Een moeilijke maat

VITZNAU/AMSTERDAM Aan een Zwitsers meer aan het eind van de zomer kan het niet langer worden ontkend: er zit eczeem op mijn kin.

Je kunt er een pleister op plakken, maar op een gegeven moment moet die er weer af.

Op de berghelling grazen twee ezels die ik langdurig bewonder, want dieren hebben geen oog voor eczeem en er is een dorp dat alleen per kabelbaan of tandradtrein bereikbaar is.

Op dat soorten dorpen ben ik dol. Hotels die Edelweiss heten.

Mijn moeder denkt dat haar meubelmaker in de wasmand graait om haar onderbroekjes te stelen. Misschien is hij een fetisjist, zegt ze, dat komt voor.

Eigenlijk is er dus niets aan de hand, maar omdat je wordt afgerekend op je uiterlijk en ik binnenkort in een filmpje zal moeten spelen, bel ik een dokter. Zijn telefoonnummer heb ik uit een brochure voor de toerist.

De doktersassistente suggereert dat ik volgende week langs moet komen, maar ik zeg: daarop kan ik niet wachten.

In mijn stem klinkt wanhoop door, kennelijk overtuigend, want ze antwoordt: kom dan vandaag om vier uur.

De dokter woont een dorp verderop, Weggis.

Ik neem de boot over het meer. Als je hier een ansichtkaart zou plakken weet je hoe mooi het is.

In de wachtkamer zitten een moeder met twee kinderen en een oude dame met looprek. Ik neem plaats op de laatste vrije stoel. Daar zit je dan. De schrijver met eczeem op zijn kin.

Eigenlijk weet ik niet goed waar ik moet beginnen, misschien hier: op een gegeven moment, we spreken nu over juni, kreeg ik een brief van een man, waarschijnlijk een jongeman, die zichzelf een jaar de tijd had gegeven om iets van zijn leven te maken. Het jaar was bijna om en het was niet veel geworden met dat leven van hem. Hij werkte als receptionist in een bejaardentehuis, hoewel hij ook iets academisch achter de rug had, maar het academische had hem nog dieper teleurgesteld dan de werkzaamheden in het bejaardentehuis. Omdat zelfmoord hem een te dramatische oplossing leek, bood hij aan om als huisknecht voor mij te gaan werken. Het woord huisknecht vermeed hij, maar dat was wel waar het op neerkwam. Zijn ouders wisten niets van dit aanbod, maar hij hield van ze, hoewel hij ze nauwelijks zag. In een ver verleden had hij ook nog een paar gedichten geschreven, maar daarvan had hij afstand gedaan als van een buitenechtelijk kind.

Op licht verwijtende toon wordt mij vaak gezegd dat ik dingen in scène zou zetten, maar de werkelijkheid helpt aardig mee.

Langzaam loopt de wachtkamer leeg.

De dokter, een man van in de veertig met snor, wil alles weten. Of ik rook, of ik last heb van mijn nieren, wat voor werk ik doe.

Hij heet Klinger en het lijkt een beetje op een sollicitatiegesprek, al is het mij onduidelijk waarvoor ik solliciteer.

Mijn kin doet pijn.

Vluchtig bekijkt de dokter de onderste helft van mijn gezicht, dan vraagt hij: heeft iemand in jouw omgeving onlangs herpes gehad?

Een lastige vraag. Hoe definieer je omgeving?

Niet dat ik weet, zeg ik.

Dokter Klinger schrijft antibiotica voor en een zalfje waarvan ik geen wonderen moet verwachten.

Ik verwacht geen wonderen en al helemaal niet van zalfjes. Dat is het voordeel van pessimisme.

Zekerheidshalve laat ik de producente van het filmpje weten dat ik waarschijnlijk herpes heb, twee keer per dag antibiotica moet slikken, maar verder tot alles in staat ben en dat de wond op mijn kin al aardig aan het genezen is. De huid schilfert nog een beetje af, maar er is in ieder geval weer sprake van huid.

Je moet de moed er een beetje in houden en vreemdelingen niet al te zeer afschrikken.

Geen reactie.

Dat heb je als je bekendstaat als iemand die het niet zo nauw neemt met de waarheid. Dan denken de mensen: dat zegt-ie om ons op de kast te jagen.

