De maffia op de beursvloer

De financiële beurs van New York is een natuurlijk werkterrein voor de maffia. Niet alleen omdat handelaren naar verluidt gretige afnemers van cocaïne zijn, maar ook en vooral omdat de beurshandel veel weg heeft van een casino, dat zijn eigen obscure regels hanteert. En de autoriteiten keken tot vorig jaar, het jaar van de schandalen, nogal eens de andere kant op.

Over deze maffiose wereld gaat Born to steal van Business Week-journalist Gary Weiss. Louis Pasciuto, de hoofdpersoon van Weiss' verhaal, die tegen de politie klikte in ruil voor strafvermindering, werd na de publicatie van het boek, in mei, ter bescherming achter slot en grendel geplaatst. Justitie vreesde vergeldingsacties van collega-maffiosi. Zeker twintig maffiosi zouden achter de tralies zitten dankzij zijn getuigenis.

Pasciuto is geen Don Corleone of Tony Soprano. `Louis gebruikte nooit een vuurwapen', schrijft Weiss. `Hij had geen vuurwapen nodig.' Hij verdiende zijn miljoenen als `effectenhandelaar' bij tenminste twaalf firma's op Wall Street eind jaren negentig. De methodes waarmee Pasciuto en zijn vrienden beleggers een poot uitdraaiden waren verbluffend eenvoudig. Bucket shops bijvoorbeeld verkochten fictieve effecten. Opgehitst door verkopers, stuurden beleggers cheques ter waarde van honderdduizenden dollars naar firma's met klinkende namen als Hanover Sterling. Soms kregen de beleggers een mooi certificaat thuisgestuurd, hoewel het bedrijf helemaal niet bestond, of hoogstens in naam.

Een iets geraffineerdere vorm van diefstal werd gepleegd in chop houses. Chops, ofwel rips, waren de ongehoorde winsten (van soms vijftig procent of meer) op transacties in penny-stocks (onder de vijf dollar) waarin nauwelijks werd gehandeld en waarvan de koers dus zeer grillig kon zijn.

De benadeelde beleggers waren in de woorden van Pasciuto `Fucking retards', dat wil zeggen provincialen. Hij deed nooit zaken met mensen uit de stad, laat staan New York zelf, want die waren te zeer bij de pinken. Altijd kleine plaatsjes in desolate staten, zoals Utah. `Dan belde ik op en dan zeiden zij: zit u in New York? Echt waar? Hoe is het daar?'

De tactieken om tegenstribbelende klanten over te halen waren grof. Oude mannelijke beleggers werden uitgedaagd. `Kom op man, wat kan jou het schelen!' Anderen werden bruut afgekapt en dan meteen teruggebeld, met een iets beter aanbod. Als ze dan nog niet overstag gingen, dan vond de transactie alsnog illegaal plaats in hun naam. Klanten die klaagden kregen meteen (een deel van) de commissie of het koersverlies teruggestort en waren van zulke correcte behandeling weer zo onder de indruk dat ze zin kregen in nieuwe transacties.

Spannend wordt Born to Steal als huurmoordenaar Charlie Ricottone zich ongevraagd opwerpt als Pasciuto's beschermheer. In ruil daarvoor eiste Charlie krankzinnig hoge, onmiddellijk uit te keren rendementen op zijn beleggingen. Hij weigert te accepteren dat beleggen een risico met zich meedraagt. Als Pasciuto van hem afwil, en daartoe een andere huurmoordenaar inschakelt, dreigt hij zelf kopje onder te gaan. Uiteindelijk neemt hij wraak op Charlie, en op al zijn voormalige partners, door hen – en zichzelf – aan te geven.

Gary Weiss: Born to steal. When the Mafia hit Wall Street. Warner Books, 368 blz. €27,50