs kennelijk een scherpe knik naar beneden, waardoor het ijs onder zijn eigen gewicht breekt. De diepe spleten gapen ons aan, een craquelé van ijs.

Gids Konni zoekt zijn weg door het witte doolhof en wij volgen hem als eendenkuikens achter de moedereend. Nu en dan moeten we over een spleet stappen, als de ijsrand waarop wij lopen plotseling ophoudt en wij alleen over de volgende ijsrand verder kunnen. Naar beneden kijkend schat ik de spleten tien, vijftien meter diep.

De spleten worden breder en om aan de overkant te komen moeten we nu springen. Voorzichtig, want de touwlengte tussen je voor- en achterganger is maar beperkt. Dat betekent dicht aan de rand gaan staan, je voorganger laten springen, wachten tot degene achter je naast je is komen staan en dan zelf springen. Niet terugvallen, want daar is de spleet en ook niet doorschieten want daar komt de volgende spleet.

Met zijn pickel hakt Konni een treetje uit in het ijs. Een blok ter grootte van een stoeptegel valt naar beneden. ,,Sssst', roept hij achterom, en dan is te horen hoe het stuk ijs steeds verder door de binnenste krochten van de gletsjer valt. Wel een halve minuut houdt het surrealistische klokkenspel uit de diepte aan. Tevreden glimlacht Konni: iedereen is er nu van doordrongen dat je daar maar beter niet in kan vallen.

In het lichaam veroorzaakt het een vreemde, maar aangename mix van hormonen: de adrenaline gevoed door de angst laat het hart in de keel bonzen en de droomachtige werkelijkheid van het gletsjerlandschap maakt golven endorfine los. Dit is schitterend.

Twee dagen later staan we al om 10 uur 's ochtends op de top van de Fluchtkogel (precies 3.500 meter), letterlijk het hoogtepunt van onze cursusweek. Rondom zien wij alleen maar gletsjers, witte ijszeeën tot zo ver het oog reikt. Dit is het omvangrijkste vergletsjerde gebied in het oostelijke deel van de Alpen. Het lijkt ontsnapt aan het broeikaseffect. Met zoveel ijs onder de voeten geloven de Oostenrijkers niet dat de gletsjers gedoemd zijn te verdwijnen. ,,Gletsjers smelten en groeien', zegt Sepp, ,,dat is de natuur.'