Doorbijten naar de Verlichting

Waarom hongeren westerlingen naar `oosterse wijsheid'? De praktische levensvragen waar de westerse filosofie te technisch voor is geworden, zouden daar nog volop aan bod komen. Maar uit een ambitieuze nieuwe bundel blijkt hoe `technisch' ook de oosterse filosofie kan zijn.

De bloemlezing 25 Eeuwen filosofie verscheen voor het eerst twintig jaar geleden. Sindsdien is ze meermaals herdrukt en uitgebreid, en inmiddels ligt de zesde, geheel herziene druk in de winkel. De 38 tekstfragmenten uit de eerste uitgave zijn er drieënvijftig geworden, al zijn er ook een paar auteurs in ongenade gevallen (Pomponazzi, begrijpelijk, maar vreemder: Levinas en Austin). En de titel werd 25 Eeuwen westerse filosofie.

Conform de tijdgeest waren de aanvankelijke pretenties om `de' filosofie te presenteren wat atlantisch-arrogant gaan klinken. En zo staat er naast de nieuwe druk nu een tweede, nog net iets dikkere band 25 Eeuwen oosterse filosofie, vrijwel gelijk in uitvoering maar niettemin krachtig op zichzelf staand, want oost is oost en west is west.

Of de twee elkaar ooit ontmoeten is vooralsnog de vraag, ook al zijn de opzet en uitvoering van het nieuwe deel gelijk aan die van de westerse tegenhanger. Een korte inleiding karakteriseert de verschillende tradities (in het eerste deel zijn dat de tijdperken) van het denken in kwestie: Indiase, Tibetaanse, islamitische, Chinese en Japanse filosofie. De tekstfragmenten die daarop volgen (77 in totaal) worden steeds ingeleid met een biografische schets en een, vaak hoognodige, toelichting.

Gemakkelijk toegankelijk zijn de gekozen passages meestal niet, maar gewiekst laverend tussen bevreemding, exotisme en een vaak halsbrekende terminologie weten de inleiders de lezer behoorlijk op de rails te houden. Gaandeweg ontvouwt zich een wonderlijke waaier van denkers, filosofen, theologen en intellectuelen van wie zelfs de meeste westerse beroepsfilosofen nog nooit zullen hebben gehoord.

Heeft die filosofisch geïnteresseerde lezer er iets aan? Die vraag wordt snel hachelijk, als de plichtplegingen eenmaal achter de rug zijn van het obligate respect voor andere tradities. Heeft het oosterse denken ons iets mee te delen dat onze eigen achtergrond vreemd is, maar dat voor de westerse wijsbegeerte niettemin onmisbaar is?

De problemen beginnen al bij het woord `filosofie', dat in de oosterse tradities niet voorkomt of vanuit het westerse begrip is geconstrueerd. Met zo'n vreemd etiket worden snel de verkeerde vragen gesteld. Is het oosterse denken, waarvoor de godsdienst nog altijd een levende werkelijkheid is (waarin het ook terminologisch ingeweven is gebleven), wel afgestemd op wat wij vandaag de dag `wijsgerig' noemen: een rationele, coherente visie op de werkelijkheid die zich met argumenten verantwoordt en wetenschappelijkheid hoog in het vaandel voert?

Volgens de inleider Jan Bor is dat laatste nu juist de moeilijkheid van de westerse wijsbegeerte geworden. De combinatie van wijsheid, wetenschap en bestaanskunst die ze bij de Grieken nog was, is gaandeweg versmald tot een zuivere denkexcercitie die zich steeds meer dreigt op te sluiten in het universitaire bastion. Antwoorden op levensvragen geven de academische filosofen al lang niet meer. Geen wonder dus dat filosofie als `levenskunst' de laatste tijd buiten het academische circuit weer opbloeit en dat al veel eerder de oosterse filosofie werd omhelsd als panacee voor de westerse filosofische bloedarmoede.

Menswetenschappen

In het westen heeft de wijsbegeerte, vooral in de moderne tijd, de natuurwetenschappen tot model genomen, terwijl zij in het oosten van oudsher aansluiting heeft gezocht bij wat nu menswetenschappen heten en, in India, bij taal en grammatica. Minder dan in het westen werd zuivere kennis bij haar een waarde op zichzelf, al heeft ook de Indiase filosofie scholastieke denkers gehad die tot haarklovens toe theoretiseerden. Zo zijn de logisch-metafysische verhandelingen van een Indiase denker als Shankara (rond 800), grondlegger van de invloedrijke Vedanta-filosofie van het hindoeïsme, te vergelijken met die van een Europese middeleeuwse filosoof-theoloog als Thomas van Aquino.

Aan de andere kant heeft ook de Europese filosofie de band met het leven nooit geheel doorgesneden. Maar de oosterse tradities hebben de praktische taken van de wijsbegeerte wel een veel belangrijker plaats toegekend. Of het nu gaat om de Chinese vraag hoe een mens zich binnen een samenleving moet gedragen of om het Indische probleem hoe hij zich van de begoocheling van de wereld kon bevrijden, vrijwel steeds bleven zij het kader waarbinnen de metafysische, taalanalytische of logische speculaties werden ondernomen.

