Europese regels bedreigen open softwarestandaard

Zonder veel aandacht van media en politiek maakt het Europees Parlement zich op voor een besluit over softwarepatenten, op 22 september. Het is een schijnbaar moeilijke en technische kwestie, en dat verklaart het gebrek aan publieke belangstelling. Maar dit besluit kan enorme maatschappelijke gevolgen hebben.

Op het spel staan de `open standaarden'. Dat zijn afspraken die het mogelijk maken software van verschillende leveranciers te laten samenwerken. De Open Source software kan beschouwd worden als gratis software met de status van openbaar bezit. Een belangrijk deel van internet draait op zulke software. En organisaties en overheden kunnen er veel geld mee besparen. Brazilië en China hebben inmiddels wetgeving die het overheden bijna onmogelijk maakt gemeenschapsgeld te besteden aan dure software als er goede, gratis alternatieven zijn.

Tegen de voorgestelde patentwetgeving pleit dat softwarepatenten een rem vormen op innovatie. Nieuwe concepten kunnen immers niet zonder meer worden toegepast in een andere context. Bovendien werkt dergelijke wetgeving monopolievorming in de hand. Het aanvragen van patenten kost veel tijd en geld, waardoor grote bedrijven in het voordeel zijn van kleine, innovatieve bedrijven. Andersom vraagt het van software-ontwikkelaars een grote inspanning voortdurend te moeten nagaan of ze geen patent schenden. Kapitaalkrachtige bedrijven krijgen een wapen in handen waarmee ze concurrenten het leven zuur kunnen maken.

Wat de gevolgen van de voorgestelde patentwetgeving kunnen zijn, blijkt wanneer je kijkt naar de praktijk in de VS, waar een dergelijke wetgeving van kracht is. Een voorbeeld: het Amerikaanse bedrijf NCR heeft een patent op `het bestellen en downloaden van middelen uit electronische bronnen'. Internetbedrijf Yahoo voelde nattigheid en vocht dit aan. Het heeft inmiddels een schikking getroffen: Yahoo heeft een licentie gekocht, voor een onbekend bedrag.

Het argument vóór softwarepatenten is dat daarmee grote investeringen in software-ontwikkeling terugverdiend en dus gerechtvaardigd kunnen worden. Dat geldt misschien voor de farmaceutische industrie, maar voor software niet. Niets is namelijk zo goedkoop als het ontwikkelen van innovatieve software. Talent en een internetaansluiting volstaan. Het beste bewijs daarvoor is het groeiende aanbod van gratis software, met name Open Source software. Uit innovatie- en kostenoogpunt moet het maken van dergelijke `publieke' software worden gestimuleerd.

Jan Voskuil is internetprogrammeur.