De geheime draaideur

In de installaties van Gabriël Lester wordt de communicatie met weinig om zeep geholpen. En wat zijn wij gevoelig voor suggestie.

Zal ik je een verhaal van Kafka voorlezen?'' vraagt Gabriël Lester. Het verhaal is ultrakort. Het gaat over een man die zijn leven lang probeert een poort binnen te gaan en die keer op keer teruggestuurd wordt door de poortwachter. Ik tref Lester (geb. 1972) in Amsterdam, waar hij een installatie aan het opbouwen is die de grote achterruimte van galerie Fons Welters in beslag zal nemen. De installatie bestaat uit twee delen. Het voorste deel moet een wachtkamer voorstellen; een ruimte die je door zijn saaiheid ook meteen als zodanig herkent. Niets tergt het geduld erger en holt de hoop meer uit dan wachten. ,,I said to my soul, be still, and wait without hope/ for hope would be hope for the wrong thing'', schreef T.S. Eliot.

De tweede ruimte is een geabstraheerd laboratorium. Voor Lester is het een metafoor voor een plek waar dingen die ons leven – vaak heimelijk – beheersen, worden uitgevonden. Wapens, gentechnologie etc. De muren zijn alvast operatiegroen geschilderd. In deze ruimte is een aantal (wand)sculpturen te zien en een video die werd opgenomen bij een expeditiecentrum. In de vrachtwagens die daar af- en aanreden om te laden en te lossen zag Lester een soort toegevoegde ruimtes, ruimtes die elkaar opvolgen als filmsequenties.

De twee ruimtes in de galerie worden verbonden door een geheime draaideur, die gedeeltelijk is weggewerkt in een kast. De kast/deur verwijst volgens Lester losjes naar de kast/deur waarachter Anne Frank ondergedoken zat, maar ook naar de `hidden doors' in computerspelletjes, geheime doorgangen die de spelers naar een ander, hoger niveau kunnen leiden. Een doorgang naar een andere realiteit.

`Film zonder film' antwoordde ik spontaan toen iemand me laatst vroeg waar het werk van Gabriel Lester over gaat.

Dat gold zeker voor `How to act', het eerste werk dat ik in 1999 van hem zag, op de Rijksacademie, waar hij vijftig gekleurde spotjes in een plafond had gemonteerd die op het meeslepende ritme van Hollywoodfilmsoundtracks de ruimte in verschillende kleuren licht lieten baden. Het eigenaardige was dat je de filmbeelden niet misliep, ze werden namelijk moeiteloos in je geheugen opgeroepen. Het toonde de onmacht van het zien tegenover de kracht van de suggestie en deed je eens te meer beseffen dat ons hoofd een enorme beeldopslagplaats is waarin fictie en werkelijkheid voortdurend `ik eerst!' krijsen. Maar de keuze blijft aan jou.

Clubhuis

De invloed van film was ook zichtbaar in de installatie die Lester in 2001 in de Appel in Amsterdam presenteerde. De achterwand van de ruimte leek op een muur uit een café of clubhuis, volgehangen met vaantjes, affiches, een kastje met sporttrofeeën etc. Er hingen door Lester geënsceneerde foto's van zegevierende voetbalteams, markant besnorde drinkers en verlegen pubermeisjes tussen, allemaal gefotografeerd voor hetzelfde volgepakte cafédecor. Deze foto's versterkten het claustrofobische gevoel van een kleine gemeenschap nog dat sommige cafés tegenover een toevallige bezoeker kunnen uitstralen. Dwars op deze wand had Lester vijf houten schotten geplaatst, met ruwweg een meter tussenruimte, die de achterwand in zes sequenties hakte. Door langs de schotten heen en weer te lopen kon je het beeld op verschillende manieren `afspelen'. Lester had het beeld als het ware `uit de film bevrijd' en in de werkelijkheid geplaatst. De geste van de kunstenaar bestond er uit dat hij de toeschouwer die ontdekking gunde.

Als ik het hem vraag, bevestigt Lester dat hij zelf in zo'n kleine gesloten gemeenschap opgegroeid is, in Noord-Groningen, als buitenbeentje, kind van joodse en Ierse ouders, dat werd gepest en liever thuis bleef dan naar school ging.