Terwijl de westerse filosofie zich gaandeweg heeft losgemaakt van de godsdienst waaruit ook zij was voortgekomen, bleven religieuze denkvormen, referenties en termen in het oosten de toon van de filosofie bepalen. Wat voor ons `filosofie' is, moet daaruit dan ook met grote zorg worden losgepeuterd. Pas binnen de tradities waarin deze teksten geschreven werden, geven ze hun geheimen prijs. Zonder kennis daarvan, verzinken ze in een peilloze duisterheid al vormt die laatste voor menig westerse lezer misschien juist hun charme.

Maar voor dat soort lezers is 25 Eeuwen oosterse filosofie niet bedoeld. Nauwkeurig en verhoudingsgewijs helder leggen de inleiders uit wat er in de meest obscure passages wordt bedoeld. Vooral in de Indiase traditie blijkt dat een hele klus, alleen nog overtroffen door de uitlegkunst die de Tibetaanse teksten vragen, als duizelingwekkend hoogtepunt van boeddhistische barok.

In die uitleg komt echter hetzelfde probleem terug. Wat moet er worden verklaard in dit boek dat, hoeveel aandacht het ook heeft voor de levensdimensie van de filosofie, om te beginnen filosofisch wil blijven? Als het wil laten zien hoe onze wijsgerige problemen ook elders de gemoederen hebben bezig gehouden, verdwijnt de noodzaak uit zicht om daar anders dan om historische of antropologische redenen kennis van te nemen. Wat zij hebben, hebben wijzelf immers ook: niet slechter en inmiddels vaak veel beter. En als het oosterse denken ten aanzien van onze eigen traditie iets wezenlijk anders biedt, zullen we het al snel geen wijsbegeerte meer noemen, maar religie, meditatie of zelfs etiquette.

Hoe ongemakkelijk de inleiders moeten bewegen tussen reddeloze bevreemding en àl te simpele toeëigening, blijkt wanneer na het denken uit India en Tibet de islamitische filosofie ter sprake komt. Plotseling lijkt alles opgeklaard. Hoe exotisch de namen van de auteurs en hun koran-verwijzingen ook mogen klinken, met de stijl, begrippen en zelfs de taal van hun denken zijn we op vertrouwde grond. Geen wonder: het islamitische denken sluit vaak vrijwel naadloos aan bij het Griekse en gaf het middeleeuwse Europa in die vorm zelfs haar eigen erfenis terug. Maar zelden werd zo duidelijk hoezeer het islamitische denken fundamenteel een westers denken is, als in de in dit boek opgenomen tekstselectie en het contrast met het denken uit India en China.

Diversiteit

Dat contrast is in beide gevallen wel heel verschillend. Zo diepzinnig en weerbarstig als de Indiase teksten zijn, zo helder en bijna alledaags zijn de Chinese. Metafysische verhandelingen over de leegte en de verlossing moeten het daar lang afleggen tegen dialogen of beschouwingen over het goede bestuur en burgerschap, de sociale orde en de voornaamste levensdeugden. De stijl is er soms ook naar: vooral bij de verrassende Zhuangzi is die springerig en humoristisch. Pas wanneer het boeddhisme in China doorbreekt, worden de teksten duister en moet de toelichting alle zeilen bijzetten.

Meer dan wat ook komt in dit boek de enorme diversiteit in bekommernissen, stijlen en overtuigingen naar voren van wat nog altijd `het oosterse denken' heet. Soms peinzend meditatief, dan weer op zijn janboerenfluitjes-empirisch, op zoek naar het absolute, maar vaker nog naar het concrete, blijkt het oosten allesbehalve één aaneengesloten school van diepzinnigheid. Wellicht lijkt het juist in die diversiteit het meeste op de westerse filosofie.

Opvallend is hoe weinig denkers uit de moderne tijd, waarin het Europese denken zijn grote, mondiale vlucht nam, deze bloemlezing hebben gehaald. Oorspronkelijkheid lijkt sindsdien bijna onmogelijk te zijn geworden. De weinige recentere wijsgeren die zijn opgenomen hebben de westerse filosofie bijna zonder uitzondering als referentie en hebben veelal ook in Frankrijk of de Verenigde Staten gestudeerd.

Als oost en west tenslotte toch bij elkaar komen, is dat kennelijk onherroepelijk in een Europees-Amerikaanse toonzetting. Wellicht is dat de wat melancholieke conclusie die zich aan het einde van deze bloemlezing opdringt. Ze opent werelden die velen zo goed als onbekend zijn, maar kan niet verhelen dat de betekenis daarvan vooral cultureel-antropologisch en historisch is. Filosofisch blijft ze in de schaduw van haar voorgangster, maar naast elkaar ogen beide boeken in ieder geval prachtig.

Jan Bor en Karel van der Leeuw (red.): 25 Eeuwen oosterse filosofie. Boom, 605 blz. €32,50