Geen lijken alstublieft

Dit is het zoveelste fotoboek over oorlog: ruim tweehonderd opnamen over de oorlogen die op alle continenten zijn gevoerd. Sinds 1846 althans, want dat is het jaar van de eerste oorlogsfoto. Vroeg is het wel, want Daguerre's uitvinding had nog de kenmerken van een toverdoos. Toch zou de allereerste échte oorlogsfotograaf, Roger Fenton, kort daarna, in 1855, professioneel toeslaan. Fenton mocht van het British War Office mee naar de Krim, ten oorlog tegen de Russen, maar op één voorwaarde: `no dead bodies'. Dat hij zich daar braaf aan hield blijkt uit het eerste afgebeelde panorama in The Eye of War: de haven van Balaclava, vanaf de omliggende heuvels bespied door Britse soldaten die zich als zorgeloze padvinders bij hun wigwam-tenten hebben opgesteld.

De twee wereldoorlogen, Korea, Vietnam, Algerije, Israël, de Falklands, Tsjetsjenië, de Golfoorlogen: de kleur- en zwart-wit ikonen uit de kranten van destijds staan er allemaal in. Het verschil met andere recente fotoboeken in dit genre zit hem in de gedetailleerde bijschriften, in de historische citaten en vooral in de schokkende ooggetuigeverslagen. De Britse burger mag dan dankzij Fenton avond en avond rustig te bedde zijn gegaan, de Ierse journalist William Howard Russell van The Times bezorgde hen vanuit diezelfde Krim slapeloze nachten: er waren juist veel `dead bodies', tekorten aan voedsel, kleding en medicijnen. En het onderdak was abominabel. Russell schreef het allemaal op.

Soms dienen de bijschriften als sfeerschets, als commentaar, als verklaring of als follow-up van een foto. Bij een bovenaanzicht van het verwoeste Dresden (1945) vertelt bijvoorbeeld een overlevende hoe ze langs een tram liep waarin alle vrouwen en kinderen zaten te slapen; later bleek dat de inzittenden door zuurstofgebrek allang dood waren. Het bijschrift bij een foto van vier geknevelde militairen, genomen tijdens de onafhankelijkheidsviering van Bangladesh (1971), onthult hoe guerrillastrijders ze met brandende sigaretten bewerkten en daarna met chirurgische precisie hun bajonetten hanteerden om de vier een trage dood te bezorgen.

`If your pictures aren't good enough, you're not close enough', vond Robert Capa, een van de grootsten in de 20ste-eeuwse oorlogsfotografie. De foto (1954) die naast dat citaat staat – twee Franse soldaten op een motorfiets op een kale vlakte in Vietnam – was een van Capa's laatste. Kort daarna raakte zijn geduld op, hij passeerde de motoren om de vijandelijke fortificaties `close' te naderen. `Too close' – Capa reed op een mijn en stierf.

The Eye of War is een lezenswaardig boek, omdat korte, samenvattende hoofdstukken veel informatie bevatten over een specifieke oorlog en de daarbij toegepaste fotografie. Het is ook een gruwelijk boek, niet door het hoge horror-gehalte, want als het daarom gaat zou een keuze uit onbekender, eerder gecensureerd materiaal meer effect hebben gesorteerd. Maar dankzij de teksten die datgene wat men hier als buitenaards kon én kan ervaren, nu empathisch onontkoombaar maken. En dat is mede te danken aan de expertise van de samenstellers: de vooraanstaande Britse militair-historicus John Keegan en Phillip Knightley, die naam verwierf met zijn boek The first Casualty, over de partijdigheid van oorlogscorrespondenten.

John Keegan en Phillip Knightley: The Eye of War. Weidenfeld & Nicolson, 287 blz. geïll., €53,–