Mij kan het niets schelen, ik heb mijn plicht gedaan.

Ik zwem in het meer, slik mijn medicijnen, aanvaard de reis naar Amsterdam.

Straks zal ik de man ontmoeten die zichzelf een jaar had gegeven om iets van zijn leven te maken, maar eerst moet ik acteren.

Op een hotelkamer pas ik kleren en een zestal mensen bekijkt mij aandachtig.

In een eerder stadium had ik laten weten dat ik een moeilijke maat heb, maar noodgedwongen heb ik dat teruggenomen. Geef de styliste een kans, zei de producente. Zo ben ik ook weer, voortdurend geef ik mensen kansen.

Ik schreef terug: Goed, dan heb ik geen moeilijke maat. Het is niet helemaal zoals God het bedoeld heeft, maar wat wel? Bovendien kom je met veiligheidsspelden een heel eind, dat weet iedere huisvrouw.

Er wordt aan mij gefrunnikt door de styliste, die net boven de bil een behoorlijke tatoeage heeft. Ik geloof dat het een zonnetje moet voorstellen. In Zwitserland zag ik een man die een streepjescode in zijn nek had getatoeëerd, persoonlijk vind ik dat fraaier.

Dat zeg ik natuurlijk niet, want ze is met spelden in de weer en ik denk eraan dat ik vanaf oktober een licht suïcidale huisknecht bij me in huis heb wonen. Een mooi vooruitzicht.

Soms zijn clichés niet te vermijden. Film is wachten, ik wacht, in gezelschap van een schaal vers fruit. Die heb ik namelijk besteld.

De catering vertrouw ik niet en vers fruit is meestal precies zoals God het bedoeld heeft.

Helaas hebben de antibiotica als bijwerking diarree, maar ik zeg er maar niets meer van, men gelooft mij toch niet.

Af en toe komt mijn tegenspeelster mij opzoeken om ook een kers te eten. Ze heeft naaktfoto's van zichzelf bij zich, en sigaretten.

Naakt is allang geen taboe en als je te beroerd bent je kleren uit te trekken heb je gewoon een fotootje bij je om te laten zien wat God ooit voor zich zag. Met een flinke portie eczeem kun je nog wel tegen een heilig huisje schoppen, maar de grimeuse heeft haar werk goed gedaan.

Ik heb een boek van Karel van het Reve bij me, want ik moet een bloemlezing uit zijn werk samenstellen, maar wachten en lezen gaan gek genoeg slecht samen. Bovendien zorgt de titel – de woorden Freud, Stalin en Dostojevski komen erin voor – voor licht onbehagen. Daarom verstop ik het boek onder een stapel kranten.

Een microfoon wordt in mijn haar gebouwd. En daarna weer zorgvuldig onzichtbaar gemaakt. Dat vind ik heel aardig en ik overweeg de microfoon voor de rest van mijn leven in mijn kapsel te houden, in ieder geval totdat ik kaal word, je weet nooit wanneer zo'n ding nog van pas komt.

Ik bekijk de foto's van de tegenspeelster en zeg: mooi. Daarna ga ik weer verder met wachten.

Ik doe niets voor het geld, maar alles om erover te kunnen schrijven. Wat ik bijvoorbeeld nog niet weet, is hoe het voelt om een kip de nek om te draaien, of een mens.

De mensen die aan het filmpje meedoen lijken mij te lijden, maar ik weet niet waaraan. Voor sommigen ontwikkel ik een diepe sympathie. Een jongeman met zachte, bruine ogen, die niet helemaal op zijn achterhoofd lijkt te zijn gevallen en van wie ik me afvraag: wat doet hij hier? Waarschijnlijk vraagt hij zich van mij hetzelfde af.

De dokter in Zwitserland vertelde mij dat op de lichamen van mensen ook spontaan paddestoelen kunnen gaan groeien. Dat zijn waarschijnlijk oneetbare paddestoelen, maar daar kan de techniek vast iets aan doen. En op een gegeven moment kunnen we dan ons eigen eten op ons eigen lichaam verbouwen, om de hongersnood tegen te gaan.

De grimeuse poedert mij bij. Ze zegt: ik verlang naar een warm bad.

Ik zie het steeds beter. De begroeiing op het lichaam van de mens wordt niet optimaal benut.