Gedachten die op de loop gaan

De Nederlandse Alain de Botton zou je Dirk van Weelden kunnen noemen. Net als de schrijver van How Proust Can Change Your Life en The Art of Travel maakt Van Weelden een soort collages van verhalen, autobiografie en essayistische uitweidingen. Of hij zijn boeken nu presenteert als romans, zoals Orville (1997) en Het refrein (2000), of als `essays en verhalen' (Van hier naar hier, 1999), ze komen over als middelpuntzoekende improvisaties die de lezer soms in verwarring achterlaten. Geen probleem voor Van Weelden. `Literatuur is er niet omdat literatuur zo mooi en belangrijk is', noteerde hij in 1998 in het tijdschrift De Revisor, `maar om zo te schrijven dat er iets buitenliterairs gebeurt in de harten en hoofden van de lezers.'

Ook Van Weeldens nieuwe boek is allesbehalve een doorsnee roman. De hoofdpersoon is een `hij', en in het eerste hoofdstuk komen geen plaatsnamen voor, zodat het decor abstract blijft. Maar voor het overige is Looptijd overduidelijk autobiografisch: het beschrijft het leven en de gedachten van een schrijver annex amateur-hardloper wiens bestaan door elkaar geschud wordt als hij binnen een paar dagen zijn beide ouders verliest. Op de achterflap wordt Looptijd aangeduid als een `romanesk dossier'; binnenin beschrijft de `hij' het als de uitkomst van `een jaar lang hardlopen en schrijven. Een schrijvend leven leiden en daarbij zijn hardlopende lichaam als personage kiezen.'

Hardlopen is voor Van Weelden (1957) niet zomaar een dagelijks blokje-om als remedie tegen midlifecrisis en/of veertigersbuikje. Net als de indianenvolkeren, of liever de indian runners met wie hij zich op zijn beste momenten identificeert, beschouwt hij het als een `middel om een geestelijke ruimte te openen'. De renner bevindt zich voor de duur van zijn loop in `de looptijd, die een lichamelijke en per definitie persoonlijke tijdsorde is.' Geen wonder dat het afleggen van halve marathons uitstekend kan dienen voor rouwverwerking; het lopen is een rite de passage, het brengt `de ander die hij moet worden' tevoorschijn: `Een man zonder vader en moeder, zonder ouderlijk huis. Iemand die zich zijn ouders, hun leven, zijn jeugd eervol herinnert. Iemand die de herinnering van zijn ouders waardig is.'

Lopen maakt de gedachten vrij. Van Weelden is niet de eerste die dat opmerkt, maar Looptijd is misschien wel het eerste Nederlandse boek waarin die gedachten uitputtend worden geregistreerd. En dus is een trainingsloop door de duinen het raamwerk voor het verhaal hoe de hoofdpersoon van het geloof van zijn ouders afviel en voor uitweidingen over Herodotus en het boodschapperssysteem van de Incaheersers. Een rondje Antwerpen doet filosoferen over het wezen van de stadsloper en de oorsprong van zijn hardloopcarrière. Een veldloop door de Grote Peel eindigt na overpeinzingen over trainingsmethoden en heroïsch masochisme met een filosofische verwerping van de hedendaagse `Plug & Play'-mentaliteit, oftewel `het evangelie van Now & Wow.' Het verslag van de jaarlijkse Dam-tot-Damloop becommentarieert de wil tot winnen en het verbeteren van Persoonlijke Records. En een lusje om de Ohio leidt tot bespiegelingen over de liefde, over het evolutionaire verband tussen hardlopen en beschaving, en over de verklaring voor de bij lange afstanden optredende runner's high (lopersroes).

De opsomming in de vorige alinea geeft al aan dat Looptijd een vol boek is. Overvol, en ook een beetje richtingloos. Zo verdwijnen de overleden vader en moeder na het eerste hoofdstuk uit beeld, om pas weer terug te komen in het hoofdstuk waarin de hoofdpersoon tijdens een vakantie in Frankrijk als `postbode' van zijn dochtertje naar het dorpje Mereville (!) loopt. En de belangrijkste filosofische gedachte in het boek – de `moraal van de moeite [...] het uitgangspunt dat alle menselijke waarden gebaseerd zijn op de moeite die iets kost' – wordt té terloops uitgewerkt om indruk achter te laten. Waarmee Van Weeldens streven om van Looptijd meer te maken dan een literair loperslogboek op losse schroeven komt te staan.

Mooi geschreven is het allemaal wel, en niet alleen door zinnetjes als `Kijk, ik roest in de regen' (als eerbetoon aan een strenge, maar enthousiasmerende gymleraar van de middelbare school). Van Weelden is er in geslaagd om het ritme van het hardlopen ook in zijn proza te laten doorklinken, met lange meanderende passages als equivalent voor de rustige duurloop, staccato zinnen als een soort tussensprintjes, en een combinatie van beide bij wijze van literair intervaltrainen. Veel van wat hij schrijft – of het nu gaat over details van het `vaartspel' (een trainingsmethode) of de mythes rondom de eerste marathonloop – zal de hardlopers onder zijn lezers interesseren. Maar hoe geboeid zullen de andere lezers zijn? De gedachte die de hoofdpersoon tijdens een van zijn loopjes wijdt aan zijn geliefde belooft weinig goeds: `Geduld met alle technische gegevens heeft ze niet, net als zijn vrienden, die vaak al eerder hun belangstelling verliezen wanneer hij over hardlopen vertelt.' Zelf moest ik denken aan de opmerking die een personage van Roald Dahl ooit over een vergelijkbare tijdsbesteding maakte: `Het is net als neuspeuteren: leuk om te doen, vervelend om naar te kijken.'

Dirk van Weelden: Looptijd. Augustus, 172 blz. €15,95