Zijn familiegeschiedenis, zijn joodse afkomst is belangrijk voor hem. Soms probeert hij zijn werk, zijn leven in het kader van die afkomst te plaatsen. Het feit dat er geen mensfiguren in zijn werk voorkomen. De mate waarin hij zich ontworteld voelt. Zijn verlangen een kameleon te zijn, op te gaan in de ruimte om hem heen.

De onmogelijkheid van dat verlangen is vormgegeven in het werk `Cut to the chase' dat hij in 2002 voor het Haags Gemeentemuseum maakte. Lester beschrijft het als ,,een installatie van honderd formalistische wandobjecten van glas, metaal en hout die door witte houten latten die op zestig centimeter van de wand geplaatst zijn, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken worden''. Als je er langs loopt vang je maar een glimp op van het geheel. Het optische effect van beweeglijkheid wordt versterkt door de kleine zwarte puntvormen die ook op de wanden zijn aangebracht, als de tittels en de jota's uit het Hebreeuws – de kleinste leestekens ter wereld – die volgens de Tora ons bestaan aanduiden, dat tegelijkertijd nietig en betekenisvol is.

Het formele voyeurisme van `Cut to the chase' doet me denken aan Op-art en de nauwverwante Kinetische kunst, waarin het zinsbegoochelende karakter van de menselijke waarneming eveneens centraal staat. Een kunstenaar als Jesus Raphaël Soto (geb. 1923) plaatste in 1954 bijvoorbeeld een raster van doorzichtig plexiglas, bedekt met regelmatig verdeelde punten, op acht centimer vóór zijn geometrische schilderij, zodat het oppervlak van het kunstwerk in beweging komt wanneer de toeschouwer zich verplaatst. De toeschouwer voltooit door te kijken eigenlijk pas het kunstwerk. Op-art oefent overigens nog steeds veel invloed uit, vooral op mode, videoclips en (computer)design.

Kop thee

,,Gabriel Lester was last seen wearing shorts and an orange Hawaiian style shirt''. Dat klinkt als een zin uit een Amerikaanse film, maar ik las het op internet, op zoek naar informatie over Gabriel Lester. Het bericht bleek over een vermiste jongen van negentien jaar oud te gaan. Hij was echt, en naar later bleek, ook echt dood. Ik stelde me zijn moeder voor, ze zit aan de keukentafel en drinkt een kop thee, haar enige wens is de tijd terug te kunnen draaien. Maar dat kan alleen in kunst.

Aan de andere Gabriel Lester wordt vaak gevraagd waarom hij geen echte films maakt, in plaats van installaties die alleen maar op films lijken. Zelf denkt hij dat het zou kunnen komen omdat hij weinig vertrouwen in andere mensen heeft en zou opzien tegen langdurige samenwerking.

Mogelijk is er ook een andere reden. Dat doet `Graffiti', een werk van Lester uit 2000, me tenminste vermoeden. `Graffiti' is een simpele video, een opname van onscherp afgespeelde filmaftitelingen. Traag glijden de onleesbare namen van acteurs, regieassistenten en decorontwerpers voorbij. Al hun inspanningen krijgen er iets vergeefs door. Taal is veranderd in een vermoeden van taal, zoals braille dat is voor degene die het niet beheerst. Lesters kleine ingreep laat zien dat er maar weinig voor nodig is om communicatie om zeep te helpen.

Keer op keer gaat Lesters werk over (de onmogelijkheid) contact (te) maken met de wereld om je heen. De positie van buitenstaander maakt van hem een scherpe observator. Daarom moet hij waarschijnlijk juist geen films gaan maken, maar er uit de verte naar blijven verlangen als naar een verlokkend mooi zingende zeemeermin. Isolement en de hunkering naar contact, daar gaat kunst heel vaak over. Het lijkt verdomme het leven zelf wel.

Gabriel Lester, The Clock and the Clockwork, van 6/9 tot 11/10 bij galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, Amsterdam. di/za 13-18 u. Opening 6/9 17-19u. Website: www.gabriellester.com

In ons hoofd krijsen fictie en werkelijkheid `ik eerst!'