De Franse evolutie

Wim Duisenberg telt de dagen af. Over een paar maanden mag hij eindelijk zijn bureau bij de Europese Centrale Bank opruimen om plaats te maken voor Jean-Claude Trichet. Grote vraag is: gaat er in het Franse tijdperk bij de ECB, dat acht jaar zal duren, iets veranderen? Op het eerste gezicht niet. Trichet, nu nog de baas bij de Franse centrale bank, zal de continuïteit in eigen persoon zijn. Dat blijkt in ieder geval uit schriftelijke antwoorden van Trichet op vragen van het Europees Parlement, dat aanstaande woensdag de opvolging bij de ECB behandelt. De antwoorden lekten deze week uit en zijn integraal verspreid door het persbureau Dow Jones.

De continuïteit die van de regels druipt is te verwachten. Ten eerste zal geen opvolger van een zo belangrijk instituut het beleid van zijn voorganger afvallen, zeker niet omdat Trichet zelf al die tijd medeverantwoordelijk is geweest als bestuurslid van de bank. Ten tweede is er ook echt sprake van een grote mate van consensus tussen de centrale bankiers van de eurozone. Trichet is daar weinig minder dan de verpersoonlijking van.

Veranderingen waren, na de start die de ECB in 1999 maakte, wel nodig. Dat gold met name de verduidelijking van de definitie van prijsstabiliteit, en het formeel afschieten van de groei van de geldhoeveelheid als een van de twee pijlers van het monetaire beleid. Maar dat is een paar maanden geleden al gebeurd, en geeft blijk van zelfreinigend vermogen van de ECB.

Verandert er dan werkelijk niets? Dat is nog niet gezegd. Met name de Noord-Europese landen waren in 1998 blij dat Duisenberg de eerste president werd. Een Latijnse bestuurscultuur, zo heette het, zou rond de ECB-president al snel resulteren in typische kabinetsvorming. Daarbij omringt de topman zich met eigen adviseurs en getrouwen, en vormt zo een organisatie binnen de organisatie. Deze neiging tot centralisme kon volgens de Noord-Europeanen maar beter niet bij aanvang in de ECB-cultuur worden verankerd. Vandaar hun voorkeur voor een representant van de meer noordelijke consensuscultuur.

Toch kan enig leiderschap geen kwaad. In een van zijn antwoorden gaat Trichet in op de Poolse landdag die de Europese Commissie, de regeringen van de belangrijkste lidstaten en al hun centrale bankiers doorgaans sturen naar fora als de G8, het IMF en de OESO. Tegenover een Amerikaan of drie zitten daar in de regel meer dan tien Europese tegenhangers. In dat opzicht is er volgens Trichet `wellicht enige ruimte voor verbetering'. Mocht hij zich sterk maken om aan deze variant van eurokakofonie een einde te maken, dan is dat een vorm van centralisme die de Amerikanen zullen waarderen.